Aan ’t Uddelemeer.

 

Aan ’t Uddelermeer. door H. Mohrmann.

 

Meer nog dan de vale heide

Biedt de zoom van ’s Konings meer,

Schaapje! uw klaverrijke weide;

Vlei u te Uddel rustig neer.

’t Is te warm voor winterkleeren,

Daarom zal men u ontdoen

Van uw wollen pij, maar ’t scheeren

Past na ’t wasschen, wil ’t fatsoen.

 

 

Zelf dringt gij naar ’t brongeklater,

Wilt ge u domplen in den plas,

Hunkert gij naar ’t frissche water,

Helder als het spiegelglas.

Zie, hoe dartelt reeds die bengel,

Nu hij maar van Uddel hoort;

Op zijn vroolijk klokgemengel

Schrijden ook zijn makkers voort.

 

 

‘k Volg met blijdschap, kudde! uw gangen,

’t Lachend oord trekt ook mij aan

Met zijn oude herderszangen

En zijn ruw gebaande paân;

Met zijn landelijke zeden,

Bronnat, ongekorven hout;

Met zijn eeuwenlang verleden

En zijn koor in ’t maagdlijk woud.

 

 

De eiber zit verbluft te staren

Op ’t niet alledaagsch tooneel,

Kan zijn gaaike niet verklaren

’t Bonte, echt Geldersche tafreel,

En de steeman neuriet mede,

Klinkt des herders lied in ’t rond,

En vermeit zich in den vrede,

Neergedaald op Veluws grond.

 

 

Trots geblaat en tegenspartlen,

Dompelt men het wollig vee

In den stroom, en onder ’t dartlen

Lacht elk om der kudde wee,

Dat vernieuwing schenkt en leven, –

Aan ’t bezoedeld lammrenvacht

Glans en gloed weet weer te geven,

Wit als sneeuw, als zijde zacht.

 

 

’t Water, zijplend, springend, vloeiend,

Laat geen herder ongedeerd,

Tot het landvolk, schertsend, stoeiend

Niet dan noode huiswaarts keert.

Klapten lammren wat zij zagen,

‘k Maakte een vroolijk liedje er van,

Dat ten opschrift dan moest dragen:

De amoureuse Geldersman.

 

 

Zijn de vreemde kudden weder

Heengegaan naar eigen stal,

Dan vleit zich de zanger neder,

Onbespied in bosch en dal,

En hij dompelt zich in stroomen

Van het volst en reinst genot,

Peinzend over zoete droomen

En het wisslend menschenlot.

 

 

Verre van ’t gedruisch der steden,

Niet alleen in ’t eenzaam uur,

Schenken zuchten en gebeden

Edeler vernieuwingskuur;

’t Leven Gods wordt hem geschonken,

Dat – gedaald uit hooger sfeer –

Eens zoo schoon heeft uitgeblonken

Aan het Galilesche Meer.

 

 

’t Lied, dat eens aan ’t hart des vromen,

Aan des ballings ziel ontvlood,

Fluistert hij met heilig schromen,

Wie zich weet Gods gunstgenoot:

‘’t Hijgend hert, der jacht ontkomen,

Dorst niet sterker naar ’t genot

Van de frissche waterstroomen,

Dan mijn ziel verlangt naar God!’

 

Juni 1885.

 

 

 

 

 

Dit bericht was geplaatst in Diverse gedichten.

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Verplichte velden zijn gemarkeerd met *