Buiten de stad.

Buiten de stad. 1/2

 

We verplaatsen ons dan in onze gedachten naar dien jongenstijd en we zijn weer jong en we bevinden ons bij het vijvertje in ’t Slingerbosch, vlak achter ’t station.

Wat hebben wij jongens daar veel uurtjes zoekgebracht, want ’t was een fijn plekje. Boven op dat bergje, dat maar een simpel bergje was, zoo’n soort opgehoogd wandelpad, kon je zoo fijn een trein aan zien komen, die sissend en blazend,met remgeknars daar vlak tegenover tot stilstand kwam, en je bewonderde er de zwarte snuiten van de machinist en stoker op de locomotief,’n soort wondermenschen, die zoo’n groot, vuurspuwend gevaarte toch maar zoo netjes konen hanteren. Ook kon je van dat bergje zoo prachtig van boven naar beneden rollen, zonder dat je in de drassige kwabbige vijver terecht kwam.

En was je echt moe van ’t rollen en klimmen en wilde je op een bank op ’t bergje even uitblazen, dan was ’t tien tegen één, dat je er naast greep, want twee banken waren steevast bezet en wel door een stuk of zes gepensioneerde Oost – Indische militairen, brave menschen inderdaad, maar die wij jongens “Oostgangers” noemden, in de stad “in de kost lagen”en nu hier, van ’s morgens tot ’s avonds, een uitverkoren plekje gevonden hadden om er te boomen over Tempo – Doeloe, ofwel den schoonen tijd, dat ze nog in den Oost als jonge fuseliers aan ’t vechten waren en aan ’t vrijen met de zwarte meisjes.

En wat hadden die menschen elkander altijd veel te vertellen, ze kletsen uren achtereen door.

En wat hadden ze mooie gesneden wandelstokken en wat puilde er altijd een dikke pruim tabak achter hun kiezen en wat spogen ze welgemikt hun kwantum tabaksap naar een bijzonder groote bromvlieg, die spartelend uit de plas trachtte te geraken, en wat grijnsden ze van lol daarover.

En wat rookten ze hun “doorrokers”mooi bruin, we zagen dat aan met een tikje jalouzie, want wat brachten wij jongens daar van terecht?

Af en toe dachten we, dat die menschen zelf ook doorgerookt waren, zoo tanig en geel zagen ze er uit.

Heel den langen dag verbleven ze in deze omgeving, ’t was er stil en mooi en alleen sloften ze stadswaarts om te eten en te drinken.

Ja, als ik zoo over die Ooostgangers denk, kan ik er nog wel wat van vertellen.

Wie herinnert zich nog niet de ouwe Duuflo ( anders kenden wij hem niet ), die zoo fijn vogeltjes, inzonderheid sijsjes kon verschalken en als er eentje per ongeluk van zijn lijmstokje vloog, heel nijdig in gebroken Hollandsch, “Katverdam, een sies kevang oep die punt van die liemkaar en ’t wek kevloo!” ’t Was een oude Belg of Franschman, later heeft men die stumper opgehangen gevonden ergens in een bosch waar de vogeltjes nu rustig rond hem fladderden en boven op zijn verweerde hoofd iets deden.

Dan was er nog een oude Franschman met de bijnaam “Zaan Rottekruid”, die zat heel den lieven lange dag te visschen aan de zee, hij aan de eenen kant van den hengel en aan de andere kant z’n lijn met een vette pier er aan. En dan zat hij maar uren lang te wachten naar één, “die hij nog nooit van z’n leven gezien had”.

Verder herinner ik me nog zoo een van die oude garde, zoo’n “grognard”, Schoonhoven genaamd.

Dat was er een, die één been had, ’t andere zal wel ergens inde een of andere rimboe in de Oost liggen. Die man dan had een houten been en hij huppelde op twee krukken langs ’s Heeren wegen.

’t Was een magere, lange vent en hij kon met zijn krukken op de straatstenen stampen, dat wij hem al van ver hoorden aankomen. Wij hadden danig respect voor die krukken, die konden zoo onverwachts uitschieten en hij maaide je daarmee finaal van de sokken. Die ouwe invalide dronk een slordige borrel en hij had een kwaaien dronk over ‘m.

Heel dikwijls heb ik hem gezien als een “Maleier”zoo zat, stevig in z’n kladden gehouden door de dienders en dan hadden we gratis een malle vertoning; dan zagen we die brabbelende stomdronken vent heel vaak raar manouvreeren met z’n houten onderdaan zoodat je ieder oogenblik dacht dat hij zijn “poot” zou verliezen, en……de twee dienders ieder met een kruk.

Ja, je had er fraaie exemplaren onder.

Een zekere Slenders zat zich, op ’t uiterste puntje van de brug bij zee, op een paaltje, aan jenever te laven en werd toen al zuipende, zóó laveloos, dat hij achterover sloeg en…..kalmweg verdronk.

En al die menschen leefden hun leventje in zielig niets doen en in afwachting tot zij, en dan voorgoed, weer onder de wapenen werden geroepen.

Alleen als ’t pensioen beuren was, om ’t kwartaal, dan leefden ze op, dan roert er wat onder hen.

Hoe dikwijls klonk het dan in zoo’n periode, jongens een dronken kerel! En dan laveerde weer zoo’n ouwe stakker met een formidabel stuk in z’n botten over de markt, in de straten, of over de “Boompjeswal”, totdat hij in handen viel van een diender en de man in alle eer en deugd netjes werd bewaard in de “kast”tot hij weer nuchter was.

In zoo’n tijd hadden de dienders druk werk en nog zie ik de ouwe de Wette of van Kuik met zoo’n vrachtje op sleeptouw en er achter een drom jongens.

Maar genoeg nu over deze menschen.

We rolden en tolden daar dan bij dat vijvertje rond en vernielden er onze kleeren en de enkele bloemsruikjes, totdat Reich, de ouwe boschwachter, door ons eerbiedig “Karel de Mof”genoemd, ons in de gaten kreeg en dreigend met z’n stok op ons afkwam en wij ‘m in de looppas smeerden.

Dan holden we in één ruk door naar ’t station,want daar lag ’t vol avonturen voor ons.

Een zeer bijzondere genieting was, als er een locomotief op de draaischijf stond om van rails te wisselen en wij mochten helpen drukken aan de grote staken om ’t gevaarte te doen draaien, of onder de draaischijf kikvorschen te vangen. En als er dan een trein aan moest komen: opperste genot!”, dan ging van den Brink naar den bel, een tien minuten voor de tijd en sloeg hij met den klepel een roffeltje,altijd ’t zelfde.

Als hij dan sloeg, dan zongen wij jongens, op veilige afstand er een versje bij, dat begon met:”van den brink, van den brink je p………”, enfin, een vies versje, dan werd hij woest.

Vlak na dat geklingel gin dan een van ’t spoorwegpersoneel naar de wachtkamers om de trein aan te kondigen en welke richting deze ging. Dan klonk het altijd en eeuwig: “passagiers voor Ermelo – Putten – Nijkerk – Amersfoort – Soest – de Bilt en Utrecht, of andersom, passagiers voor Hulsthorst – Nunspeet – Elburg – Zwolle en Kampen!”en dan kwam er steevast achteraan: “die geen kaartjesheeft, binnen blijven!”wat juist averechts verkeerd werkte,want alles ging ijskoud ’t perron op.

’t Was aan ’t station altijd tierig en druk als er een trein moest aankomen. Er was toen nog een wachtkamer 3e klasse, met een buffet er in, gedreven door Bakker en Groenevelt, en ’t was daar veelal vol volk.

’s Winters vooral, zoo’n ronde, hooge kolomkachel met een ijzeren ring, die zoo lekker rood gloeiend stond, dan was ’t daar recht gezellig.

’t Vertrek vol rookende, spuwende en druk redenerende menschen, de rook was er somtijd om te snijden.

Daar zaten dan altijd, als ik me goed herinner, een paar onderofficieren van ’t vaste kader van het Koloniaal Werfdepôt of koloniale onderofficieren, wachtend op verlofgangers die met de trein aankwamen, of “nieuwe aanwinsten voor de Oost”.

Verders vond men er Duitsche logementhouders of hun vertegenwoordigers van Mertz, de Voogd of van Wütrich, allemaal aanwezig om nieuwe buitenlandsche slachtoffers op te pikken, die veel voelden voor het Indische krijsmansleven.

Dan vond je er ook steevast de ouwe Coljé, een lange magere kerel, die we herkenden en betitelden aan z’n pracht voorgevel en “neus”genoemd werd, of “kokkert”, wat hij je erg kwalijk nam.

Ook was er altijd tegenwoordig een gebochelt mannetje, een soort dienstman of pakjesdrager, editie: Jan Brummelekamp, met een platte pet op en een stenen sabbelpijpje in z’n mond, Lambooy genaamd, kortom, er waren daar vogels van diverse pluimage. En die allen smoorden als schoorstenen en achter ’t buffet, vóór hem op de toonbank een stolp met kaas, de bierpomp, de glazen en een glazen kastje met sigaren, troonde Bakker, altijd goedlachs, behalve, als wij jongens hem fijn voor de gek hielden door stiekum in de deftige tweede klasse wachtkamer aan de bel te trekken, die ’t buffet moest waarschuwen dat daar een klant was en hij dan ervoer dat ’t weer die bliksemsche snotneuzen waren, die hem er tusschen hadden en die buiten de deur grote lol hadden.

Wordt vervold.

 

Dit bericht was geplaatst in Jeugd herinneringen door W.J. Polen.

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Verplichte velden zijn gemarkeerd met *