Burgerwapening te Harderwijk.

 

 

 

Burgerwapening te Harderwijk.

Oorlog tegen Spanje.

 

Nog voor de uitbarsting van dezen oorlog, waarin de heldengrootheid der Nederlanderen op het heerlijkst uitblonk, gaf de burgerij van Harderwijk een bewijs van dapperheid en vrijheidzucht, ’t welk hier eene korte melding verdient. ’s Konings Stadhouder over Gelderland, de Graaf van Megen, die van Harderwijk van nieuwigheidszucht verdacht houdende en op hen verstoord, had, met voorkennis van den Drost Otto van de Sande, eenen aanslag gesmeed, om zich door verrassing van het nieuwe Blokhuis, en daarin van de stad en burgerij meester te maken. Ter uitvoering van dezen aanslag, deed hij, in den vroegen morgen van den 18 van Wintermaand des jaars 1566, eenige honderden van knechten, grootendeels met haken, eene soort van vuurroers, gewapend de stad naderen. Een deel derzelve kroop door eene verborgene opening van den muur, en kwam alzoo binnen het blokhuis; een ander deel werd door een “verraderlijk” inboorling van Harderwijk heimelijk op hetzelve gebragt. Dit ging echter zoo ongemerkt niet toe, of de knechten werden door een of twee visschers, die naar hunne netten gingen, ontdekt. Vreezende, dat door de waarschuwing van dezen een oploop der burgerij ontstaan mogt, vonden zij ongeraden de komst van nog eene menigte volks, die, in de nabijheid der stad verscholen, slechts de laatste bevelen verbeidde, af te wachten, maar begaven zich terstond, met den Drost aan hun hoofd, binnen de stad en naar de markt, waar zij het grof geschut, ten getale van zes stukken, vernagelden. Het geraas hiervan wekte de in den omtrek wonende burgers, en deed hen ten huize uitkomen, waarop zij door den vijand overvallen en een hunner gekwetst werd. Het gerucht, dat de markt en het blokhuis door de Spaanschen waren ingenomen, weldra door de stad verbreid, deed sommigen de klok van het Raadhuis trekken, en daardoor alles op de been brengen. De Drost en de zijne, hierdoor verschrikt, weken terug naar het blokhuis. Een deel der burgers bezet daarop de verlatene markt, terwijl anderen langs den wal naar het blokhuis trekken. Doch dezen, door den mist niet voor zich uit kunnende zien, werden onverhoeds door het vuur des vijands begroet, en moesten, nog te zwak in getal zijnde, met verlies van één dooden, terwijl een vaandrig uit Schepenen zwaar gewond werd, naar de markt de wijk nemen. Derwaarts stroomden de burgers gedurig in grooteren getale bijeen, en hielden zich een geruimen tijd bezig, met niet zonder groote moeite de stukken weder te ontnagelen. Dit verrigt en zich bij eede verbonden hebbende, om met elkander te leven en te sterven, vatten zij, zonder zich aan het krijten en kermen van vrouwen en kinderen te storen, het manmoedig besluit, om, het kostte wat het wilde, het blokhuis in te nemen. Eenige schutters in een naburig Nonnen – klooster gelegd hebbende, om daaruit door de pannen het huis van binnen te beschieten, trekken de overigen, met een vliegend vaandel en onverschrokken moed, naar den wal, en vermeesteren, niettegenstaande het vinnig vuur der bezetting, waardoor velen gedood en gekwetst werden, ten laatste, door een hevigen aanloop, het nieuwe, doch nog onvoltooide Rondeel, dat het blokhuis beschermde, en maken allen, die er binnen waren, af, met uitzondering van eenige weinigen, die door sterk bidden het lijf behielden. Uit dezen voorspoed nieuwen moed scheppende, en merkende, dat het krijgsvolk op hun schieten deinsde, vliegen zij den wal van het blokhuis op, werpen de staketsels met geweld ter neder, en dringen het huis binnen met zulk eene verwoedheid, dat velen der verweerderen, vol schrik, zich over den muur in zee wierpen, anderen het gat, waardoor zij waren ingekomen, weder uitkropen, en de overigen zich in kelders en andere schuilhoeken zochten te verbergen, of met aflegging van hun geweer om genade smeekten. De Drost zelve, uit zijne schuilplaats tevoorschijn gehaald, en met moeite bij het leven bewaard, werd nevens omtrent zeventig zijner knechten gevangen genomen, en eenige tijd in hechtenis gehouden. Voorts zij nog met een woord vermeld, dat dit heldhaftig en stoutmoedig bedrijf, ’t welk natuurlijk het misnoegen der Spaansche regering tegen die van Harderwijk ten sterkste moest opwekken, hun, door tusschenspraak der voornaamste steden van Gelderland, geene verdere straf op den hals haalde, dan dat zij genoodzaakt werden een verdrag aan te gaan, ’t welk verscheidene harde voorwaarden voor de burgerij in ’t algemeen behelsde.

 

Uit het register van losse brieven, gedurende Philips regering, tot Alba, berustende op het archief der stad Harderwijk. Medegedeeld door den Heer Mr. G.A. de Meester.

No. 103. 1566, 21 December. Brief der regering van Arnhem aan die van Harderwijk. De brief dezer zijds geschreven was ontvangen; zij is gansch bedroefd over het ongemack waarin Harderwijk verkeert. Er is eene vergadering der vier kwartieren tegen 29 December belegd, overeenkomstig de opgerigte union, ten einde te trachten de aanstaande gefhaerlickheden af te wenden. Vroeger Loquet 11, no. 10 a.

No. 104. 1566, 19 – 22 December.  Brief des stadhouders aan Harderwijk; hij heeft vernomen, dat de soldaten en dienaren des konings, die tot het bewaren van het blokhuis zijn afgezonden, met geweld verjaagd zijn, sommigen, waaronder de drost, gevangen genomen en anderen gedood zijn. Hij beveelt de gevangenen dadelijk te ontslaan.

Harderwijk antwoordt, dat die knechten aan haar geen werbong getoond hebben, waaruit blijken kan dat zij konings soldaten zijn; maar dat zij stilzwijgend heimelijk des morgens bij den duisteren door een nieuw gebroken gat van de muur kruipende waren ingekomen en eenig geschut, staande op de markt, hadden vernageld, dat zij op de burgers geschoten en eenigen gedood hadden; dat de magistraat, krachtens de bevelen des stadhouders handelde, om voor de zekerheid der stad te zorgen en tot redding van zich zelven, de burgers in de wapenen waren gekomen en die onbekende, moedwillige vijanden hadden tegengetrokken en verjaagd. Dat de drost “ deses overvals beruchtigd zijnde”,  zij het niet raadzaam oordeelden hem als nog te ontslaan; maar dat hij eene genadige gevangenis heeft en dat zijn goed, geld en zilverwerk in gelijke bewaring is. Zij verzoeken dus de stad niet als rebel aan te zien. Vroeger Loquet 60, no.4.

No. 105. 1566, 29 December.  Brief van Willem, graaf tot den Bergh, aan Harderwijk, in antwoord op een schrijven van die stad. Het is hem bewust, wat tusschen de stad en den stadhouder heeft plaats gehad, hij had wel mogen lieden, dat sich die dingens anders, wie beshehen ist thogedraigen hatten. Maandag komen de gedeputeerden van Gelderland binnen Nijmegen; hij zal daar ook een gezant zenden. Vroeger Loquet 11, No. 11.

No. 106. 1567, 13 Januarij.  De schepenen van Harderwijk bieden aan den toeziener en bewaarder van het harnisch in het gasthuis aan, om het harnisch dat bij den overval uit het gasthuis is gehaald door de burgers weder te leveren, zoo goed en kwaad als het is en het gebrokene te herstellen, en daar dit aanbod wordt geweigerd protesteren zij daar tegen. Vroeger Loquet 44, No. 4b.

No. 107. 1567, 16 Januarij.  Brief van den stadhouder aan de regering van Harderwijk, vermanende den drost aanstonds los te laten, zooals hij onlangs geschreven had; zoo niet, dan zal hij alle Harderwijkers die hij bekomen kan aanhouden en zoo tracteren, dat zij blijde zullen zijn sulx te doen. Vroeger Laquet 17, No.14.

No. 108. 1567, 17 Januarij.  Brief van Nijmegen aan Harderwijk. Zij hebben een bode naar Brussel gezonden om antwoord van den stadhouder, op dezer stads verzoek door de landschap overgegeven. ( Zie van Hasselt, Stukken Vaderl. Geschiedenis, d. I, No.62). Het antwoord is ontvangen. Harderwijk heeft zulke groote ongehoorzaamheid en rebelligheid tegen den koning getoond, met het veranderen der relegie, violeren en spolieren der kerken, als ook met het ontweldigen en innemen zijner majesteits huis, meubelen en geschut, in geweldiglijk uitkeeren en erslagen dergenen, die aldaar gesonden waren om zijn mejesteits huis in possessie te nemen, dat het de Regentesse verwondert, de landschap haar nog wil verstaan, doch om zich niet te beklagen, dat men haar boven regt en billijkheid wil bezwaren, zal men te vreden zijn, dat de stad teregt gesteld en verhoord wordt voor zijne majesteit en deszelfs cantzler en raden van Gelderland, mits het huis en geschut weder stellende in vorige staat en zes vaandelen knechten innemende. Vroeger Loquet 82, No. 57a.

Tot zover het verhaal en briefwisselingen.

Het verhaal komt uit de Geschiedenis der Burgerwapening in Nederland aangevuld met briefwisselingen gepubliceerd door Heer Mr. G.A. de Meester en overgenomen uit de Kronijk van het Historisch Genootschap achtiende jaargang gevestigd te Utrecht. 1862.

Dit bericht was geplaatst in Verhalen bundel.

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Verplichte velden zijn gemarkeerd met *