1817- Harderwijker helden

 

 bat courant 20-09-1817 HWIJK

 

Harderwijker Helden.

 

Snuffelend in diverse kranten uit binnen – en buitenland kwam ik dit bericht over dappere redders uit Harderwijk tegen die ik u niet wil onthouden en zeker niet omdat het in de Bataviasche Courant stond van 20 september 1817.

 

 

Harderwijk,den 28 Februarij 1817.

De aanhoudende storm was zeer noodlottig voor eenige schepen, welke eene schuilplaats zoekende, op onze reede ten anker gekomen waren;van deze seinden gisteren morgen vroeg, drie vriesche tjalken om hulp, zonder dat onze hulpvaardige varensgezellen de mogelijk zagen, om hier aan te voldoen doordien al de groote visschersschuten afwezig waren, en de vreeslijk woedende storm het gebruik van kleinere verbood. Het eenige doch twijfelachtig middel bestond in het beproeven, of men met de veerboot, denzelven bereiken konde. Naauwelijks was dit denkbeeld bij hen opgekomen of zij namen het besluit, om zulks ten uitvoer te brengen, en de dertien hieronder genoemde personen begaven zich, na bekomen toestemming van den president – burgemeester, in de boot, en maakte zeil naar de eerst geseint hebbende tjalk, genaamd de Vrouw Hendriks, beladen met 1000 tonnen turf, bestemd naar Rotterdam, gevoerd bij Frederik Harms Leuning,wiens vrouw en vijf kinderen, waaronder een van 6 maanden, insgelijks aan boord waren; doch derwaarts op weg zijnde, kwam deze hun tegen drijven, waardoor zij buiten staat waren, aan boord van dezelfde te komen, hetgeen ten gevolge had, dat deze beneden de haven op strand raakte, en heden nacht verbrijzeld werd, zijnde de op hetzelve zich personen, dadelijk, door A van Hasselt en Hendrik Jongeneel, gered.

Zoodra de hier in te melden personen ontwaarden, dat hunne pogingen, ten opzichte van de genoemde tjalk, vruchteloos waren, zetten zij aanstonds koers naar eene andere, genaamd de Drie Gebroeders, inhebbende 600 tonnen turf, bestemd naar de Beverwijk, gevoerd bij Douwe Johannes Douwe, wiens vrouw en drie kinderen, zich behalve de knecht, aan boord bevonden, zij bereikten dezelve gelukkig, en herhaalde en met gevaar verzelfde pogingen, en zetteden Harmen de Boer, Teunis Brouwer en Andries Schaftenaar aan boord.

Deze heeschen daarop de zeilen bij, en bragten de tjalk, die anders zeker het lot van de vorige zoude ondergaan hebben, behouden in de haven. Middelerwijs deze met het schip bezig waren, begaven zich de overige manschappen met de boot, naar dederde tjalk genaamd de Jonge Jacob, gevoerd bij de weduwe Aste Ales, inhebbende 900 tonnen turf, bestemd voor Rotterdam, en het verst afgelegen ten anker liggende, welke zij, na lang worstelens, naauwelijks en slechts in zoo verre bereikten, dat B.Witteveen oversprong, en den voor de tweedemaal weder op zijde komende Engelen Peter aan boord kwam.

Zoodra zij nu gehoord hadden, dat de zet – schipper en zijn knecht den ganschen afgeloopen nacht hadden moeten pompen, doordien het schip den vorigen dag gestoten en een lek bekomen had, vreezende van hetzelfde niet te kunnen boven houden, lieten zij de kabels slippen en haalden de zeilen bij, om het in de haven te brengen; dan zoodra zij het groote zeil er eenige tijd hadden bij gehad, en er beweging in het schip kwam, slingerde het te barsten, en begon te zinken, waarop zij dadelijk het zei streken en het anker lieten vallen, ten einde, zoo veel mogelijk, op den wind te zwaaijen. Hier in geslaagd zijnde, werd de bovenlast geheel weggeslagen.

tjalk

Zoodra de manschappen op de veerboot, welken niet tegenstaande den woedenden storm, uit vrees voor het schip, in zee gebleven waren, zagen, dat zij het niet konden uithouden, hielden zij het er weder op aan en kwamen, na vele gevaren uitgestaan te hebben, boven het schip en wierpen eene dreg uit, met oogmerk om naar hetzelfde toe te gieren, doch het doorschieten van dezelve en de kracht van de holle zee maakten deze pogingen geheel vruchteloos.

Daar nu de nood drong en het gevaar, hetgeen meer en meer dreigend werd, geen uitstel gedoogde,( want de menschen waren naar de mast gevlugt, stonden voor het grootste gedeelte in het water, en schenen alzoo te zullen omkomen, daar de zee hen telkens bedekte), kapten zij de kabel en maakten wederom zeil, om boven het schip en voor de andere dreg te komen; dit hun gelukkende, door het uitwerpen van een touw, hetwelk B.Witteveen greep, en als het eenigst redmiddel, aan den voorbolder onder het water vastmaakte,[ nadat hij, van onder het kistluik, door de persing van het water weder boven kwam, zijnde hij bij het springen op de plegt hierin geraakt, doordien deze reeds eenige voeten onderstond, en het kistluik was weggespoeld, zoo dat hij, doodsbleek, in den grootsten angst, naderhand aan de wal kwam] , kwamen zij op zijde van het schip als wanneer de eene zijde van hetzelfde reeds geheel weg dreef, terwijl nu eenige manschappen de veerboot zoo digt mogelijk aanhielden, wierpen, de op het wrak aanwezige personen de kinderen, zijnde een van veertien en een van drie jaren, over, doch daar de vrouw van het schip, geen grond meer onder haar hebbende, in eene gebogene houding, zonder bezef om los te laten en het haar toegegooide touw te grijpen, als bestorven aan de giek hing, kunnende men nu niet meer bij haar komen ( schoon de knecht, met name Ale Munjes, met groot gevaar van zijne leven, ter harer redding aan boord bleef) , sloegen zij de haken in hare kleeding, en trokken har door het water op de boot. Nu vreezende, dat zij op het wrak zouden geraken, als wanneer allen eenen gewissen dood moesten ondergaan, kapten zij ook deze kabel, en zetteden koers naar de haven.

Naauwelijks waren zij onder zeil, of de mast van het wrak sloeg om, en de zee was bedekt met eene menigte turf en stukken van hetzelve; kort daarna kwamen zij, onder de algemeene toajuiging van de ontzaggelijke toegevloeide menigte, behouden binnen.

Dadelijk droegen zij de verkleumde vrouw en kinderen in een nabij gelegen huis van Harmen de Boer, die met de zijne hun aanstonds den noodige bijstand bood; terwijl eene vrouw, genaamd Gerritje Petersen, hoewel nog ten uiterste bedroefd over het afsterven van hare dochter, hetgeen den vorigen dag had plaats gehad, insgelijks ter hulp snelde en de schipbreukelingen van alhet noodige, linnen en dekens voorzag, door welke gezamelijke hulpbetooning, men thans het genoegen heeft, de vrouw en kinderen welvarende te zien.

storm

Burgemeesteren hebben dadelijk alles in het werk gesteld, om langs de gantsche uitgestrektheid van het strand, de goederen en de menigte turf op te visschen en in bewaring te nemen, terwijl zij aan de gestranden toestonden een collecte langs de huizen te doen.

De namen van het bovenvermelde dertiental edelmoedige menschenvrienden, die ( vergetende zelve vaders van huisgezinnen te zijn, en zonder de gevaren, waarmede zij te kampen hadden, in aanmerking te nemen), bij de redding dezer menschen, eene vaardigheid, trouwe hulp en voorbeeldige onverschrokkenheid aan den dag gelegd, en hierdoor aanspraak kunnen maken op de achting van elken menschenvriend, zijn:

Willem Stevensen, Harmen de Boer, Teunis Brouwer, Andries Schaftenaar, Barend Witteveen, Engelen Peter, Roelof Hendriksen, Hendrik Sulleman, Hendrik Rengersen, Jacob Klok, Jacobus Hol, Aart de Vink en Thijs Mons.

*********

*****

Dit bericht was geplaatst in Krantenberichten.

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Verplichte velden zijn gemarkeerd met *