Buiten de stad 2/2

Buiten de stad 2/2

 

En wat was er soms een buitengewoon leven en bedrijvigheid aan ’t station. Als er b.v. een transport kolonialen naar Indië vertrok on de één of twee weken.

Dan ging zoo’n transport Zaterdagochtens zeven uur met volle muziek de kazernepoort uit naar ’t station om van hieruit per trein te vertrekken naar Amsterdam of Rotterdam, om scheep te gaan.

Ondanks het vroege uur, omringd door zeer veel menschen, waaronder wij jongens het sterkst in aantal waren, zoo trok de troep stationswaarts, voorop de kapelmeester de Hardt aan ’t hoofd, de muziek, lustige marsen spelend, dan volgde de staf van ’t Werfdepôt, de kapiteins, sergeant – majoors enz. en de Indische officieren, die mede vertrokken naar de Oost en daarachter volgde het transport kolonialen, de helmhoed op, witte zakken opzij met brede witte banden over de borst, een leren koffertje bengelend op de rug en heel achteraan een handkar met de bagage, geduwd door Lambooy of Coljé.

Aan het station een heele drukte, maar ’t publiek moest achter ’t hek blijven.

Soms vond ik het wel eens treurig als er een meisje van een koloniaal achter ’t hek stond, tranen met tuiten huilende. Daar wriemelden dan ook altijd wat caféhouders rond en logementhouders en ook de photograven Ziegler en Schooneboom, om aan hun laatste centjes te geraken, wat dikwijls wel eens misliep.

En dan kwam er een toespraak door den commandant van ’t Depôt tot het vertrekkende detachement, die daarvoor op de rails moest staan om hen toe te spreken, daar ’t perron te smal was om er fatsoendelijk voor te staan. Dit was altijd een daverende toespraak, waarin veel voor kwam over Vaderland, dapperheid en dies meer en die ik altijd steeds erg plechtig vond.

Dan kwam de trein, zoodat de geachte spreker de toespraak weleens ontijdig moest afbreken of afroffelen en met een sprongetje het perron moest opwippen, wilde hij niet het tijdige met het eeuwige verwiselen door middel van de trein.

Dan stapten de mannen in en onderwijl begon de muziek langzaam en plechtig het “Wien Neerlands Bloed”te spelen, wat me altijd erg triest aandeed.

Zwaaiende helmhoeden uit de coupéramen, lachende jonge snuiten voor de vensters, vertrekken, hoerageroep en als de trein al haast bij de bocht was, was het volkslied ook uit, alsof ’t er voor gemaakt was. Zoo zijn er van dit station massa’s jonge mannen vertrokken, vooral in de Lombok – Atjeh tijd, en hoevelen kwamen terug?

Ja, daar was soms veel te zien en te beleven aan dit eenvoudig stationnetje. Kwam onze Harmonie met een prijs thuis, dan was ’t begin van de drukte alweer hier. Vertrokken de lotelingen, voorop “Schele Evert”met z’n trekharmonica en achter hem de toekomstige infantaristen, veldsoldaten of gele rijers, begeleidt door hele huishoudens, dan was ’t einde van de pret aan ’t station.

En vooral Zondagsavonds was ’t station een toevlucht voor velen, immers het locaaltreintje van half negen was een grote attractie voor de bloem van Harderwijks jongelingschap. Al wat ons stadje aan jong volkje bezat, was daar dan op ’t donkere stationspleintje aanwezig.

Gillen, joelen, kussen, vrijen en ’n herrie van belang, te zien was er momenteel niets, ’t locaaltje kwam aan met anderhalve reiziger en daarna gingen allen, meest zingend weer stadswaarts, toch lol.

En met de feestdagen was ’t er ook wel gezellig druk, zooals met Paaschen, Pinksteren en Kerstmis.

Dan was de oude chef met z’n grijze baard danig in de weer, neen, niet met z’n baard, maar dan was de oude heer Gerhard erg druk, want kwamen er dan geen drommen familieleden, om de feestdagen hier te vieren?

Gingen we naar de stad na alle geneugten aan ’t station gesmaakt te hebben, dan volgden

Spoorweg, later Stationslaan

 wij de Spoorweg, die nu deftig Stationslaan heet. Maar de Spoorweg was vroeger ook niet zoo’n deftige weg als nu, nee hoor, bijlange niet.

Daar stonden toen nog geen Heerenhuizen en Villa’s, geen Lyceum, geen ambachtschool en Vakschool en er woonden toen ook nog geen deftigheid, ’t was alles even simpel.

Café “Belleveu”van de ouwe Klaas Kuiper, het “Zwarte Gat”was toen alles wat aan deze kant stond, links en rechts struiken.

Zooveel maal per dag reden er omnibussen van de hotels “Du Croix”, van “Baars”of hotel “Kamm” om er de reizigers naar ’t statin of de stad te brengen, getrokken door een oud peerd en wij jongens hingen veelal als “bandrekels”achter de verhikels.

Dan zag men er ook zooveel maal per dag de ouwe Hoeven gaan, die er zeulde met een lange handkar, geladen met pakjes, want Hoeven was de officieele besteller van ’t spoor.

Die pakjes laadde hij in de stad op uit de winkel van ten Broek op de markt, waar ’t depot was van van Gend en Loos.

Vooral des winters trok de man zich uit elkaar, als de Spoorweg onder de sneeuw of modder lag. En wat kon ’t daar s’winters op die spoorweg gemeen koud zijn. De verlichting was er toen ook nog niet schitterend, des winteravonds was ’t er bepaald spookachtig met die olielantaarns, waar de helft van was uitgegaan en de andere helft door de jongens was uitgeblazen, zeer tot ongerief van Kappers, die ze allen zoo netjes had aangestoken en dus vaak vergeefs met z’n laddertje over de koude Spoorweg was gesjouwd.

Ter linkerzijde van de weg liep een tamelijk brede sloot ( gezien van de richting uit de stad ), de Sypel, een vies watertje, waar geregeld in ’t vroege voorjaar tot den zomer toe, bosschen twijgen in stonden te weken, “twiegt”noemden we het, van de mandenmakers Ravesloot of Hieter, die er manden van maakten.

Wij jongens konden er niet langs komen, of we trokken er een mooie lange tusschenuit, één die zoo lekker kon zwiepen.

En zondags, bij lekker weertje, werd de simpele Spoorweg gepromoveerd tot de “Grand Boulevard”van Harderwijk.

Op z’n zondags uitgedost, kuierden daar de meeste stedelingen, pakken tevens een Slingerboschje en togen weer huiswaarts over de Spoorweg.

Meer naar de stad toe was rechts de boerderij van Japik van Dijk, verderop, links, woonde Mons, de barbier die er tevens een bierhuis had. ’t Was een oud krot van een huis, met een lantaarn boven ’t hekje van de ingang. Later heb ik het krot nog zien afbranden en ’t brande als pek.

Rechts, er schuin tegenover stond een groot heerenhuis, “Flevorama”genaamd, waar de heer Natglas woonde,een deftige oude heer. En dan kwam de Smeepoort. In die poort, – wat helemaal geen poort was-, stonden nog twee witte huisjes.

Links was het brandspuithuisje en rechts woonde een “Stadsjantje”, een gemeente – werkman Kris Engelenburg genaamd. Dit spuithuisje is later, door dat er met een flinke storm een omvergewaaide boom op viel, in elkander gevallen.

Lnks bij de paaltjes van de Diepe Gracht stonden toen meestal weer of geen weer,eenige gepensioneerden, die Jan en alleman kritisch bekeken als ze de poort in – of uitgingen.

Vooral de ouwe Bruins had hier het hoogste woord en liet ons menigmaal rillen van angst als hij weer een van zijn ijselijke avonturen vertelde en hij kon, geloof ik, liegen alsof het gedrukt stond.

We laten de Diepe – en Friesche Gracht nu nog maar voor wat ze zijn, want daar kom ik straks wel vanzelf op terug en gaan door de poort de stad in, die we nu genaderd zijn.

xxxxxxxxxxxxx

 

Dit bericht was geplaatst in Jeugd herinneringen door W.J. Polen.

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Verplichte velden zijn gemarkeerd met *