De Botermarkt te Harderwijk.

 

Overveluws Weekblad, 13 juni 1885.

 

De Botermarkt te Harderwijk.

 

Onder de kleine Geldersche steden bezat Harderwijk in de laatste helft der Middeleeuwen het aanzienlijkst getal kloosters, kapellen en andere godshuizen. Vóór het jaar 1350 lagen eenige dezer stichtingen buiten de stadsgracht, tusschen de Groote- en de Smeepoort, totdat het krijgsrumoer gedurende de 15de eeuw, monniken en nonnen dwong om, ter meerdere beveiliging van leven en have, een rustiger verblijf te zoeken binnen het allengs sterker om walde gedeelte der stad.

Het grootste, en jarenlang het meest populaire godshuis, was dat der Franciscanen, met zijne vele bijgetimmerten en aanhoorigheden. Zijne bewoners werden door het volk Barrevoeters genoemd, omdat zij blootsvoets hunne tochten deden door de straten, en alleen bij zeer ongunstig weder gebruik maakten van ruwe lederen voetzolen, of sandalen.

Franciscaan

Ook werden zij wel om de grauwe pij, die ze droegen, in de wandeling grauwe broeders genoemd. Meer dan andere kloosterlingen sloten zij zich aan bij het volk en deelden zij, vooral in de eerste jaren, lief en leed der poorters. Daarom stonden zij zoowel bij de burgers als bij het stedelijk bestuur in hoog aanzien, temeer omdat zij ijverig medewerkten om den bloei dezer plaats te bevorderen en hunne milddadigheid en godsvrucht in tijden van armoede, veroorzaakt door misgewas, en van oorlogsgevaar, van algemeene bekendheid waren.

hardwijk plattegrond

Tal van eerbiedswaardige herinneringen uit de Vaderlandsche geschiedenis en die der kerk, zijn verbonden aan dat gedeelte onzer stad, ingesloten tusschen de Broeren ( het marktplein ), de Donkerstraat, de beek en de achtererven der woningen van de Wolleweverstraat, Zuid- Oostzijde. Een tamelijk hooge ringmuur scheidde den kloostertuin van den vestingswal.

Op de plek, thans ingenomen door het politiebureau en de varkenswaag, verrees ten jare 1339 een convent, dat zijn ontstaan dankte aan de milde hand van Hertog Reijnoud’s vrouw, Elenora van Engeland. Door de edelvrouw rijk begiftigd, werd het weldra een der machtigste kerkgoederen, want aan de zijde der genoemde markt ontving het eene vergrooting, die zich uitstrekte over de plaats, waar nu drie heerenhuizen staan, en eindigde in eene fraaie Kapel of Kloosterkerk, onze tegenwoordige boter- en eierenmarkt.

Eleonora en de graaf en de twee kinderen

Met die uitbreiding hield het grooter wordend getal Franciscanen gelijken tred, en maakte spoedig eene verruiming van het gesticht langs de Donkerstraat hoog noodig. Een deel van de markt achter de reeds vóór vele jaren afgebroken oude Stadswaag, werd omstreeks 1400 tot oud Kerkhof ingericht, daar de uitgestrekte doodenakker en het stuk warmoesgrond, achter het klooster gelegen, te klein van omvang dreigden te worden. Over het eerstgenoemde kerkhof leidde een voetpad, dat toegang gaf tot het bedehuis en alleen werd gebruikt door de leeken, daar Kapel en Klooster door een ruime, verwulfde gang waren verbonden en tot weg diende voor de Broeders, wanneer de klok van vroegmis of vesper hen naar het altaar riep.

Langs de Donkerstraat werden vele houten huizen weggebroken, om ook aan dien kant ruimte te maken voor de uitbreiding van de woning der Barrevoeters, terwijl ter hoogte van het tegenwoordige postkantoor een sterk gebouw van baksteen verrees. De hooge poort, de sierlijke gevel, de fraaie belijste boogvensters en het glinsterend leien dak, waarboven aan weerszijden een vijfhoekig, van kanteelen voorzien en goed bewapend torentje uitstak, dat alles maakte dien uitersten vleugel tot een sieraad van het geheel, terwijl het hertogelijk wapen, boven den ingang aangebracht, reeds de bestemming van die vergrooting der kloostergebouwen aanduidde.

Dat kasteel diende geruimen tijd tot verblijf van leden der vorstelijke familie, die, wanneer ze zich hier eenige weken of langer ophielden, gaarne leefden onder de monniken, deel namen aan de ommegangen en kerkelijke feesten en tot de trouwste bezoekers behoorden der Kapel. Eerst later behoorde het fraaie paleis uitsluitend aan de Geldersche Hertogen, werd gedeeltelijk bewoond door een kastelein ( slotvoogd ) en verder door de Stadhouders der Bourgondische vorsten.

Klooster en kloosterkerk zagen achtereenvolgens binnen hunne muren de edele stichtster van het convent met hare beide zonen; daar hield zich Mechteld, Hertogin van Gelre, eenige tijd op, toen ze op haren tocht door de Veluwsche steden ook hier als landsvrouw werd gehuldigd, terwijl de dappere Adolf, braver krijgsman dan zoon, er vaak verwijlde met zijne edelen. Maximiliaan van Oostenrijk werd eens onder het gastvrij dak der Grauwe Broederen geherbergd, en schonk aan de kerk een prachtig altaar, terwijl Alva,

Alva

de ijzeren Hertog, in 1568 eveneens zijn intrek nam in het klooster en in de kerk, onze boterwaag, lofliederen deed aanheffen voor den overgang des stad aan den Spaanschen Koning, en God nogmaals dankte voor de overwinning op het Geuzenleger bij Jemmingen bevochten.

Maar met klooster en kapel ging het met zoo menige oude en eerbiedwaardige stichting, nu bijna niets ons meer voor den geest terugroept, welke rol dat godshuis eens speelde in de geschiedenis der kerk en die van deze stad.

Alva had weinig voldoening van zijn werk, door het klooster rijk te begiftigen en de vroedschap te dwingen de kapel die door de beeldstormerij veel had geleden, geheel te doen herstellen.

In 1572 toch kwam Harderwijk, na een kort beleg, weer in de macht der Geuzen, de Franciscanen werden gevangen genomen, en vrijelijk plunderde men weder en verwoestte met ruwe hand, wat met zooveel zorg bijeengebracht, met zooveel kunstzin gespaard was.

Beeldenstorm1-340x462

Omstreeks 1600 begon men de gebouwen af te breken, de kerk echter slechts gedeeltelijk; haar stevig metselwerk, waarin de later dichtgemaakte vensterbogen en nissen nog duidelijk zichtbaar zijn gebleven, werd verder voor de vernielende werking van moker en breekijzer gespaard; en het gemeentebestuur bestemde in deze eeuw de plaats, waar door leeken en geestelijken zoo vaak het Gloria in excelsis Deo gezongen was, tot eene markt, of hal voor boter en eieren.

Kort daarna werd eveneens in den Raad besloten de antieke ruimte van den openbaren weg af te sluiten door een fraai, modern geveltje, wat echter uit een oogpunt van architectuur wel wat in strijd is met den middeleeuwschen bouwstijl van het inwendige.

Weinig van hetgeen Harderwijk aan ouds, aan eerwaardigs, aan belangrijks uit den ouden tijd bezat, is door het nieuwerwetsche wandalisme gespaard gebleven tot in onze dagen; want slechts de Vrouwekerk, het Waterpoortje op de Vischmarkt, het aardig academietorentje en enkel goed bewaard geveltje of gevelsteentje in eene achterbuurt, spreken nog tot ons uit een roemrijk verleden.

J.L. Boon.

Harderwijk, Juni 1885.

 

Dit bericht was geplaatst in Verhalen bundel.

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Verplichte velden zijn gemarkeerd met *