Bijssel.

 

 

 

Bijssel,

In de stormvloeden van de jaren 1367 en 1717.

 

In den Noord- westelijken uithoek der Over- Veluwe, onder het ambt Doornspijk, ligt, te midden van welige hooi- en weilanden, langs het strand der Zuiderzee, de buurschap Hoog – Bijssel, met slechts vijftien woningen, welker bewoners, ten getale van 68, zich met akkerbouw en veeteelt bezig houden, die hun, daar zij weinig behoeften hebben, op hunne, door de bestaande zeewering voor de stormvloeden beveiligde, landerijen een genoegzaam bestaan verschaffen.

Geheel anders waren deze streken in het midden der XIV eeuw, toen de buitenlanden zich nog mijlen ver in de tegenwoordige Zuiderzee uitstrekten, de golven een weelderig vlak bespoelden en eerst tegen eene natuurlijke hoogte, de Doornspijker – Berg genaamd, braken. Hier zag men den oever door den golfslag opgescheurd en met diepe kloven door de zee uitgewoeld, die in lange krommingen, landwaarts indringende, overal vele staande poelen achterliet, om alzoo van den vetten grond, eene nalatenschap van vroegere overstroomingen, te gemakkelijker meester te worden. Dat voorland was toen reeds half het eigendom der Zuiderzee en zoude dat weldra geheel worden.

Veluwe

Op gemelden Berg verhief zich destijds reeds een steenen Burg, een vierkant, langwerpig gebouw, hoog, met dikke muren, aan den krans uitgetand en op de hoeken van torentjes voorzien; het dak was met leijen gedekt; het was omringd van binnen- en buitenhoven, door muren met torens en grachten versterkt, terwijl eenige schamele hutten het naburig strand besloegen. Deze woningen bestonden uit vier zwakke wanden, die voor den regen inbogen en wegbrokkelden, met een dak van riet of zoden, waarin eene vierkante opening tot schoorsteen, die ook nog menigmaal gemist en door de deur vervangen werd. De bewoners, met hunne gelapte, van lange dienstjaren getuigende, gekarvielde vaartuigjes, verdienden hun brood door de kustvisscherij, met veel moeite en gevaren. De alleen staande woningen in den nabijgelegen Horst waren gebouwd op opgeworpene hoogten of werven, – thans nog de buurschap, Werfhorst genaamd. Op de vlakte rondom dezelve tierde, uithoofde van het zeewater en de gedurige overstroomingen, geen vrolijk gewas, geene voedende vrucht. Het was eene woestenij, waar enkel zuur gras groeide, door graauw overslikte plekken afgewisseld. Meer noordwaarts was een klooster, welks grondslagen, benevens die eener steenen kerk, reeds in het jaar 950 gelegd waren, op eene hoogte, de Karmeliten – Hul genaamd. Deze was omringd door slecht bebouwde velden en lage leemhutten of planken huizen, waarvan nog later aan eenigen de naam van ’t plankenhuis is bijgebleven. De bewoners bebouwden des zomers hunne akkers, zoo goed en zoo kwaad zij konden, en haalden in den herfst den oogst binnen, terwijl zij zich tevens met het vervoer van zeevisch bezig hielden. In de nabijheid waren eendekooijen en gagelvelden. Ten Oosten van deze streek was het land meer hoog en heuvelachtig, schraal en zandig, met heide en bosschen voorzien, waar wild en gevogelte huisvestten, waar keisteenen, leem, turf en hout in vele behoeften voorzagen. Op de heidevlakte genoten de schapen geschikt en kort voeder, en op hare bloemen werd de bijenteelt met voordeel gedreven.

In zoodanigen staat moet men zich deze streek ten naastenbij voorstellen tot in de XIV eeuw, als wanneer, door den stormvloed van den 16 November 1367, eene geheele omwenteling veroorzaakt werd. A. van Slichtenhorst, welke die beschreven heeft, meld onder anderen:

“ De Noord- westenwind, de erfvijand van den Nederlandschen oeverstreek, had zoo een onstuimig weder verwekt, dat de jonste dag als voorhanden scheen. Torens en molens, sloten, stevige boomen zijn in éénen nacht onder den voet gerukt; het hollende zeewater heeft alles, waar het omtrent kwam, in zijn afgrond verslonden, en een loop nemende naar den strand van de Zuiderzee, daar de Geldersche steden Harderwijk en Elburg de Veluwe aflanden, met geweld een groot gedeelte van het vasteland afgeknabbeld.”vloed

Door dezen stormvloed had zich ook hier eene geheele streek van het vaste land sfgescheurd; het meer noordelijk gelegene huis Nijenbeek aan zee, benevens het gemelde slot Bijssel, werd verzwolgen en onttrok zijn voormaligen trotschen aanblik aan het oog; de omliggende landbouwers en arbeidswoningen waren door de woede der golven weggerukt, en de Zuiderzee had zich tot eenen aanmerkelijken afstand landinwaarts in uitgebreid.

Daags na deze verschrikkelijke vernieling, toen de wateren in hunne nieuwe bedding waren teruggekeerd, zocht de geredde strandbewoner zijne oude huisplaats op en vond die in eene zee veranderd; treurig en geheel verslagen stond hij daar, want hij beminde den grond zijner woning boven alles, en nu, uit den stormvloed gered, bouwde hij ongaarne, hoewel hiertoe genoodzaakt, op eene andere plaats weder, dan op de plek, waar hij alles verloor en waar hij binnen kort opnieuw alles met zijn leven verliezen kon.

Ten gevolge van dit onheil werden nu, meer dan een vierde uur, of eene kenning is 400 roeden( 1480 el), of zoo ver als men een wit paard in eene weide met het bloote oog kennen kan). Ver, landwaarts in nieuwe woningen opgeslagen, en onder deze verrees ook wederom een steenen Burg, die den naam van Bijssel bleef aanhouden. De vroegere eigenaars van dezen burg worden ons in de geschiedenis niet vermeld, alleen van de latere bewoners zijn ons de leden der familie van Brienen als zoodanig bekend. Hendrik van Brienen de jongere, die vele jaren lang het Rekenmeesterschap van ’t vorstendom van Gelre bediend heeft, was bezitter der geheele buurschap Hoog- en Laag Bijssel onder Doornspijk. Onder zijn toezigt werd een Leprozenhuis ( de Leperingen) opgerigt, en werden landbouw en veeteelt merkelijk uirgebreid, waartoe de meer en meer toenemende bevolking veel medewerkte, zoodat de vroeger woest gelegene gedeelten in vruchtbare akkers veranderden.

Lang bleef deze familie in het bezit der buurschap.tot dat, in het jaar 1717, op kerstijd, zich nogmaals een verschrikkelijke stormvloed verhief, waardoor de Zuiderzee wederom een gedeelte van het vaste land van Bijssel met zich voerde. De wateren stegen toen buitengewoon hoog, de golven verhieven en verbreedden zich tot bergen en dalen, en sloegen met geweld tegen de eenzame werven en hoogten, om die van hare plaats weg te dringen. Slechts korten tijd konden deze sidderend weerstand bieden en moesten weldra wijken voor den aanhoudenden aanval.

De stormwind klimt, – de golven woeden,

Zij bruisen op, – de orkaan is daar!

Wie zal de veege kielen hoeden,

Geslingerd nu van baar op baar?

De wolken dalen zwarter neêr,

De wind verheft zich meer en meer.

    De bewoners der schamele visschersswoningen begaven zich nog tijdig in hunne gelapte vaartuigjes, en bergden daar hunne vervoerbare have, hun huisgezin, vee, mondbehoeften en het onontbeerlijke, om op het kasteel Bijssel eene veilige wijkplaats te zoeken. Hier hoorde men de noodkreten der overige wanhopige bevolking: een gansche landstreek verzonk, eene gansche bevolking zag den dreigende afgrond vóór zich; grijsaards, mannen, vrouwen en kinderen, allen verlieten hunne woningen, om hier en daar op een hooimijt of zaadberg der naburige bouwerven plaats te vinden. Het huisraad van de hut, de voorwerpen der hoeve, de kleederen der dorpelingen, werden, zoowel als de woningen, weggeslingerd.

Bijssel, anders omgeven van een vruchtbaar en weelderig landschap, zag nu eene onmetelijke watervlakte vóór zich, zonder oevers, zoo ver het oog reiken kon, en waaruit hier en daar de daken der meer landwaarts gelegene dorpen Nunspeet en Doornspijk en de wieken op dien molen, zaten menschen en soms ook vee op een gestapeld, en die zwakke steunsels kraakten onder het wigt der bevolking, die er de laatste schuilplaats was komen zoeken, en nu niet anders dan den dood verwachtte.

Op het huis Bijssel waren de vlugtelingen ook niet veilig; ook daar stortten de muren in, en slechts enkele zuilen droegen nog het waggelende dak en den schuddenden zolder, als laatste toevlugts- oord. Met den vreesselijken overmoed van een overwinnaar regeerden weldra de golven ook in het binnenste gedeelte des kasteels; zij wierpen vensters, deuren, kasten, bedden, tafels, als in ’t wild door elkander, sloegen zich een vrijen doortogt om alles naar buiten te rukken, op het breede slagveld van haar bandeloos geweld; de steunsels van het dak werden gedurig zwakker, en zijn val bereidde zonder redding een graf voor de huisgezinnen, die zich, nog voor weinige uren, hier veilig waanden. Daar brak een balk. De zoldering helt naar eene zijde; schuimend verheft zich eene nieuwe waterlaag en onder het gehuil van den storm verdooft de laatste doodskreet. De zegevierende golven slingeren elkander verbrijzelde voorwerpen – en lijken toe.

Het lot der overige vlugtelingen was niet minder wanhopend; hunne weinige levensmiddelen waren verteert, het vloedwater was niet drinkbaar; hunne door en door natte kleederen deden in dit barre jaargetijde de verkleumde leden koortsachtig trillen; de daken, de wijkplaats der ontzetting, die daken zelve werden reeds door de baren bespoeld, wankelden, kraakten en stortten in.

De dag brak door de duisternis heen, om een poel van angst en ellende, van vertwijfeling over het verlies van geliefde panden, te verlichten; maar tevens deed zich een kreet van hoop en blijdschap hooren van hen, die behouden waren. De wind ging om. De zee week in hare verruimde bedding terug.

A_44834, 18-10-2004, 15:51,  8C, 6000x7042 (0+957), 100%, AHM_prenten, 1/120 s, R27.1, G3.0, B2.7

Het huis Bijssel was ingestort en slechts een klein gedeelte van het muurwerk gespaard gebleven, om nimmer weder te worden herbouwd. De plaats, waar dit tweede kasteel stond, is nog somtijds bij aanhoudende oostewinden zigtbaar, als wanneer de Doornspijker- Berg zich gelijk een schiereiland in de Zuiderzee vertoont. Een zware muurblok, een verwulfsel der kelders, eene steenen waterput ( ook schoorsteen- steenen met figuren, tot het gebied der Ethnographie behoorende, uit de XVI eeuw, zoo als die destijds in de pottebakkerij te Leyden vervaardigd werden.) en enkele zware boomstammen zijn de eenig overgebleven sporen van dit voormalig slot. De bouwstoffen, welke destijds nog te verzamelen waren, werden naar het vaste land overgebragt en men besloot, achter de buurschap Hoophuizen, een nieuw slot onder dien zelfden naam op te rigten. Weldra verrees hier dan ook een, meer naar den modernen trant gebouwd, kasteel, dat door aanhuwelijking en erfopvolging aan de familie Van Heeckeren in eigendom overging, in welker bezit het bleef tot het jaar 1828, toen het veroordeeld werd, om voor afbraak verkocht te worden. Zelfs de vervaarlijke puinhoopen, op de plaats waar de wandelaren zich te voren in het gezigt van het heerlijke slot verlustigden, deed de winzucht spoedig verdwijnen, en weggevaagd was het gewrocht van menschelijke grootheid.

Van dit Bijsschelsche slot zijn geene overblijfselen meer, dan alleen de grond, die thans tot hooi- en weilanden gebruikt wordt en nóg den naam van Bijssel draagt.

1849.

G. H. W.

hendrik van grietjen

Dit bericht was geplaatst in H.G. Haasloop Werner..

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Verplichte velden zijn gemarkeerd met *