De beeldenstorm te Harderwijk(deel1)

Wat er aan vooraf ging.

Het tijdperk der Reformatie,hoe bekend,blijft toch voor de minnaar der historie steeds een eigenaardige bekoring behouden.Het is dan ook ontegenzeggelijk het meest interessante deel onzer geschiedenis.

Zeer zeker en dit geven wij aanstonds toe,is voor een recht inzicht in wat onze tijd beroert,een grondig kennis van den revolutie_eeuw en van den invloed die de Revolutionaire denkbeelden allengs op ons nationaal volksleven uitoefenden onmisbaar-toch-juist die tijd mist de krachtigen figuren die in zoo hooge mate onze bewondering afdwingen –hetzij door hun fier uitkomen voor den Naam en den zaak des Heeren,hetzij door hun moedig opkomen voor gewetensvrijheid en recht.En dat te meer,naar mate die mannen van hooge moed en krachtig geloof leefden,leden en strijden op ons van nabij bekend terrein en we hen op zekere hoogte onze voorvaderen mogen noemen.

Van haren ijver tot de bescherming van het ware Gelove heb ik niets anders bij te brengen-zegt Schrassert-,als dat de Harderwijkers de eerste zijn geweest in Gelderland,die met gevaar van lijf en goed de beelden hebben verbroken,de Papen en geschoren kruinen verjaagd,de zieldwang verbannen-ende het jock beyde van Rome en Spanje van haren hals geworpen -.Nu moge Schrasserts groote liefde voor zijn Vaderstad in deze hebben overdreven en Elburg zooals we later uitvoerig hoopen aan te tonen zijn voorgegaan.

Harderwijk stond reeds vroeg bekend als zeer besmet van ketterij.

Dit kan echter niet gezegd worden van het eigenlijke volk.

Geheel in tegenstelling met Vlaanderen en Brabant waar het vrije volk door den bloei van handel en handwerk,tot krachtig ontwikkeld geestelijk meeleven was gekomen,dommelde de Veluwnaar,conservatief van nature en langer voelend den druk van het lijfeigenschap verarmd door de langdurigen en zware oorlogen,voort in vormdiest van een opgelegd en onbegrepen Katholicisme.

Neen,de kern vormde hier,mannen van rang en stand,die door hunne uitgebreide handelsbetrekkingen met de leden van `t Hanzeverbond,met allerlei vreemdelingen en buitenlanders in aanraking kwamen.Mannen wier namen onder ons nog voortleven in hun bouwhoeven of jachtsloten die gelegen waren of langs de breede heirwegen(Hessen of karwegen)van Harderwijk over de Veluwe naar Arnhem als bijv.Speulde,het huis ten Ham onder Harscamp,Eschoten bij Otterloo(Broeckhuyzens),Deelen-of langs de boschrand van de Westerveluwe Telgt,Zeebrug,(de Wijnbergens),Hell,Aller,Slichtenhorst,Oldebarnevelt enz.

Uit hun midden werden Burgermeesters en Raden der stad gekozen en daar zij onbeperkt gezag hadden,was het ook aan hunne invloed te danken dat de Reformatie zoo vroeg op de Veluwe ingang vond.

In 1523 was Rentmeester van de Veluwe Maurits Marissen Pannekoeck,een man van voortreffelijke geleerdheid.Hij was de vriend en gunsteling van Hertog Karel,bij wien hij doen en laten kon.Deze vorst Karel was een groot voorstander des Pausdoms(hoewel anders een kwelgeest  zoowel van onzijdige naburen als vijanden)en een bitter vijand der hervorming,waartegen hij bloedig plakkaat deed uitgaan.

_Alle lieden,jonge of ouden,ingezetenen of vreemdelingen,mannen of vrouwen,die met de vermeende Luthersche ketterij waren besmet en –bezeten-en binnen deuren of in herbergen en bijeenkomsten iets deden of spraken`t welk naar ketterij was smakende en strijdig met de oude inzettingen der kerk,moest men zonder enige oogenluyking,uitstel ofte genade van het luven ter dood brengen,met verbeurte van alle haere inkomsten,waarvan het eene deel zoudt komen tot Hertogs behoef,het tweede aan de stad of plaats daar de misdrijf was gepleegd en het derde deel tot nut van den aanbrenger-.

Dit bloedig verbod werd op strenge wijze ten uitvoer gebracht en vele lieden,die niet anders gedaan hadden dan geestelijke liedekens zingen,werden zonder nader onderzoek van hunne goederen beroofd en gedood.

Wij kunnen ons voorstellen,hoe verontwaardigd onze Hertog was,toen hij vernam,dat iemand van zoo hooge positie als zijn Rentmeester Marissen in Harderwijk,Luthers geschriften niet alleen gaarne las,maar er ook zoo mede ingenomen was dat hij ze zijne medeburgers en vrienden ter lezing zeer aanbeval.Aanstonds schreef hij hen een briefje met het verzoek dat aanprijzen van Luther na te laten.Een zoo`n  schrander man wist immers wel beter!

Of dat verbod gebaat heeft,het is mogelijk.In den kring zijner vrienden was echter het woord uitgegaan en het zij uit waarachtige overtuiging bij velen,hetzij bij enkelen uit de oppositie tegen het drijven en streven der Bourgondiërs en Oosterijkers,Harderwijks aristocratie was der Reformatie toegedaan.

Toch zou dit alles nog weinig gebaat hebben ware niet de geestelijkheid evenzeer van een behoefte aan hervorming doordrongen geweest.Harderwijk was in die dagen rijk aan geestelijken.Aan de parochiekerk ,na den brand van 1503 prachtig opgebouwd en van binnen versierd met schilderwerk in het gewelfsel en in de glazen,waren gewoonlijk vier hoofdpriesters verbonden,benevens 23á24 Vicarissen.

Al dit personeel was nodig om de twintig altaren,zeer fraai en rijk van inkomsten voorzien,door de gilden en particulieren,te bedienen.Behalve deze Parochiekerk had men buiten de poort aan de Tonselerweg het Jurriaanskerkje en bovendien waren ook aan`t Minrebroers Klooster en aan het Fraterhuis kerken verbonden.Onder dit talrijk personeel van geestelijken telde men meer dan één aanhanger der nieuwe leer.De invloed die van de broeders der Gemeene Levens uitging deed zich ook hier gelden.Twee van de hoofdpriesters der Onze Lieve Vrouwenkerk werden in 1532 door Hertog Karel van hun pastoorsschap ontslagen.Het waren Dirck Keyler,die reeds in 1518 en Hendrik van Groeningen,die sinds 1522 als priester aan de hoofdkerk verbonden waren.Zij hadden zich ontgaan in misbruick en gebrecke van ketteriën.Krachtens bijzondere machtiging van de Paus begiftigde de Hertog nu den welgeleerden Borchart van den Bergh met het pastoorschap.Hij verzekerde den raad dat deze bekwame en goede jonkman,zich wel beter en eerlijker naar ons kersten geloove halden en regeeren zal-,dan de ontslagenen waarom hij beveelt en gebiedt dat gij Mr.Borchart zonder eenige weygering end niemant anders tot pastoor ontfangen kennen of halden ind voert in allen onderdanig zijt en wedervaren laat,als dat goede onderzaten en kerspelluiden then oeren pastoeren beteempt-.

Tusschen het uitvaardigen van een bevel en het nakomen ervan echter een groot verschil,Borchart kwam te Harderwijk en om het leven te veraangenamen schonk de vorst hem eenige buitengewone inkomsten uit den tienden van Ermelo,Tonsel,Huinen en Hierden,die hij mocht genieten zoo lang hij te Harderwijk zou vertoeven.Beviel het hem daar niet langer,dan kon hij,zonder voor`s Vorsten ongenade te vreezen,naar Arnhem terug keeren.Hoe lang Borchart in Harderwijk bleef is niet met zekerheid te zeggen.Waarschijnlijk vertrok hij spoedig en nauw en was hij weg of Keyler en van Groeningen hervatten hunner arbeid weder en bleven te Harderwijk tot hunnen dood.

Het recht tot het begeven van het pastoraat te Harderwijk berustte bij het kapittel van St.Marie te Utrecht.Na de dood van Keyler en van Groeningen wende zich de regeering der stad tot bovengemeld collega en verzocht vier goede,bekwame en Christelijke pastoors te zenden,die ons en de gemeente met de woorde Gods klaar en onvermengd,trouwelijk leren en vermanen- in die gelove,liefde en vreze Gods en tot vrede eendracht en vriendschap onder elkanderen en die zoo van het leven als in leering zijn,dat ze aangenaam maken kunnen -.

De eischen waren hoog en uit het verzoek valt reeds duidelijk de geest die de Raad bezield op te merken.

In 1541 hebben eindelijk gemelde Heren,zegt Schrassert,nadat ze hier en elders bekwame personen hadden geëischt,bij provisie alhier gezonden een toenmalig priester tot Zutfen,die na een dag of drie alhier vertoeft te hebben zonder op de Stoel te komen,stil is vertrokken.

Dezelfde Heren prezen vervolgens de stad aan,eenen Jan van Embrick;die van niemand gezien of gehoord is.Waarna Schepenen en Raad zelfs hebben uitgezien en eindelijk vier kerken dienaren aangenomen voor haar gansche leven,vermits zij om een jaar of twee niet over komen wilden.Een dezer pastoren was Johan Seneker,een andere Coenraad Renckum.Vooral deze laatste was eene vriendelijke verschijning.

Het waren moeilijke dagen,die hij met zijn parochianen door maakte.De zware en hardnekkige oorlog tegen de Bourgondiërs en Oostenrijkers eischten niet alleen aanzienlijke offers,maar bracht ook de handel een gevoelige slag toe en toen nu de strenge en langdurige winter van 1542/43 de visscherij onmogelijk maakte,heerschte in de stad honger en gebrek.En Renckum leed mee.-Hij de vriend der armen-

Schoon zelf onbemiddeld,deed hij wat in zijn vermogen was tot leniging van den nood.Hij gaf zoolang hij nog een penning bezat en als eindelijk zijn laatste bete met den armen broeder is gedeeld en hij niets,niets meer te geven heeft en ook niet meer bij de rijkeren om een bijdrage durft aankloppen,dan is hij ten einde raad.De nood is groot en als op den Kerstavond om hulp aan de pastorie aankloppen,menschen,die niet als arm bekend staan,dan neemt hij een besluit,dat hoe ook te verontschuldigen,toch niet goed te keuren valt.In de kerk n.l. bevindt zich een beeld,dat reeds velen tot afgoderij had verwekt.Hij gaat heen,neemt dat beeld weg en verkoopt het met nog eenige kerksieraden.Met de opbrengst kan hij nu zijn armen den winter doorhelpen.

Vele streng Roomschen namen den goeden pastoor dit zooals te begrijpen is,zeer kwalijk en het einde van de zaak was dat hij ,die ook het avondmaal onder twee gestalten bediende,uit het ambt werd ontzet.

Renckum moest de stad verlaten en trok heen naar Rhenen,waar hij bij een collega en geestverwant een vriendelijk tehuis vond.Van hier schreef hij een roerende brief naar den Harderwijker Raad,verzoekende toch vooral te willen zorgdragen voor zijne boekerij,die hij uit moeizaam opgespaarde penningen had bijeen gebracht.Het is echter zoo goed als zeker dat hij boeken nog stad immer heeft terug gezien.

Een andere pastoor,Heer Claas,de oudste pastoor genoemd handelde met het den Roomschen heilige al even oneerbiedig.Zonder eenige oneerbiedenis bediende hij het sacrament,want hij geloofde niet aan het mysterie der broodsverandering op het woord des priesters,waarom hij bij de mis de woorden der consecratie eenvoudig weg liet.

Was zoo de toestand op geestelijk gebied diep treurig te noemen,toen Karel V het bewind in handen kreeg scheen aanvankelijk voor de Roomsche kerk een betere tijd aangebroken.De kerk vond in deze Keizer een machtig beschermer en de geestelijken waren niet meer zoo vrij hun mening te zeggen.Toch,er waren ook in die tijd mannen,die met vrijmoedigheid uitkwamen voor de waarheid en onder dezen behoort genoemd te worden de opvolger van Coenraad Renckum,de heer Jan van Grol.

Het was hoogtijd van Kerstmis(8 december).

Een groote schare was ter misse gekomen en volgde eerbiedig de ceremoniële handelingen van den priester voor het hoogaltaar.Daar keert hij zich tot het volk!

Vrienden,zegt hij,wij willen doen wat gij voorleden jaren ook gedaan hebt.Gij zult u voorbereiden tot de viering van`s Heren Avondmaal,zooals gij dat dikwijls reeds gedaan hebt.Op Gods barmhartigheid willen wij vertrouwen en den Keizer daarin niet aanzien.Ook moogt gij niet gelooven,wat U de papisten leerden,dat Christus,dáár zij gelijk Hij was aan het kruis.

Hij zit aan den rechter hand des Vaders.

In het biechten te zeggen;Ik biecht God,Maria en alle heiligen,is dwaasheid.Gij moet zeggen:Ik heb God gebiecht en begeer van U getroost te worden met zijn woord.

Waar zoo de geestelijkheid voorging in het kleinachten der Roomsche ceremonie en waar de Raad niet het minste deed om deze oorzaak van twist en onvrede onder de burgerij,waarvoor zij zoozeer bevreesd was weg te nemen,ligt het voor de hand dat ook spoedig de burgers het gegeven voorbeeld volgden.

Echter woester,ruwer en onbeschofter naar der tijden zeden.Bij het begraven der dooden,had men o.a.gebroken met het kerkceremonieel.De dooden werden ter aarde besteld`s namiddags zonder zielemis en vigilie.Toen nu eens bij gelegenheid van een begravenis naar oud gebruik de minderbroeders in langen rij achter het lijk volgden en de gewone kerk responsoria zongen werden ze begeleid door een troep volk,die door hun geroep en gespot hen noodzaakten hun zang te staken.

Het Hof van Gelderland meende nu de tijd gekomen tot bestraffend tusschen beiden treden.Enkele leden begaven zich naar de Stadhouder op reis om een onderzoek ter plaatse in te stellen en zoo noodig krachtige maatregelen te nemen.

Ook het kapittel van St.Marie begreep iets te moeten doen aan de Reformatie in hare voortgang te stuiten.Zoolang het Hertogdom Gelre niet aan den Keizer was gekomen konden zij geen middel ter verbetering vinden.

Toch hadden zij tot driemaal toe geschikte personen geordineerd,doch als deze ter plaatse kwamen durfden geen van allen den last aanvaarden.Door het gerucht van twist onder de inwoners op`t stuk van`t geloof en noodgedrongen hadden zij destijds van hun recht tot benoeming der pastoors afstand gedaan.Nu er evenwel zulke booze geruchten gingen vertrouwde het kapittel dit recht niet meer veilig in de handen van de Raad.De pastoor Johan Seneker,een der vier pastoors door een raad voor het leven aangesteld,die als ijverig Lutheraan bekend stond werd afgezet en vervangen door heer Claas Jansen Schijn.Door deze daad ontstond een conflict tusschen de Raad en de Heeren van St.Marie.Zulk een willekeurige verplaatsing van een pastoor die te Harderwijk zeer geliefd was en dien zij voor het leven aangesteld was voor`s Keizers Regeering nooit geschied.

Niets mocht echter baaten.Alle protest was vruchteloos,Johan Seneker keerde niet weer.

De Regeering had wel een middel om den niet gewilden pastoor moeilijk te maken.

***

Wordt vervolgd

Dit bericht was geplaatst in Verhalen bundel.

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Verplichte velden zijn gemarkeerd met *