De beeldenstorm te Harderwijk(deel3)

 

Hoofdstuk 3

Het jaar 1566

Het jaar 1566 was inmiddels aangebroken.Gewichtige gebeurtenissen volgden elkaar snel.Zoowel op politiek,als op kerkelijk terrein.

Alom heerschte eene bedrijvigheid,werd een actie waargenomen,welke met de hun tijd meelevende Harderwijker aristocraten ongetwijfeld in gulden lach van rijk genie deed uitroepen;-`t is een lust thans te leven-.

Met pastoor van Baer hadden ze afgerekend.

Om den-wedermoet-die ze tegen hem hadden hoorden ze hem niet meer.Hij die zich niet kon zuiveren van den blaam een houtdief te zijn had hen-pluimstrijkers-en-wijzers van een valsch oordeel-gescholden.

In O.L.V.kerk stond dan ook de Schepenbank doorgaans leeg.De Regenten en hun huisgenoten biechten niet meer,ze ontvingen het sacrament niet,ja,wanneer dit in de mis of`s avonds in het lof vertoond werd gingen ze eene straats wandelen,zonder daarop acht te nemen.

Slechts een tweetal Egbert Ringers en Zweer toe Boecop bleven de pastoor getrouw,maar ze moesten daarover zooveel schamps en spot verduren,dat eerstgenoemde het geraden achtte tot betere tijden de stad te verlaten,terwijl toe Boecop met zijn gezin naar Kampen vertrok,welke verhuizing hem,zoo klaagde hij later,-wel honderd gulden gekost had aan huishuur en reiskosten.

Toch –duidelijk bleek bij sermoen en kerkedienst dat het meerendeel der gemeente onder gilden nog van de olde Katholijksche relegie was,zoodat in veele gilden en broederschappen maar een of twee geuzen werden aangetroffen.

De Raad en aristocratie waren echter de Geus.-Op handige wijze hadden ze dit element in hun samenkomst weten te versterken-gelijk ze op even handige wijze het niet te vertrouwen deel zooals we zagen,wisten te verwijderen,bovendien steunden de Geuzen onder het volk hen krachtig in hun pogen.

Op zekeren dag vervoegden zich op`t Schepenhuis een vijftig,zestig burgers.

Coen Hendriksz de Staddienaar,merkwaardige keuze,was hun woordvoerder.Dringend verzocht hij den Raad,namens zijn vrienden,wijl ze niemand in de kerk hadden,die ze hooren konden en dat ze nu zoo lang rees toch weder een waardig prediker die het woord Gods recht verkondigde,te mogen ontvangen.

Of deze prediker de oude of wel de nieuwe leer moest toegedaan zijn viel niet uit het verzoek op te maken.

Voor wie echter Coert kende was dit evenwel duidelijk genoeg.

Met wijze voorzichtigheid gingen de Schepenen dan ook niet op deze vraag dieper in.Ze beloofden,dat ze er op verdacht zouden zijn.

Nu lang zouden ze niet behoeven te wachten.

Spoediger dan wellicht ze zelf vermoedden zou de eerste predikant zijn blijde inkomst in Harderwijk houden.

Dat was Johannes van der Linden,bijgenaamd-de Roodbaard-een van de vurige propagandisten,die trots alle gevaren welke hem van alle kanten omringden voorttrokken van stad tot stad,oproepend hun volk met den gloed eener heilige overtuiging,bezield en bezielend,tot reformatie der diepgezonken kerk.

En`t arme volk,hongerend naar`t Woord der Waarheid ontving hem met vreugde.

Het was in den namiddag van 15 of 16 september 1566 bijzonder rumoerig in den straten en straatjes,die naar de haven leidden.Aan de hooge brug groepjes mensen van allerlei stand,in druk redeneeren uitkijkend over den wijde kalme zee.bij de haven zelf ongewone beweging van op-en neer wandelende mannen en vrouwen.

Opvallend was het,dat Schepen nog Raadsvriend werd aangetroffen,noch ook iemand van degenen,die als goed Katholiek bekend stonden.

Ja,toch,ginds aan de lage brug staat een zoon van de ijverige Roomsche Hendrik van Zevenaar.Ook hij staat nieuwsgierig op den uitkijk,doch slechts om later des te beter als-kliksteen-te kunnen optreden.

Eindelijk,er komt beweging onder de menigte.In de verte nadert de lang verbeide schuit De witte zeilen blinken als duivenvleugelen in`t zonnelicht.Ze nadert langzaam.

Te langzaam haast voor`t ongeduldige volk.Eindelijk met een flinke zwaai stevent ze de haven in.Een paar schuitenvoerders hebben weldra vastgemeerd en bieden de behulpzame hand bij het uitstijgen aan een zestal reizigers.Enkelen zijn voor de Harderwijkers geen onbekenden.Daar hebt ge b.v. Jan van Speulde uit Hattum,Burgermeester Lambert Frankensz met den secretaris der stad Hendrik Holte en den moedigen-bierweerd-Jacob Arentsz,beter bekend als –Halfpaap-uit Elburg,verder nog eene Isselt uit Utrecht,de trouwe metgezel van den prediker,die het middelpunt der groep vormt.

Met blij gejubel worden zij begroet.Een oogenblik nog toevens aan de wal en het gezelschap begeeft zich stedewaarts waar spoedig Reinier Wolff`s hen tegemoet komt en het hartelijk welkom den prediker toeroept.

Plots klinkt uit het volk op den juigkreet:-Vive les Geutz!-

Een nieuwe tijd is aanbrekende.

Wolff geleidt den vrienden naar den herberg,waar de Geuzenwaard Hendrik Haze reeds alles tot een waardige ontvangst in gereedheid heeft gebracht.

Spoedig dagen nu meer vrienden op.

Daniël Rensen,de secretaris,een der eerste,nam met Reinier van Speulde en Mr.Willem Barbier,edele Harderwijkers,die zich gaven voor de goede zaak,de leiding der beweging op zich.Veel viel er,en dit ligt voor den hand,nog te bespreken.In zonderheid maakte plaats waar den prediker zou optreden een onderwerp uit van levendige gedachte wisseling.

De een stelde voor-het was heerlijk,zonnig september weer-het plein voor`t raadshuis,een ander achtte de markt veel ruimer en geschikter terrein.Bij al die voorstellen frontste Rensen het voorhoofd.Hij,de man van doortastende aard,had geheel andere,diepere ingrijpende plannen.

Lang genoeg hebben we,zoo meende hij,in den hoven en kampjes buiten den poort in`t geheim vergaderd!

Lang genoeg kwamen we in engeren kring samen,nu eens in de nederige woning van Johan Jacob`s,bijgenaamd-Suech-dan eens in den deftige huizing van Mr.Anthonius Barbier.

-Waarom niet in den kerk,waar den beelden staan,de apostelen hebben wel in Heidensche tempels gepreekt!-riep hij eindelijk uit.

In den kerk,dat voorstelvond algemeen instemming,besloten werd dat de preek zou gehouden worden in de Broerenkerk en nog dien zelfde avond liep het gerucht als de blijde tijding door de stad.

Den volgenden morgen reeds vroeg begaven zich Rensen en de anderen weer naar Hendrik Hazen`s huis en gebruikten daar met den predikant den maaltijd,waarbij het aan discours zeker niet heeft ontbroken.

De klok der Broerenkerk klingelde lustig en een groote schare belangstellenden en nieuwsgierigen –Geuzen-en Kardinalen-spoedden zich kerkwaarts.

Daar naderde den predikant in gezelschap van den vrienden Maurissen en Wolffs.Hun samentreffen voor den herberg,die in den nabijheid der kerk lag,was zoo heette het,tenminste geheel toevallig,ook al scheen het dat zij de predikant ter kerke geleidden.`t Was louter toeval,zoo verklaarden ze en dat beweerden de andere Schepenen ook.

O,`t waren bittere oogenblikken voor den pastoor van Baer,die,nieuwsgierig wat er zou gebeuren,uit het huis van den kerkmeester Marten Ottens tegenover den herberg,op den Broeren gadesloeg.Hoe grievend voor hem,den miskende en verachte,te zien,met welk een onderscheiding die nieuwe prediker werd behandeld.De Gardiaan van het klooster maakte bezwaren.Hij was op die nieuwigheden niet gesteld.Zijn beklag werd echter terzijde gelegd.`t Was een hartverheffend gezicht,die groote schare aandachtig luisterende naar de verkondiging van het Woord des Heeren,en als de prediker een psalmvers opgaf,dan,was het een wonder,waren er onder de aanwezigen velen,-die niet meezongen,omdat ze geen psalmen kenden-,maar-halfpape end vijf of zes anderen,stonden te singen in oir boecken-.

Jammer dat ons de tekst niet bewaard is gebleven.

Zeker is het,dat het een woord was naar`t harte van de Raadsvrienden,die hen na`t sermoen weder huiswaarts brachten en hen verzochten den volgende dag weder op te treden.

Aan dit verzoek voldeed van der Linden gaarne.Ook nu was de toevloed van belangstellende weder zeer groot en na den preek gingen de Schepenen mede naar het logement en opnieuw,zoo lezen we,werd er-goed chier-gemaakt in den herberg van Hendrik Haze.

Jammer maar,dat de prediker zoo spoedig weer vertrekken moest.Dienzelfde avond nog ging hij in gezelschap van Isselt en Johan van Speulde per schuit naar Nijkerk.Niet slechts zijn logies,maar ook zijn reis naar Nijkerk werd door de Raad betaald,die hem bovendien een geschenk in zilver aanbood.

Hij bedankte hiervoor echter;toch,als een kleine beleefdheid lieten de Heeren Wijn en bier voor den reis in den schuit brengen.

Later schreef hij nog een brief aan die van Harderwijk ten einde hen te vermanen tot standvastigheid in `t geloof.De Raad antwoordde met het verzoek,dat hij weder tot hen koomen zou.Dit geschiedde ook,gelijk we straks hopen te zien.

`t Waren heerlijke dagen geweest die dagen van:

De openbare preek!

En op die prediking,die versche wedergeving,van`t Levend Bijbelblad,volgde ook in Harderwijk een beving,een koking van der Beeldenstorm.

Niet op bevel of met afspraak.neen,maar ten gevolge eener sterke impulsie waarbij men van tijd en gelegenheid geen meester bleef.-In een onbewaakt oogenblik greep het volk naar hamer en houweel en werden de beelden en`t kerkgeraad afgeworpen en vernield.

Pastoor van Baer verliet nog denzelfde dag,waarop de eerste openbare preek in Harderwijk gehouden werd,de stad.Hij achte er zijn leven niet meer zeker.

De Schepenen verzochten nu den kapelaan tegen eene belooning de sacramenten te bedienen,terwijl zij inmiddels verdacht zouden zijn op hetgeen de deputatie der zestigen met Coert aan`t hoofd had verzocht.Zij konden thans met te meer recht doen,omdat de kapelaan heenging zonder zijn plaats te vullen.

Daar verbreidde zich 22 september 1566 door de stad het gerucht als een loopend vuurtje,dat een prediker was aangekomen en inderdaad in de haven lag de bekende schuit uit Elburg.

Wie was die prediker?

Niemand minder dan Jan Arentsz.

Jan Arentsz

Te Alkmaar had hij een eerzaam beroep van mandenmaker uitgeoefend,maar om den vervolging wille was hij met vrouw en zes kinderen naar Kampen verhuist,waar hij in`t geheim het Evangelie verkondigde en van waaruit hij van tijd tot tijd naar Holland reisde om de kleine gemeenten onder`t kruis te bezoeken en op te bouwen in`t geloof.Den 14den juli 1566 had hij op een veld buiten den stad Hoorn voor een groot aantal toehoorders de eerste openlijke predicatie in Holland gehouden.Thans op reis naar Amsterdam zal hij vergezeld van den bekenden Reinier Kant ook de steden langs de Zuiderzee aandoen.

Nauwelijks zijn de reizigers aan den herberg van Hendrik Haze aangekomen of Gerrit Maurissen en Ernst Witte,Schepenen,en Daniël Rensen,de secretaris,die waarschijnlijk van den komst des prediker verwittigt waren gingen hem begroeten.In druk gesprek vloog de tijd om.Die mandenmaker,had zooveel te vertellen over den wonderlijke Leiding Gods,de trouwe bewaarende hand des Heeren over hem,op wiens hoofd een prijs van 600 pond gesteld was.Allengs kwamen ook de andere Schepenen en Raadsvrienden opdagen.De waard zorgde voor een degelijke maaltijd waaraan allen bijschikken en als eindelijk de klok van de Broeren,vlak bij,begint te luiden begaven ze zich gezamenlijk op weg.

Door het klooster gaande treden ze binnen.De kerk bevat reeds een groote schare mannen,vrouwen en kinderen,roomsch en onroomsch,met spanning de komst van den mandenmaker verbreidend.

Ook de Regenten zaten allen op de voor hen bestemde plaatsen.Wij merken onder hen al aanstonds op:Reinier Wolff,de criticus,die gelijk hij later beweerde,het goede uit de preek genomen en het kwade laten liggen.

Ernst Witte,schoonzoon van ,van Ommeren,die met Maurissen en Brinck de stad weldra gewichtige diensten zal bewijzen.Wilt van Broekhuizen,de Eschoter,welke trouw,-als hij daar is-,den pastoor van den Aanstoot(Ottrelo)hoort en die straks betuigt geen dwaling in den kerk te zullen brengen.

Zweer van Hoeckelum,die anders niet in den Broeren kerkt,omdat daar`s middags 12 uur preek is en hij dan juist eet.

Ja,zelfs Zweer toe Boecop,ontbreekt niet.De prediker heeft onderwijl de kansel beklommen.Aller oogen zijn op hem gericht.Welk een vriendelijke verschijning.Arentsz,in zijn eenvoudig gewaad van deftig burger.Hij is,gelijk iemand het zoo schoon van zich zelf zeide:de jeugd van zijn ouderdom ingetreden.

Ofschoon niet gestudeerd hebbend,blijkt hij ten volle bekwaam om te leeren,een man met een goed verstand en scherp oordeel,een man van –singulier gaven-tot verwondering toe-met de Heilige Schrift vertrouwd,er in als doorkneed.Van krakeelen had hij een afkeer en aan een heftigheid als die van Datheen was hij gespeend.Toch-niet enkel vermanend en vertroostend spreekt hij zijne roeping is een andere.Hij is een reformator en daarom moest hij dan ook de deformatie der kerk in haar juiste omvang aantonen,zou het ooit tot een reformatie komen,geen rekening houdend met mooie theoretische beschouwingen,maar lettend op wat de praktijk des levens aanbood.

Wat met het oog allom werd gezien,met het oor gehoord,stellig heeft hij zich,(Gelijk ook wij ons herinneren uit`34 en`86)aan overdrijving schuldig gemaakt-de tijd zou dat evenwel corrigeeren-.

En-de tijd heeft gecorrigeerd,den blik verruimd.Het leven staat in het teeken van toenadering,nu geldt niet meer de vraag,waarin verschillen wij.Dat is van weerszijde met bewijs en tegenbewijs voldoende.(Zie hierover o.m.De Heraut van 7 mei 1905 nr.1427).

Neen,nu-bij den afval,bij het driester optreden van hen,die niet alleen met God en zijn dienst hebben gebroken,maar-die God haten-is het eisch om schouder aan schouder te staan in den strijd tegen de gemeenschappelijken vijand.

Toen was het evenwel anders en Arentz was,hoe zachtmoedig ook anders,genoeg kind van zijn tijd om de eischen van zijn tijd te begrijpen.Hij vermaande het volk dan ook de beelden af te nemen,die aan den wand en in de nissen aangebracht waren.

Hij doet dat met ernst en overtuiging.

De Gardiaan van het klooster,die ongemerkt onder de preek was binnengekomen popelde.Hij trilde van verontwaardiging als hij hoorde hoe Arentsz-begost toe blasschemiren op die belden-en dat sterkte hem tot eere,dat was in hem te looven!

Hij kan niet langer harden,maar dringt naar voren en moedig belijder van zijn geloof als hij is zal hij getuigen.

Ook hij beklimt daarom de kansel.

Jan Arentsz breekt zijn Reede af,treed bescheiden terug en laat gaarne den Gardiaan het woord die met vuur verdedigende woorden wijst op de sieraden en beelden aan Salomo`s tempel op Gods bevel aangebracht.

Het volk begrijpt echter deze preek met debat niet.

Er komt beweging onder de schare,geschuifel.Het wordt zelfs rumoerig.Een schreeuw luide:-Slaat dood den monnik!-.

Arentsz treedt nu evenwel bestraffend op en hij bezat macht in zijn woorden.Hij vermaant het volk zich rustig te houden opdat Gardiaan uit kan spreken,doch deze was weggegaan.En dat was jammer,want zoo werd hij de feitelijke aanleiding van wat er verder volgde.Zonder stoornis kan de prediker nu voortgaan.De kerk was uit.

Op het kerkhof wachte het volk op de predikant om hem uitgeleide te doen.

Hij toefde echter,toefde te komen.

De poort bleef maar gesloten.

Een zekere onrust maakte zich van den vrienden meester.Ze herinnerden zich het voorval van den Gardiaan en bezorgdheid voor den geliefden leeraar deed het geruchtgeloof vinden dat hij daar binnen geslagen,mishandeld werd.Het volk drong op.Stoere visscherlui en schippers beukten met reuzen vuisten voorpoort en vensters,luide kreten van ongeduld weerklonken.

Cranenburch en Broekhuyzen beproefden nog den menigten tot kalmte te brengen en gerust te stellen.Het mocht niet baten.

Den eerste,die als opzichter en curator der kerk,zeggenschap had,riep nu den Gardiaan toe:-Kom,sluit op!Ge ziet toch wel,dat het volk den predikant eruit wil hebben.Ze breken zelfs de deur nog open en slaan alles stuk!-.

Het was reeds te laat.

Langs den trans was men de kerk al binnen gedrongen en onder het rumoer en het heen en weer geloop der kinderen vielen en paar beelden af.

Dat was het sein tot een algemene vernieling.

Of Rensen,die inmiddels in de kerk gekomen was,al riep:-Halt,halt,burgers!Men zal`t ordentlick doen afnemen!-,wie stoorde zich daaraan.

In een oogenblik,zonder dat men eigentlijk wist hoe,lag alles tegen de grond.

Gerit Cranenburch en Wilt van Broekhuyzen,die naar huis wilden gaan,omdat ze wel inzagen,dat hun tegenwoordigheid hier nutteloos was,werden door iemand staande gehouden,die hun mededeelde dat het zoontje van de laatste zich in de kerk bevond.Broekhuyzen smeekte zijn vriend met hem terug te keeren om den jongen op te zoeken-wat hij deed-en hij kwam juist nog op tijd om een tafel te redden,die aan de wand hing.`t Was een lijst- van die doode en levendige koningin-.

Huib Bitter,had het voornemen die tafel te vernielen maar door de opmerking van Cranenburch-laat staan,Huib,want dat is schilderie!-bleef ze gespaard.

Trouwens niet alles werd vernield.

In den vorige nacht hadden Burgermeesteren door de stadsdienaars de ciboriën en andere kostbaarheden op`t Schepenhuis in veiligheid laten brengen,terwijl ook de broeders zelf,opmerkzaam geworden door de gebeurtenissen elders,reeds veel hadden afgenomen.

Wie waren het nu,die in Harderwijk stormden?Was het `t Grauw?Neen volstrekt niet.

Slechts een twaalftal mannen,onder deze Hendrik Haze,de waard,Johan Theusz,Mr.Wilhelm Barbier,Reinier van Speulde met zijn zoons Gerrit en Helmich.

Voor het meerendeel mannen uit geslachten,die zooal niet tot de regentenfamilie`s behoorende dan toch nauw aan dezen verwant waren,mannen wier namen in Oud-Harderwijk een goeden klank hadden.

Of daarom dit beeldstormen door ons wordt goedgekeurd?Zie daar een vraag,die spoediger gedaan is dan beantwoord.Wanneer het nu gebeurde,zouden we geen woorden scherp genoeg kunnen vinden om onze verontwaardiging uit te spreken.

We moeten echter de historie-feiten beschouwen in de lijst van hun tijd en vooral bij dit feit hebben we te letten op de omstandigheden die aanleiding gaven tot op de personen die deel namen aan en op de beoordeling van bevoegde tijdgenoten van deze gebeurtenissen.

Er was aan 1566 wat vooraf gegaan!

Bitter,bitter lijden.Wij kunnen daar echter niet verder op ingaan.

In de Broerenkerk was alles vernield.

Sommige beeldstormers,als Huibert Bitter en Haze en de Elburgers,wilden nu ook maar meteen de L.V.kerk gaan zuiveren.

Zij werden echter door Cranenburch en van Broekhuyzen tegen gehouden ofschoon het kruis en het Mariabeeld op het kerkhof al gehavend werden.

Toch,25-26 september moest ook zij het ontgelden.Een zeer interessante geschiedenis,die we –voor later eens-moeten bewaren.

Thans hebben we alleen nog te zeggen,dat Arentsz behouden uit het klooster kwam en nog denzelfden avond naar Amsterdam(moorddam  zooals het destijds om de vervolging genoemd werd)vertrok.

***************

Dit bericht was geplaatst in Verhalen bundel.

One Response to De beeldenstorm te Harderwijk(deel3)

  1. steebydopopay schreef:

    Bedankt voor een interessante blog

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Verplichte velden zijn gemarkeerd met *