’t Bewijs.

Over Veluws Weekblad

26-08-1925

’t Bewijs.

 

 ’t Liep tegen de avond. Een groepje vrouwen, de handen onder de schorten verborgen, de hoofden vooruit gestoken, stonden scherp fluisterend voor het kleine huisje met de gesloten blinden.

    Stil, hoorden ze niets? Ja, dat was de stem van den veldwachter! Ja, vast en zeker, die stem kenden ze maar al te goed.

    Hier, kijk, door die spleet kun je nog net even naar binnen loeren; zie, de tooverkol lag voor het ziekbed van ’t kind op de knieën.

    Foei, foei toch, zoo ’n lelijke heks. Hoor! Ze jammerde hardop, zeker bang voor den politieman.

    “Ja, ja”, knikten de hoofden op de uitgestrekte halzen,”ja, ja, zoo’n kreng toch, ze zullen ‘r wel leeren, als het verdraait het kind weer gezond te maken. Dat ze ’t betoverd had, was zoo zeker als wat ook.’t Kind liep bij haar in en uit.

    Verleden week had ze ’t nog een appel toegestoken, zoo’n mooien, je weet wel, heelemaal vuurrood en nu lag het kind in heette koorts en had men grootte veerenkransen uit ’t kussen te voorschijn gehaald. En ze gaf ’t maar niet toe ook, dat ze ’t gedaan had!

    Denk je, dat ze wilde zeggen”God zegen je”! Kun je begrijpen, ze was zoo onschuldig als een lam, dat lelijke ouwe beest. Had ‘r moeder ook al niet bekend gestaan als heks? Altijd zag je ze alleen loopen, niemand die met zulk volk iets te doen wilde hebben.

    Ze waren zoo arm als de mieren; je begreep niet, dat ze niet alles voor zich zelf op tafel tooverden! Effin, dat zou ze misschien wel in stilte doen, des avonds, als ze in het duister zat te koekeloeren, en als ’t heeten moest dat ze geen geld had voor olie. Al die armoed was natuurlijk maar larie.

Ja, ’t kind van vrouw Bol was hard ziek en lag in ijlende koortsen. Twee huizen verder in ’t vervallen krotje, met het dak als een zeef, dat regen,hagel en sneeuw vrij doorliet, woonde vrouw bruin. ’t Was een klein vrouwtje, met bruin, rimpelig gezichtje en vriendelijke, heldere oogjes. Ze was doodarm en menschenschuw doordat de vriendelijke wereld haar gedoodverfd had als “Heks”.

    Iedereen in het dorp ontweek haar als de pest. Alleen kleine Truitje Bol was niet bang voor haar en bezocht haar zelfs een enkele keer. Moeder Bol was daar sterk tegen,maar och, als je een huishouding had van acht kinderen, kon je op alles geen acht slaan en was je al blij als de kinderen eens een uurtje uit de voeten waren.

Maar, zooals het te voorzien was, Truitje werd hongerig en akelig, en lag nu met den dood te worstelen. Hevig had vrouw Bol tekeer gegaan, tegen dat gemeene ouwe wijf, die smerige tooverheks die van alles de schuld was. Wat had ze het kind gepaaid en geaaid, dat beest, om ‘r nu te beheksen.

    Met ‘r vuisten had ze de luiken van het armzalige huisje gebeukt. Er uit, en mee, om het kind te genezen.

    ’t Arme oude moedertje had geweend, gebeefd en gesnikt, dat ze niet had gedaan, eerlijk en waarachtig niet, buurvrouw!

    Maar moeder Bol gaf geen pardon; aan een pols had ze ‘r meegesleurd het huis uit en ‘r voor Truitjes bed neergesmakt. Dat ‘r een oploop van volk was gekomen, was dus geen wonder en nu was de veldwachter ook nog naar binnen gestapt. Nou, die zou ’t er wel uitkrijgen. Pas op, zoo een wist hoe ie ’t aan moest pakken. Ja de man van ’t gerecht gebruikte straffe middelen. Toen al zijn vragen en dreigen hem niets verder brachten, trok hij zijn sabel en zwaaide die als een bezetene boven het bevende, trillende hoofdje van de heks.

    “Genade mijnheer, genade toch”, snikte het arme wijfje, “ik zweer je bij al wat heilig is, ik heb het niet gedaan. Ik kan niet tooveren, lieve mijnheer, en ik hou zooveel van Truitje!”

    En toen buurvrouw en veldwachter voor zoo ’n beest, die ze op den brandstapel werpen moesten, van geen genade wisten, hief zij zich radeloos op en strekte de handen met de trillende vingers omhoog. Schreiend riep ze God tot getuige, als het waar was dat ze ’t gedaan had, dan mocht er een merakel met haar gebeuren na ‘r dood. Toen zakte ze bewusteloos inéén. Buiten stoven de vrouwen uit elkaar. ’t Lichaam van vrouw Bruin werd naar het huisje met ’t lekke dak gedragen.

    Op een afstand volgden zij den kleine stoet. “Zou ze dood zijn?” vroegen ze elkaar. Een schouderophalen was het antwoord, neen, dood was ze niet. Acht dagen leefde ze nog, ijlend, schreiend, angstig in’t lompenbed, weggedoken, de bange uren, dat ze tot bewustzijn kwam.

    Truitje was gelukkig hersteld.

Daardoor was de opgewonden, vijandige stemming wat geluwd.

    Ja, eens was er zelfs een vrouw gekomen, die gevraagd had of ze iets noodig had. Onverrichterzake was ze echter weer vertrokken, de hes had niets dan wartaal gesproken….

    Nu was ze toch wel dood; eigenlijk gelukkig mocht je wel zeggen al was’t zondig, dat die streek van zulke krengen verlost werd.

    Vrouw Bruin had ’t armzalige lekke krotje voor een huisje van zes plankjes verwisseld.

Maar deze geschiedenis, van mond tot mond gefluisterd, Had de beschaafde wereld bereikt. ’t Gerecht bemoeide zich er mede. Kon de dood zijn oorzaak hebben gevonden in ’t zwaaien van des veldwachters sabel? ’t Lijk werd opgegraven.

    De kleine schedel van ’t arme doode vrouwtje werd gelicht, onderzocht en ’t heksje weer begraven.

    Alles ging in stilte. De veldwachter raakte zijn sabel kwijt,alles in stilte. Maar in het dorp bewaard men geen geheim. Eerst zacht werd er gefluisterd, toen harder en luider tot op een morgen weer de vrouwen stonden voor ’t huis van vrouw Bol, die met ’t jongste kind op ‘r arm ’t hoogste woord voerde.

    Vuurrrood van emotie zwaaide zij den vrije arm vooruit. Zie je ’t nou wel, had ze geen gelijk gehad! Of ’t ook waar geweest was hé? De smerige tooverkol had bij Truitjes bed gezworen dat ze ’t niet gedaan had. Als ’t waar was, zou ‘r een mirakel gebeuren na ‘r dood.

    Zagen ze ’t nou allemaal?

Welk fatsoenlijk mensch ‘r weer uit zijn graf gelicht en z’n hersens los gemaakt, nou wat zeiden ze nou?

    Ja, knikten weer de hoofden na elkaar, ja nou was ’t zoo klaar als de dag, ’t was een zegen dat ze van zoo’n vrouw-mensch verlost waren.

Bron; M.Geisler-Plat

26-08-1925

XXXXXXX

   

 

Dit bericht was geplaatst in Verhalen bundel.

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Verplichte velden zijn gemarkeerd met *