De beeldenstorm te Harderwijk(deel2)

Deel 2

Het Jurriaanskerkje,in de wandeling Jeruzalem genoemd,een stichting van het rijke en machtige St.Joris gilde(1344),had onder zijne aanzienlijke inkomsten o.a.een jaarlijksche uitkering van 24 gouden ducaten te begeven door de stad.Door de dood van den waardigen Heer Wolters kwam dit bedrag weder ter beschikking.De Raad droeg daarvoor voor Geraerd van Wijnbergen,jongeren zoon uit het oud riddermatige Ermelosche geslacht.Met deze voordracht nam de pastoor Claas Jansen geen genoegen.Hij had het al niet breed omdat de gilden en particulieren hun bijdragen inhielden en daarom meende hij zelf daartoe de meeste gerechtige te zijn.

Zeer tegen de begeerte der stad wendde hij zich nu tot de Aartsdeken van de Pieterskerk te Utrecht en daarna rechtstreeks tot den Paus van wien hij zegt Schrassert,-bij verklachting een hoogdravende en wijdloopigen brief ontving,waarin hij met de 24 jaarlijksche ducaten werd begiftigd-.

Aan deze brieven hadden de Stadhouder en Raden in Gelderland onder des Keizersgilde hun toestemming tot tweemaal gehangen alle ambachtslieden en ingezetenen dezer landen gelast dat zij Heer Nicolaas deze gunst zouden laten genieten.Hiernevens had de Domheer en Schatmeester van St.Marie te Utrecht den kerkheeren en priesteren van Harderwijk,als ook de Heeren van de Raad verzochten onder bedreiging van de Bangeboden de Pauselijke bevelen na te komen en Nicolaas in de bezitting van het altaar te dulden en te bestendigen.Niettegenstaande deze bedreiging besloten de Schepenen verontwaardigd over deze keuze buiten hun voordracht om,het verzoek niet in te willigen en gaven daardoor te kennen:-hoe weinig de Raad van Harderwijk op uitheemsche Ban-brieven en de stoel van Romeo acht gaf,zelfs in den naren nacht  en slavernij van`t Pausdom-.Zij gaven voor,de echtheid der Pauselijke brieven in twijfel te trekken.Toen evenwel in 1554 Heer Nicolaas ootmoedelijk den Schepenen bad,dat hij ook die gunst van de Raad der verwere mocht werd hem het genot der uitkeering toegestaan.

De pastoor had zich door zijn zelfstandig optreden bij Heeren Regenten gehaat gemaakt.

Geen wonder! Zelfstandigheid,een eigen meening te hebben werd toen slechts geduld zoolang die mening overeenkwam met die der Heeren.

Een eigen inzicht te hebben,eigen denkbeelden er op na te houden-de vroede vaderen zouden wel inzien en denken-dat was wel zoo gemakkelijk.Men had dan slechts willig en gedwee te volgen.Iets wat  niet volkomen de goedkeuring mocht wegdragen dezer stedelijke autocraten werd hooghartig doodgedrukt. Dat was toen zoo de manier van doen.Het was de vooravond van het regententijdperk dat uitliep en uit moest loopen op revolutie.Thans zou men van verbazing de handen ineen slaan wanneer iemand ons vertelde dat in onze twintigste eeuw voor een dergelijk systeem nog plaats was.De historie zij ook hier de leermeesteresse.Zien we hoe de raad zich van de lastigen pastoor poogde te ontdoen.

Een geschikte gelegenheid daartoe bood zich weldra aan.Bij heer Nicolaas deden zich af en toe verschijnselen van krankzinnigheid voor.Aanstonds greep de raad dit ongeval aan om het kapittel te verzoeken-desen halfsinnigen mensch-terug te willen roepen.In een uitvoerig schrijven beantwoorde het kapittel dit verzoek.Vroeger ,zoo schreven zij,had de stad pastoors gevraagd en zij waren niet in de gelegenheid geweest aan dit verzoek te voldoen.Thans gesteund door de Keizer hadden zij zich beijverd een geschikt persoon te vinden.Zij meenden hierin dan ook uitnemend geslaagd te zijn,ja,verdienden zelfs dank omdat zij geen vreemde maar-een Uwer burgerzoons-hebben genomen,een vroom en oprecht geleerd man.De gunstige getuigschriften hadden zij omtrent zijn eerlijk leven en bekwame manier van preken zowel uit Harderwijk als Nijmegen ontvangen.Zij begrijpen dan ook niet hoe de Raad dien man kan verklaren-Zijn zinnen beroofd,uitzinnig dol en razende geweest te zijn-,zóó dat hij daarvan nog overblijfselen zou gehouden hebben.Is het een verschijnsel van voorbijgaande aard,gevolg van een ziekte of dergelijk ongeval,dan kan dit geen reden zijn om zijn promotie te beletten.Komt het evenwel dikwijls voor dan moeten zij zich wenden tot den Rechter deze zaak die brieven van proclamatie hem verleend heeft om zeker te zijn van zijn bekwaamheid,eer hij hem brieven van institutie verleenen wil.

Utrecht heeft hem op die brieven aangesteld en kan nu eershalve hem niet meer ontslaan.Natuurlijk lieten de Schepenen het hierbij niet.Scheen het of de Heeren van Utrecht aan hunne geloofwaardigheid twijfelden,bij een volgend schrijven werd de verklaring gevoegd van vele getuigen die verzekerden dat Heer Claas werkelijk dol was en met touwen moest gebonden worden.

Utrecht bleef onverbiddelijk en ofschoon hij later geheel op den achtergrond trad bleef hij tot 1557 pastoor van Harderwijk,ja in 1568 nam hij nog tijdelijk dit ambt waar,zoodat inderdaad eenigen twijfel aan de juistheid van der Schepenen beschuldiging niet ongegrond mag heeten.

Zij overdreven minstens verschrikkelijk.In 1558 kwam voor de schijn een ander pastoor in de plaats.Het was Rutger de Baer,een jonkman van veel ambitie en bezield met vurige liefde voor de kerk,die,en men had dit wel vooruit kunnen voorzien,al heel spoedig met den Raad en een groot deel der gemeente in conflict zou komen.Slechts het goed Roomsche Harderwijk vereerde hem en vond in hem,ofschoon hij geen bijzonder sympathiek persoon was een flink beschermer.Een tijd van schier hopeloze verwarring brak aan.Geestelijkheid en stadshuis,de geestelijken onderling in voortdurende twist.

Het volk in partijschappen verdeeld en op Godsdienstig gebied als verwilderend.Wel was er bij velen honger naar het Woord der Waarheid en van troost,die het kwamen brengen,brachten evenwel niet het Evangelie des vredes maar trokken,heftig anti-papistisch,te velde tegen Roomsche dwalingen.Spraken niet opbouwend.

Deelden slechts mede wat hier en ginds was opgevangen.Er was geen systeem,geen organisatie nog.

Op het plein voor het stadhuis lag destijds het Minderbroeders-klooster,een groot ruim gebouw met prachtige kerk en door een dubbel kerkhof omgeven.Het geheel was omringd door een muur en gracht,waaruit een beekje de hof doorstroomde.

In dit klooster trad in het begin van 1563 als prediker op Evert van Doesburch,een jonkman,die in het Minderbroeders-klooster te Deventer zijne opleiding had genooten.Hij was,zooals bij elke beweging op kerkelijk en staatskundig gebied worden aangetroffen,een van die persoonlijkheden,vurig van geest zich beijverend met een Jehus ijver,doch die bij den voortgang schier spoorloos verdwijnen omdat zij of de moed misten of zich geen tijd gunden verder dan tot de oppervlakte door te dringen.

Schrijven van den Stadhouder Karel van Brimlu.In dat schrijven werden inlichtingen gevraagd omtrent de kettersche preken van de Minderbroeders.

In het antwoord speelden Burgermeesters en Schepenen en de Raad de onwetenden.Had de Stadhouder geschreven over de Minderbroeder die kettersche preken hield en daarmede voortging,wel dan kon dit niemand anders zijn dan de prediker uit het minderbroeder-klooster.Zij hadden terstond bij de leden van de Raad een onderzoek ingesteld of ook iemand hunner die prediker alzoo had hooren spreken.Niemand des Heeren wist daar echter iets van.Daarop zijn zij met den brief naar den Gardiaan van`t klooster gegaan en hebben hem gezegd dat indien hun predikant of iemand anders van hunne broederen alzulke leering verspreid of gepredikt had dan hij zulks verplicht was geweest dit den Stadhouder mede te delen.

Wie is toch Uw prediker,waar is hij geboren,waar vandaan is hij gekomen,hadden zij hem gevraagd.De Gardiaan had hierop geantwoord dat nog hun prediker noch een der broeders afwijkende gevoelens was toegedaan.

Hun predikant was Evert van Doesburch en te Deventer in het klooster-ingecleet-(geordend).

Jammer genoeg was hij juist niet thuis.

Hij was naar Utrecht met twee jonge broeders,die de wijding moesten ontvangen,zoodra hij echter terugkwam zou de Gardiaan hem met de aanklacht in kennis stellen opdat hij zich verantwoorden mocht.Een dag of drie later vervoegde zich de priester bij Schepenen en Raad.Hij had de boodschap van den Gardiaan vernomen.Hij was echter onschuldig.Hoe kan men hem van ketterij verdenken.Men had hem belasterd.Ook in Utrecht had men hem dezer dagen verweten dat hij Luthersch gepredikt had.Hij wist evenwel wel wie de lasteraar was.Niemand anders dan de pastoor van Harderwijk.Met deze had hij twist gehad en hem voor de voeten geworpen dat hij de pastoren van Veluwe in`t vorige jaar op hun vergadering te Arnhem eenige penningen had ontrekend en dat hij dit jaar behalve het hem toegedeelde hout uit het Putterschebos nog ander hout had gestolen,zoodat de maalmannen hem ontmaald hadden.Op dit relaas had de Raad geantwoord dat die pastoor zich eerst van bovengenoemde aanklacht had te zuiveren,bovendien moest men een jonkman-een ongeveerlick woert oick niet ten kwaadste afnemen-temeer niet daar,kon men hem dan de opgelegde beschuldiging overtuigen,hij in de stad terecht wilde staan terwijl dan wel zou blijken uit wat oorzaak de aanbrenger was geschied.

Als naschrift- en ook dit pleit weer niet voor Burgermeesteren en Raad der stad-vragen zij den Stadhouder of hij niet een goed woordje voor hen wil doen bij de Landvoogdes.De parochiekerk,die de burgers met groote kosten,heur zelver bezwarende,geheel hebben verwelven en repareeren laten,mits nog glas in`t cruyswerk.Hertog Karel van Gelre en andere Vorsten,prelaten,bannerheeren en kloosters in den omtrek,hebben aan het verzoek voldaan en de kerk van (geschilderde)glazen voorzien,misschien zal ook de Landvoogdes ons willen helen,waarmede zij God den Heere een welgevalligen dienst zal doen.

Inderdaad was Rutger van Baer de aanklager geweest.In een uitvoerig schrijven had hij de kanselier van`t Hof van Gelderland ingelicht en daar hij aan het slot van zijn brief zeid:-Is het zaak en belieft het U,ik wil gaarne te Arnhem komen en die zake klaren verdeuschen-.Zoo werd hij op ontboden door het hof.Hier hing hij een droevig toneel op van de toestand te Harderwijk.

Nog niet lang geleden waren in de moederkerk 27 of 28 priesters die daar hun dienst hadden,thans is hij met zijn kapelaan,die hij zelf betalen moet,alleen over gebleven.Wel zijn er drie vicarissen,maar twee daarvan zijn zoo oud dat zij niet veel dienst meer doen terwijl de derde niet veel dienst meer doen wil.De oorzaak hiervan was gelegen bij de gilden,die het geld dat zij vroeger tot den kerkdiensten bestemden thans tot andere doeleinde gebruikten.

Ook de Regeering der stad viel in deze te berispen.In Harderwijk toch was het vanouds gebruikelijk dat,bij processies wanneer het sacrament werd rondgevoerd,de beide jongste Schepenen het kleed droegen,dat als dan de kastiekast  bedekte,terwijl de oudste twee aan twee volgden.Tot voor kort,voor de komst van Rutger de Baer had men dit gebruik in stand gehouden maar sinds hij pastoor werd gebeurde het niet meer.Omtrent Evert van Doesburch bevestigde hij onder eede wat hij vroeger had geschreven.

Niettegenstaande die zware beschuldigingen bleef Evert van Doesburch nog ruim een jaar in de stad,beschermd door de raadsleden,die hem als beschuldiger van hun pastoor in den stad moesten houden opdat deze zich zou kunnen rechtvaardigen.De bovengenoemde prediker toch was niet den enige,die hem van oneerlijkheid jegens zijn medepastoors aanklaagde.Ook Dirk Dore van Elburg beschuldigde hem en de pastoor van Barneveld des wegen.Bij een ingesteld onderzoek door den Deken vanVeluwe werden echter beiden gedwongen deze beschuldiging openlijk in te trekken daar bij het nazien der rekeningen duidelijk bleek dat van Baer meer had uitgegeven dan ontvangen en dus geen penningen had achtergehouden.

Ook aangaande de houtdieverij in het Putterbosch scheen hij zich vrij goed te kunnen rechtvaardigen.Het was namelijk zóó gegaan.Als deelgerechtigde in het Bosch waren hem eenige bomen toegewezen,zoo ongeveer twee drie voer hout.Hij had er een arbeider heen gezonden om het hout te kappen.Deze had niet gelet op het merk met den-deelbile-aangebracht en zoo ongedeeld hout neergehouwen en gedeeld hout laten staan en vergeten.Dit(het gebeurde immers wel meer),kon hij toch niet helpen.

En waar er eene bepaling was dat men op de grondheer en niet op de huurling of daglooners alles wat in het bosch misdaan was mocht verhalen,zoo had hij ook als grondheer de boete,die er op gezet was betaald.-Het was evenwel geen misdaad-alleen een beboetbare overtreding.Zoodat de Raad hem daarom niet mocht afzetten,noch zijne jaarlijksche rente uit de stadskist mocht inhouden.

Des niettegenstaande nam de Raad met deze verdediging geen genoegen.Neen zeiden de Schepenen,gij zeit wel schuldig,anders had gij er U niet mee afgemaakt door den maalmannen geld te geven benevens wat rogge om onder de armen te verdelen.Op die wijze zuivert men zich niet van blaam als dief.

Ook met Evert van Doesburch leefde van Baer voortdurend in onmin.Ja,dit ging zelfs zoo ver,dat op het feest van de Heilige Kruisvinding(3 mei`64),doch laten we dit van Baer zelf laten verhalen.-Zoo die monnik in wereldlijk kleed tot mij in de kerk kwam daar ik zat en zong,met een bloot rapier-,zeker niet met vriendelijke bedoelingen.Toen de pastoor zich hierover bij den Raad beklaagde werd eendrachtig besloten:-Het waren geestelijke zaken en personen daar zij zich niet mede in wilden laten-,en hierbij bleef het.De uitspraak gaf aanleiding dat de gespannen toestand tusschen Raad en pastoor tot openbare vijandschap klom,zoodat weer de Stadhouder van Gelderland zich met deze zaak moest gaan bemoeien.De Raad verklaarde hem niet langer als pastoor te kunnen erkennen,omdat hij nog door goeden raad of bevel er toe te brengen was zich van het hem nagesprokene te zuiveren.Op aanhouden der burgers hadden zij hem voor nu twee jaar den dienst opgezegd en een deel zijner rente ingehouden in den hoop dat hij daardoor er toe gebracht zou worden zich rechtens te verdedigen.

Ook dit mocht niet baten:integendeel de pastoor is-zoo wijd met zijn boeverij voort gegaan,dat het gansche Schependom zonder eenigen grond aan hun eer en goeden naam gescholden heeft-.Inzonderheid de Schepen Brand van Deelen moest het ontgelden.Van Baer had hem,zooals hij zeide-naar lijf,goed en eer gestaan en hem een pluimstrijker en wijzer van valsch oordeel genoemd-in tegenwoordigheid van alle Schepenen.

Het gevolg daarvan was dat de burgers algemeen zeer verontwaardigd op hem waren en van zulk een eerloos man de sacramenten niet langer wilden ontvangen,ja, om hem de versmading van het gericht zouden vernield hebben.

Op dezelfde gronden als vroeger verdedigde zich van Baer ook nu.Wat de versmading van het gericht betrof voerde hij aan dat de Schepenen hem meenden te mogen berispen om de haastige en twistige woorden die hij gesproken had voor hun gericht,waar zij zelve aanklagers en rechters waren,wat tegen alle rechten is.

-Daarom heb ik gepresenteerd voor mijne compotenten of eenig ander onpartijdigen rechter te verschijnen,alwaar ik mijne onschuld zooveel oorzaken zal voorbrengen,dat ze mij wel ongemolesteerd moeten laten-.

Die hem gedreigd hadden dood te slaan,waren ook geen gewone burgers der stad,gelijk de Raad beweerde,want onder het volk zijn veel meer mijne dan hunner vrienden,zoodat er bijna een oproer ontstond,toen het gebeurde.Neen,het waren tien of twintig inwoners,bij alle vrome wel bekend en door hen voor achterklappers en schimpvogels gehouden.Sommige waren om hun boosheid uit andere steden verbannen.Sommige-Moytmakers-die op voorbede der gemeente door Maarten van Rossum,Maarschalk,het leven is geschonken toen de anderen gedood en gebannen waren en die als oproermakers door het gerecht naar stadskeuze behoorden gestraft te worden.

Uit deze korte redenen,zoo besluit van Baer zijn betoog,kunt gij verstaan,hoe zij allen,oorzaak tegen mij gezocht hebben om mij te molesteren zonder recht gelijk ik,dit mijn antwoord met brieven,schijn en bescheid kan bewijzen.Voorwaar en eindeloos getwist,dat geen vriendelijk licht werpt op den Harderwijker Raad,evenmin als op de geestelijkheid.

Gelijk de bloemknop omgeven is door onooglijke schubben,die wegstuiven voor de wind als de bloemblaasjes zich gaan ontplooien,zoo werkte ook dit alles mede tot voorbereiding van het werk der reformatie,dat straks des te heerlijker zal doorbreken.Die zelfde mannen welke nu in ons oog zoo-klein-deden zullen dan blijken te zijn mannen,die,ook bij al hun slag om de arm houden,in hooge mate bewondering afdwingen.

Word vervolgd.

 

 

.

 

 

 

 

 

Dit bericht was geplaatst in Verhalen bundel.

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Verplichte velden zijn gemarkeerd met *