De Aanstaande Kermis.

 

De Aanstaande Kermis.

 

’t Is haast Kermis! Juicht de landjeugd,

En ’t genot straalt reeds uit ’t oog;

’t Is haast Kermis! Zonde en ondeugd,

Heffen ’t hoofd, vol hoop, omhoog!

Kan ons dan het daag’lijksch leven,

Geen genot en vreugde biên?

Moeten wij dan altijd streven,

Naar wat d’ onsschuld ’t meest moest vlién?

’t Is genot van Schijnvermaken,

Dat het grootste deel omhult,

Van hen, die naar Kermis haken!

Dat hun hart en ziel vervult!

Menig rein, onschuldig wezen,

Gaat gerust van moeders hand;

Maar, nu Kermis! ’t Is bewezen,

Is zij dikwerf Satans pand!

’t Is met Kermis dat de booze,

Zijn voornaamste hoogtijd viert;

En de liefste bloem, die booze!

Als zijn buit, ten deel gewierd!

Hoedt uw kind’ren, Moeders! Vaders!

Voor dien Gruwel, van den tijd,

Voor de Kermis! Aan verraders,

Wordt zoo ligt hunn’ ziel gewijd!

God toch, zou ’t op U verhalen,

Als ge een U beschonken pand,

Door verzuim zóó ver liet dalen!

Overgaaft aan zonde en schand!

Toen de Kermis, ’t jaar te voren,

Algemeen werd opgezeid,

Deed zich toen Gods Stem niet hooren?

“ Maakt u voor den dood bereid!”

Dit jaar weer, zou ’t vreugde wezen,

Feesten hier, in ’t gandsche land,

Maar in Gods wet stond te lezen:

“ Streeft naar ’t eeuwig vaderland!”

Moog’ dus Kermis u vermaken,

Houdt voor God uw hart toch rein!

Hij doe U Genoegens smaken,

Die U nooit tot zonde zijn!

Apeldoorn,                                                                              Dr. Van Loenen.

7 October 1850.

 

Dit bericht was geplaatst in Diverse gedichten.

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Verplichte velden zijn gemarkeerd met *