Onze Volksliederen.

 

Onze Volksliederen.

 

 Weet ge, mijn lezers, wat dat zijn? Dat zijn liederen die door het volk worden gezongen. Niet enkel in de binnenkamers, op bruiloften, bij begrafenissen of bij echtscheidingen, niet bij geboorten of andere huiselijke onenigheden, maar te allen tijde en overal.

De dronkaard zingt ze, terwijl hij zijn neus tegen zijn achterhoofd breekt en door den dienaar van de justitie naar de nor wordt gebracht; de boer heft ze aan, wanneer hij al hortend en stotend met zijn mestkar over de zandweg rijdt; de visser galmt ze uit, als hij met zijn vaartuig de baren klieft en hij Gods blauwe hemel ronddobbert over den woeligen waterplas; de matroos laat ze horen uit volle borst, als hij in het want zit, evenals de boerenmeid ze met haar klankvolle stem voortbrengt, terwijl ze met haar poezelige handjes de uiers van de koe ontdoet van de overvloedige melk. De straatjongen schreeuwt ze luidruchtig voort, al wappert er zo tersluiks een hemdslip uit zijn broek, welk vaandel van onvermogen in lijnrechte tegenspraak is met zijn blankende zanglust ter ere van Vorstin en Vaderland.

Maar we zouden zo een half uur door kunnen gaan, zonder iets gezegd te hebben van de Volksliederen.

Daarom terzake. Het volk. Wat is dat? Is dat de menigte voorname heren en dames, die in overvloed leven en de noden en behoeften des levens niet van dichtbij kennen? Zijn dat enkele hoogwaardigheidsbekleders, die de lakens uitdelen, welke door de onderdanige rest gedienstig worden gevolgd?

Of is dat soms die brede schare van werklieden, die in’t zweet van hun aanschijn hun brood met ere verdienen en leven moeten van het loon hunner handen?

Mijn lezers! Het volk is de natie in zijn geheel, het omvat in zich regeerders en onderdanen, rijken en armen, boeren, burgers en buitenlui en is als zodanig een verzamelwoord voor al die gelukkige en niet gelukkige stervelingen, die behoren tot de mensenmassa, wonende binnen de grenzen van een bepaald land. Vandaar spreken we van het Nederlandse, het Engelse,het Transvaalse volk, enz. enz. Als de wetenschap vorderingen maakt, krijgen we er misschien ook nog een maanbevolking bij, schoon enkele zieners ons wijs maken, dat de maanbewoners naar alle waarschijnlijkheid niet in’t bezit zijn van een onderlijf.

‘t Is natuurlijk, dat we‘t zullen hebben over de liederen van het Nederlandse volk; over liederen dus, die in ons land inheems zijn, door Nederlanders zijn gemaakt en die een afspiegeling geen van wat er in de hoofden en harten omgaat.

We beginnen daarom met het Wilhelmus. Dat is nu eerst eens een lied! Wat Paul kruger is geweest voor Tranvaal, ja, oneindig meer dan die, is Willem van Oranje geweest voor ons. Hij is de grondlegger onzer onafhankelijkheid en offerde zich voor ons op, schoon vreemdeling van vorstelijke bloede. Eeuwen heeft dat lied zich gehandhaafd, onder alle omstandigheden, in allen nood, omdat het weerklank vond in harten van alle oprechte Nederlanders. Er spreekt een hart uit, dat gloeit van liefde voor‘t verdrukte volk. Nimmer zal het verouderen.

Het “Wien Neerlands Bloed”, kan er niet bij halen. Vraag den burgerman, of hij‘t Wilhelmus kent en hij zal U bevestigend antwoorden. Maar als hij‘t eerste couplet van‘t”Wien Neerlands bloed”moet zingen, raakt hij tien tegen één, bij de laatste regels reeds in de war. En voor die verschillende waardering is wel een reden te vinden, Marnix dichtte zijn “Wilhelmus” in dagen van strijd en stortte zijn hart er in uit, dat eens was in hope met het krijgshaftig en op god vertrouwend volk. En juist omdat dit lied spreekt uit het hart to het hart, kan het niet verloren gaan. Het zal in zilveren klank nog ruisen tot in verre nageslachten.

Nu we toch spreken over liederen, waarvan de Vaderlandsliefde als een kostelijk goed wordt bezongen, komt ons te binnen het Vlaggelied van Heye:

“O, schitt‘rende kleuren van Nederlands vlag

“Wat wappert gij fier langs de vloed”.

 

Het is jammer, dat dit lied in onze omgeving zo weinig bij nationale feesten door het volk wordt gezongen, al is er ook geen scholier te noemen, die het niet kent. Maar toch geloof ik, dat dit zelfde lied krachtig zou worden aangeheven, als Neerlands zonen zich moeten scharen rondom het dierbare vaandel, om, verenigd onder een zelfde banier, den Vaderlandse grond te verdedigen tegen vreemd geweld.

‘t Lied van Heye is een lied van wijding aan‘t Vaderland, een verheerlijking van den moed van‘t voorgeslacht, dat nimmer gedogen kan, dat de vlag, dealoude, onbevlekte Nederlandse vlag, werd ontheiligd. En we geloven, dat ,als‘t er op aan komt, ook thans de Nederlanders gaarne bereid zouden worden gevonden om voor den eer en den naam onzer beproefde vlag te strijden. Brengen we eendrachtig onze oprechte hulde, aan de banier, die ons allen vereent.

Vaderlandsliefde! Weet ge, wat dat woord beduidt? Slaat dan een blik op de slagvelden van Zuid-Afrika, rood geverfd door het bloed van zo veel dapperen,die een leven van lijden verkozen boven schandelijke onderwerping aan‘t Engelse gezag.

Of wendt U ogen naar het oorlogsterrein van Atjeh, waar de nooit volprezen moed van‘t Indisch leger lauwer bij lauwer gaart, aangevuurd door een man als Generaal van Heutz.

Bij de liederen, gewijd aan Vorstin en Vaderland, sluiten zich aan de krijgszangen.‘t Is waar, ons goede volk is al sedert tientallen van jaren niet gewoon aan de veelbewogen oorlogstijden. Onze wapenen rusten en gelukkig al jaren in de schede. Maar toch gloeit de borst van den jongeling, als hij hoort gewagen van den onze bij Waterloo, waar Napoleon werd verslagen. Nog horen we menigmaal aanheffen, als een nagalm uit die heldhaftige tijden:

“Bij Waterloo  ( bis )

“Hielp Willem ons ten strijd,

“Zijn leger gaf hij ons ter leen,

“Hij sloeg met ons door alles heen,

“Io vivat  ( bis )

“Vivat dien eed‘len held!”

 

Geen Hollandse jongen, die dit lied niet gaarne nog eens meezingt in‘t vol bewustzijn, dat er in zijn aderen toch nog Neerlands bloed vloeit ten dienste van‘t algemeen. Rijmelaars hebben er het bekende parodietje opgemaakt van:

“t Is mooi geweest  ( bis )

Maar wat dan toch wel zo mooi is geweest, de dochter van den bakker op den hoek, of de hondententoonstelling in Amsterdam, of de huwelijksplechtigheid van een 80-jarige grijsaard en een 18-jarige blondine, heeft hij geheel in het midden gelaten. Wie zingt, moet dat er zelf maar bij denken. Die rijmelaars, mijn lezers, zijn als de pest voor den invloed van verheven liederen, doch in weerwil daarvan worden hun deunen binnen korte tijd populair, om veel goeds te bederven. Krijgszangen, kent ge ze niet? Wat is het lied van die elf brave officieren, die door den kogel zijn versierd, anders dan een krijgszangerige roman:

“Zij riepen:  vivat-vivat-vuur maar op ons aan

“Het is met ons-met ons ge….daan!”

Zo werden die brave kerels gefusileerd, terwijl hun graven reeds voor hun ogen waren gedolven.

         

     Lombok heeft het ons ook geleerd, dat de Nederlandse jongelingschap nog wel graag strijd voor de rechten van het Vaderland, getuige het lied, dat begint met:

“Op naar Lombok-dapp`re Neerlands zonen”,

Dat echter al even spoedig is uitgezongen en weggestorven, als het geboren is. Och, zo gaat het meer. Als er een lied gemaakt wordt bij de ene of andere gelegenheid, dan heeft dat lied dan ook alleen waarde voor dat ogenblik en voor de rest laat het ons koud. Wanneer er echter iets bezongen wordt, waar voor ons hart warm klopt, dan is dat anders.

          En wezenlijk zijn er vele dingen, die ons bekoren, of waarvoor we ons aangetrokken voelen, terwijl in ons gemoed zich een stem verheft, die spreekt van eeuwige waarheden, van klassieke toestanden en verhoudingen. En op dit terrein komen we aan het eigenlijke volkslied, niet gemaakt en pasklaar aan de zingende gemeente voorgelegd, zonder een andere toetssteen dan de stemming of mening van den dichter, neen: dat volkslied is gestemd op den toon, die daar ruist en klinkt i`t hart des volks, nu eens lieflijk en teer, dan weer opbruisend en vol aangrijpende en verpletterende kracht, ofwel vrolijk en oppervlakkig, getuigend van een gemakkelijk heenglijden over ernstige levensvragen. Daar zijn in het leven toch vele toestanden. Er zijn armen en rijken, zieken en gezonden, lammen, schelen, kreupelen, smerigen en zindelijken,luien en vluggen, in één woord gelukkigen en ongelukkigen,naar den maatstaf, die ge zelf wilt gebruiken ter bepaling van den stoffelijken en geestelijken welstand uwer tijdgenoten.

          We willen voor een ogenblik eens rondwandelen onder de grote massa van het volk, die in`t zweet des aanschijns zijn brood eet en leeft van den vaak vermoeiden en afmattenden lichamelijken arbeid.

          Uit die lagen der maatschappij, waar in waarheid vaak meer tevredenheid en welvaart heersen, dan onder de schijnbaar netten burgerstand, die zich uiterlijk wat beter kleedt, duikt dikwijls het oorspronkelijk volkslied op. En dat is geen wonder. Gelijkheid van lot schept sympatie; men koestert er medelijden met elkanders wederwaardigheden. Men deelt er samen lief en leed. In dit ondermaanse tranendal staat men elkander terzijde met raad en daad. En mag de toon van`t echte volkslied vaak een weemoedige zijn, toch loopt er ook vaak een draad doorheen, die getuigt van echte humor. Hoor eens dat overbekende weemoedige lied eens:

“Aan d’oever van een snelle vliet

“Een treurend meisje zat,

“Zij weende en schreide van verdriet

“Het gras van traantjes nat”.

Hoe komt het, dat dit liedje blijft voortleven van geslacht tot geslacht? Omdat het weerspiegelt een veel voorkomend verschijnsel in de samenleving en het medelijden met ongelukkige weesjes steeds  de harten der mensen vervult. Anderen kunnen we nog wel eens iets misgunnen ( O,die boze afgunst ), maar wezen, neen, die missen het dierbaarste wat een mens op aarde bezit en die wensen we alle goeds. Hoor die bittere klacht van de kleine meid,als ze zingt:

“Ziet gij dat groene bergje niet?

“Daar is mijn moeders graf.

“Ziet gij den oever van deer vliet?

“Daar gleed mijn vader af”.

En met wat opgewektheid wordt het slotcouplet gezongen, waarin wordt vermeld, hoe de meedogende heer zich ontfermt over een ongelukkig schepseltje.We zouden de weldoener de handen willen kussen.

“Zij at zijn spijs, zij dronk zijn drank,

“Gestadig dag bij dag.

“Heb dank, O ed`le, brave man,

“Voor zulk een goed bedrag”.

Het breed uitmeten van de teleurstellingen en`t vluchtig en kort bezingen van voorspoed is voor enkelen een bewijs, dat het er met den staat van`t volk niet zo bijzonder rooskleurig uit ziet. Het laken van afkeuringswaardige handelingen, gepleegd door mensen, die in rang en stand boven`t gros der bevolking staan toont aan, dat het volk, in weerwil van de beslommeringen des levens, toch de deugd blijft hoog houden, hoe ook enkele zwartgallige personen blijven smalen op de verdorvenheid van`t mensengeslacht.

 

          Neem als voorbeeld de geschiedenis van`t vrouwtje van Stavoren, een rijke edelvrouw, die in haar dwaasheid het kostelijk graan versmaadde, dat Gods goedheid deed wassen in overvloed. Ge kent het aloud verhaal toch? Ge weet, hoe die vrouw een hare schippers opdroeg, om te halen, wat er kostelijkst te vinden was aan de kusten der Oostzee. De lastgeefster had gemeend, dat haar dienaar artikelen van weelde zou meebrengen, doch zie, hij voerde schepen vol graan mede, dat de hongerigen spijzen kon. Ge weet verder, hoe de vrouw, verblind door haar rijkdom, den heerlijken last in zee liet werpen, vloekend op den man, die aldus handelde. En bekend kan het wezen, dat er een grijsaard aan de kade stond, die haar toeroept: “O,Vrouw, schoon U voor God en mensen, om zo U geweten te bezwaren. De dagen kunnen komen, wanneer ge snakken zult naar hetgeen ge laat wegwerpen”. En ge zult het antwoord reeds weten van den hovaardigen vrouw, die, bouwend op helaas vergankelijke rijkdom, een ring van haar vinger nam en zei, terwijl zij dien wegsmeet in de diepte: “Zo min als ik dezen ring terug krijg, zo min zal ik arm worden”. En tenslotte weet ge, dat op zekeren dag een vissersdeern haar een vis verkocht, die het kleinood had ingeslikt. En zie mijn vrienden! Deze geschiedenis van vader op zoon op diens kinderen overgeleverd, is door`t hedendaags geslacht in rijm gebracht. De melodie is aangenaam:

“Komt vrienden hoort een lied,

“Dat duid`lijk zal verklaren,

“Wat eenmaal is geschiedt

“Voor meer dan duizend jaren.

“Toen`t oud en grijs Stavoren,

“Nog bloeid`op Frieslands grond,

“En van zijn macht deed horen

“De hele wereld rond”.

 

“Daar in die rijke stad,

“die jaarlijks duizend schepen,

“Wat rondom d`Oostzee was,

“Haar haven in zag slepen,

“Daar leefd`in roem en ere,

“Een rijke Weduwvrouw,

“Wier voorbeeld ons zal leren,

“Hoe hoogmoed brengt in rouw”.

          En daar is`t juist om te doen, om den hoogmoedigen te vernederen, en toch vooral te doen uitkomen, dat ons onder de mildste begunstiging van het lot toch nederigheid en eenvoud betaamt. Allen weten we, dat de trotse vrouw in`t laatst van haar leven haar brood moest bedelen. Haar naam is tot haar schande verbonden aan de bodem van de zee, die in de nabijheid van Stavoren nog het “Vrouwenzand” heet.

 

          Ik zou aan de hand van dit lied ene menigte andere zangen kunnen noemen, die lieflijk klinken en welluiden, en die, op een aangename wijs ten gehore gebracht, werkelijk boeiend zijn. Ik kan een woord van lof niet onthouden aan hen, die dergelijke liederen rondbazuinen: ze strelen het oor niet alleen maar ze verheffen ze tevens.

          Een ander soort van liederen zijn die, waar in de zanger zijn mening te kennen geeft over een of andere maatschappelijke verhouding, of z`n hart lucht geeft over een onbillijkheid, door den een of andere slampamper gepleegd. Het soldatenleven krijgt o.a. ook een beurt. Slechts kijken naar die mooie uniformen en in`t wezen der zaak niet doordringend, menen velen, dat het leven van den soldaat altoos een lustig genieten is van wat er op de tafel des levens in volle onbezorgheid te genieten wordt gegeven. Een breed uitgewerkte beschrijving van het infanteristen pakje is niet onaardig te noemen, al is het waar, dat de wijs veel meer boeit dan de inhoud. Hoor maar eens:

“Daar ko-men de infanteristen an,

“Ze hebben een blauw broekje an,

“Een blauw broekje met`n gele bies

“Je kunt ze krijgen, als je verkiest!”

( Dan-O, die zware schako drukte vroeger zo op`t soldatenhoofd )

“Dan hebben ze nog een model schako,

“Van voren laag-van achteren hoog,

“Aan iedere zij een leeuwenkop,

“Citroen met suiker staat er boven op!”

          Wat wil je nog meer? Met leeuwenmoed stormen de verdedigers van`t Vaderland zich op den gehaten vijand, maar in de grond van hun hart zijn ze met een beetje suiker te lijmen voor den vrede. Nu, ik voor mij en jullie voor jou kunnen daar vrede mee hebben.

 

          Evenals de soldaat moet ook de boer`n beurt hebben en al is die man nog zo`n nuttig lid in de maatschappij, hij krijgt ook op zijn tijd troef. En dat is een schande voor den zanger. Deze laat een jood aan de deur kloppen, die wat schacheren wil en de jood vraag:

“Boer,boer,boer, en valt er niks te schacheren?”

         Terwijl de boer hem de deur voor den neus dichtsmijt en roept:

“Neen,neen,neen, te schacheren valt er niet!”

         Waarop de jood al smalend zingt:

“ `n Paar klompen met`n bos stroo d`r in,

“Dat is naar den boer zijn zin

“Boer, boer, boer,en valt er niks te schacheren,

“- Neen,neen,neen te schacheren valt er niet!”

Moeten de onschuldige klompen van de landbouwer`t ontgelden, die zijn voeten daarin met wat stroo tegen de vinnige koude behoedt, niet minder wordt de modegek bespot, die van verwaandheid niet weet, hoe hij zich kleden zal. Doch we sparen u een couplet of wat uit dit genre, wetend, dat er een ander terrein is, waarop het volk zangstof kan garen. Dat is het terrein van de liefde, volgens een oud rijmpje:

“En-ik-en-weet-niet-wat,

“Dat komt-ik-weet-niet-hoe-

“En-gaat-ik-weet-niet-waar-“

          De liefde. O, macht, die harten samensnoert en banden legt voor`t gehele leven. Liefde! Wat was zonder u deze aarde toch doods en eenzaam!

Wat armzalig getal in de moeilijke wereld zonder u. O liefde, bij u glans worden de rimpels van zorgen op`t afgepijnde voorhoofd glad gestreken en en trekt Lubbertjen Jabek naar zich toe, zeggende:”Kom hier man, ik zal je leven verhelderen door mijn tederheid en mijn hart zal je last verlichten”. En Jabek, moe van`t werken in vreugdelozen arbeid, vleit zich neer in`t zoete besef, dat daar een hulp in`t leven tegenover hem is, die hem schraagt op zijn tocht naar`t graf. Op dezen grondslag zijn alle liefdezangen gebaseerd.

          In de 13e eeuw reeds-dus ruim 600 jaar geleden- zong ons voorgeslacht liederen van minne, waarin ook ongetwijfeld de lijfeigene in zijn droeve slavernij nog een bron van onvervalst genot zal hebben gevonden. Het lied van de ruitertjes is bekend. Ge kent het toch, dat olijke, vrolijke mopje, dat aldus begint:

“Toen ik op Neerlands bergje stond,

“Keek ik er het zeegat in.

“Daar zag ik`n scheepje zeilen,

“Daar zaten drie ruitertjes in

“Eén van de drie was naar mijn zin ( bis )”

          Zes honderd jaar heeft het geleefd en ik geloof, dat het er nog wel zes honderd bij kan halen, omdat de liefde blijft. Lezers, kent ge iets van de liefde, o, dan zult ge`t begrijpen kunnen, hoe`t jonge hart in blakende verliefdheid, zijn lied zingt ter ere van de tortelduif, die kirrend en trekke-bekkend antwoord geeft op Amors taal:

“Als ik in mijne dromen,

“In den morgenstond ontwaak,

“Zie ik u tot mij komen,

“Omringd van weelde en pracht!”

          En ge zult meestemmen in het refrein uit de volheid van u gemoed, zonder er doekjes om te winden:

“Ja, zoals gij, zo lief`lijk en zo rein

“Ik zal u steeds beminnen, ik wil altoos bij u zijn”.

          Zie, al is er geen brood in de spinde, geen deken op uw bed, al zijn er geen aardappels in den kelder, en nog veel minder geld in de kast, waar de liefde woont,”Groeten er veldviooltjes op de broodkast” en`t sober middagmaal wordt gekruid door de liefde, die zelfs de koelste harten overtuigt van de waarheid der bewering, dat de natuur sterker is dan de leer.

 

Laat verstandige, berekenende mensen maar redeneren over het vraagstuk van`t huwelijk, de waarheid spot met wiskundige berekeningen en de Ambtenaar van den Burgelijken stand zegent ze van allerlei slag in:

“Liefde! Uw heil is niet te roemen

“Liefde! Zwaai Uw toverstaf

“Gaat Uw paradijs mij open

“`k Sta mijn hart gewillig af”.

Zo is het en zo blijft het.

 

Ik zeide straks, dat de toon van het volkslied een weemoedige is en die bewering wordt mede gesteund door het feit, dat er op der liefde wijd gebied zeer veel geleden wordt,- ingebeeld en werkelijk – en dat dit naamloos lijden ook wel terdege geboekstaafd is in den Vaderlandsen liederenschat. Of weet ge`t niet, dat er vroeger gezongen is en nog wordt:

“Hier ligt mijn Damon nu in`t graf

“Mijn allerbeste vriend

“Wat heeft die lieve jongenling

“Mij teder bemind?”

          Maanlicht en rozengeur, die in verenigde werking zo ongeveer doen denken aan den atmosfeer van brandende wierook, hullen het minnend hart in een waas van zoetigheid en drukken op alles het stempel van`t sentimentele of overgevoelige. Denk hierbij maar eens aan dat ondraaglijk zielelijden van Felix, die droevig wegliep van zijn Dina en waarvan het lied melding maakt:

“Felix is treurig weggegaan

“Want dat verwijt kan hij niet dragen

“Hij zag daar veel soldaten staan

“Hij ging op`t veld zijn leven wagen

“Zijn leven viel hem nu zo zwaar

“Hij vond op aarde geen behagen

“Zijn leven viel hem nu zo zwaar

“Hij vond op aarde geen behagen”.

         Treurig hè? Dat strijden op leven en dood, dat zoeken naar het graf, dat wanhopig lijden onder tranen van diep gevoelde smart. Zeg? Is dat geen weemoed? En is daar dan ook niet nog een ander lied van een milicien, die in tijd van oorlog deserteerd, enkel om te zijn bij de uitverkorene zijner jeugd. Zie, hoe hij geleid wordt naar den zandhoop, de handen gebonden op den rug, een doek voor de ogen. Zie hem kalm en gelaten den dood in gaan. Hoor, hoe de geestelijke hem toespreekt en merk op, hoe de omstanders bewogen worden tot schreiens toe en aanschouw het, hoe de jonkman zich eensklaps en uit volle borst zingt, zodat de toeschouwers in snikken uitbarsten:

“Ach`k voel de wonde al in mijn borst

“Het dood`lijk lood doet mij hier sneven

“Dat ik uit min het wagen dorst

“Te deserteren kost mij`t leven

“Kom, geef mij voor het laatst de hand

“Eerwaarde heer, Gij zijt mijn hoeder

“Ik sterf den dood voor`t Vaderland

“Ga, Troost mijn vader en mijn moeder ( bis )”.

          Laat ik van de liefde afscheid nemen met u te wijzen op het heldhaftig besluit van de twee gelieven, om er samen vandoor te gaan en waarvan gesproken wordt in dat bekende liedje:

“Een meisje van achttien jaren

“Zij verkeerde met een matroos

“Haar liefde werd geprezen

“Zij beminde hem voor altoos!”

          Over dronkenmansliederen wijden we liever niet uit. Een dronkaard is de grootste smeerpoets onder de zon; Als een oppassend werkman er blij mee is, dat hij`s Zaterdagsavonds zijn loon ontvangt,terwijl hij dat loon onder vergenoegden arbeid heeft verdiend, is de dronkaard gemelijk en wil hij altijd meer. En zijn schorre keel schreeuwt zich moe aan dat maatloze gezeur van:

“Was het toch nooit geen Zaterdagavond

“Zaterdagavond zeven uur

“Was het toch nooit geen Zaterdagavond

“Zaterdagavond zeven uur”.

          Bah! Wie er nu plezier in vindt, dat lied tot walgens toe te herhalen, toont daarmee weinig karakter en bitter weinig gevoel te hebben.

Een verblijdend verschijnsel is het, dat het volkslied van den tegenwoordigen tijd gunstig afsteekt bij het lied van voor een twintigtal jaren geleden en we kunnen er bij u niet genoeg op aandringen, u steeds te onthouden van zoutloze en vaak redeloze moppen, gelijk ge dat tot heden toe in veel gevallen hebt getoond.

          En al zijn liederen, die voor u bevatting niet berekend zijn, tracht den inhoud er van machtig te worden en oefen u in den zang van waarlijk schone liederen. Een schoon lied is een gedurige troost. Het verheft en veredelt. Hulde aan het volk, dat zijn zangen lief heeft. Luitenant Clockener Brouccon van het Indische leger heeft een bundel liederen in het licht gegeven, teneinde die onder de soldaten te laten verspreiden en te doen zingen. In de keuze daarvan is Z.Edelgestrenge bepaald niet gelukkig geweest. Waarschijnlijk was de voorraad, waaruit hij heeft geput, niet van groten omvang. Maar enkel het pogen om aan het volk geschikte zangen aan te bieden, mag onze sympathie wegdragen. Laten wij van onzen kant ons best doen, ons niet in te laten met ongepaste dreunen, die verlagen inplaats van verheffen.

          In één opzicht kan ik alle reden tot tevredenheid hebben. En dan durf ik beweren, dat, wat er ook voor onbehoorlijks bezongen wordt er altoos één naam in het volkslied in ere wordt gehouden en dat is de moedernaam.

Zij die ons op haar schoot heeft gelaafd en ons heeft gekoesterd toen wij hulpbehoevend waren, zij maakt aanspraak op onze onverzwakte liefde en trouw. Haar klagen we vaak nog onze nood, ook al zijn we geklommen tot den mannelijken leeftijd. En wie we ook mogen wantrouwen en waar we onze diepste geheimen ook zorguldig bewaren, tegenover moeder kunnen we rondborstig alles vertellen.

“Ach, moederlief, sprak laatst bedrukte Trine

“Och, geef mij toch een crinolinerok”,

          En zie, Trine kreeg er een en ze was er maar wat netjes mee.

Ja, aan moeders hart chuilen we veilig als leed ons genaakt, en we durven anderen gerust toe te voegen:

“Ik zal het zeggen…..tegen moeder”,

          Wetende dat moeder op onze klachten zal letten.

Willen we hopen, dat ieder van ons den moedernaam in ere houdt,”want”, heeft de dichter gezegd,

“Wie aan god en zijne moeder denkt,

“O, dat is geen verloren mens”.

 

XXXXXXX                                                               K.  1904

 

 

Dit bericht was geplaatst in Verhalen bundel.

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Verplichte velden zijn gemarkeerd met *