De broed mesjien

De broed mesjien.

****

“Mekeer je`t hier”.

“La mijn nou maar begaan”.

Wat ze toch idioot kijken kon,oogen om bang te worden.Niks had je an der,niks.Je mooie plannetjes dwarsboomen,plannetjes,waarmee je je dagen lang lekker had gemaakt,dat kon ze.Maar anders kon ze niks.Daar stond ze nou met den eigenwijze vinger aan der voorhoofd te punneken of 1e`t gekste ding ter wereld had uitgehaald.Begreep zoo`n mensch der wat van? Niks immers.Stom dat ie zich altijd nog an der stoorde…….

Kregel,met z`n figuur verlegen,ging ie an de tafel zitten,de open jas nog aan,het ronde hoedje onverschillig achterover op het hoofd.En z`n vrouw,de linkervuist in d`r zij gedrukt,keek naar`m met een minachtende grimmigheid.

Zoo`n vent,wat die toch mekeerde.Altijd wat en telkens weer wat anders.Nooit nou`s gezellig bij je komen zitten met`n krant of zoo,altijd maar prutsen.En wat dat nou weer was.Wat nou,`n mesjien,een mesjien om kuikens te broeien.Of ie zoomaar levendige kippen kon namaken,`t ging ommers niet.

En mokkend:

“Hê je geld teveel soms?Een broedmesjien,hoe krijgt ie het in je hersens?Doch ie nou wezenlijk,dat dat kon?Ze kenne jou net maar wijs make wat ze wille”.

“Zóó.zóó en of het ken.Och,mensch wat weet jij daarvan.Mo je`s an Jorem vrage,of dat ken.En Piet Wamel,die hét er ook een”.

“Smoessies”.

“Smoessies?Dat zel je zien,as het ding werkt.Wacht maar”.

Der stevige houding was ze nu kwijt,stilletjes ging ze aan het huishoudwerk.als Piet Wamel nu ook zoo`n ding had en het werkte werkelijk eens…….

Toen het ding `s avonds gebracht werd van het erfhuis werd ze weer stekelig.Dat een broedmesjien,die vierkanten houten bak?En een la der in.Daar kon Jan beter zijn halfhempjes in bewaren.En wie weet,wat ie der nou weer voor had betaald.Of zij geen moeite genoeg moest doen,om zuinigjes rond te kommen.Hij verbraste het maar.Wat had je der op zoo`n manier an.Of ie al niet naar de kroeg liep?Of al dat gepruts niet veel meer kostte.

Ze wou het ding niet langer zien,sjorde het handig naar het portaaltje achter.Goed voor brandhout.

`t Eerste wat ie vroeg,toen ie thuis kwam.

“De mesjien gekomme?”

Ze keek stuursch,zei niets,wees met het hoofd naar het portaaltje.Gehaast trok ie z`n jas uit,liet de kamerdeur aanstaan,zocht z`n nieuwe bezit.`n Koopje was het,het zag er nog goed uit.`n Daalder,het was geen geld.Makkelijk uit te staan als de krielkippetjes om je heen tippelen,tien,twintig,vijftig tegelijk.En jonge haantjes,om te braje.Brachten der geld best op.

Geneugelijk nam ie het ding op,kantelde het,keek er naar met stil welgevallen,begon al uit te leggen aan zijn vrouw,die net dee of er niks aan het handje was.

“Zie je,die la,daar gaan de eiers in.`k Wed wel honderd,as het  nie méér is.En die lamp hier……”.

Hij wees,beduidend,maar ze keek niet eens,dee net,of het háár niet aan ging.En toen zweeg ie opeens,gaf er de brui an,nijdig,de tijd zou het wel leeren,dat ie der geen miskoopje aan had.Over een week ging ie broeien.`t werd al wat zachter nou in de lucht,als de kuikentjes er waren konden ze in het voorjaarszonnetje op de bleek.`t Zou best gaan.

Overleggend in zichzelf,vergeten de mokkende vrouw,nam ie voorzichtig de broedmesjien op,om ze zoolang op zolder op te bergen.Zij,aan tafel,zat een stuk te zetten in z`n onderbroek.Heel wat nuttiger vond ze dan al die malle fratsen,die niks om het lijf hadden en maar geld kosten.Ze hoorde stommelen boven.Wat ie der nou an scharrelde en sjorde.Of ie het verborg?Voor háár part.`t Geld was wel weg,maar het bleef er dan bij.

Toen ie weer beneden was,zei hij niets op zijn beurt,maar zij wilde het goed maken ,nu,het ding was nou immers weg,zei stroef,maar zei dan toch:

“Wanneer denk ie dat sigarenkassie klaar te heggen?Ze zijn strakkies weze vrage”.

En hij,bang om de tegemoetkoming te miskennen,dan hield dat gezanik nooit op-Stroefde terug;

“`t Is zoo klaar,`t eene deurtje sluit nog niet best mot`k nog wat afschure.Ken`k nou wel effe doen”.

En weer stommelde Jan de trap op naar zijn zolderwerkplaatsje,waar zijn bulletjes lagen.`t Gereedschap van vroeger,toen ie timmerman was bij zijn vader.Nou was ie bode op het stadshuis,zoogemeend meneer.Makkelijker geld verdienen.Maar het knutselen,daar hield ie liefhebberij in.Met het kastje kwam ie naar beneden.

“Zóó,kom ie me gezelschap houe?”zei ze wat vriendelijker.

“Dat beetje ken`k hier wel doen,het spaart licht”.

En toen,langzaam,in beider bezigheid,kwam de gezellige kamerstemming,die hun saam-zijn veraangenaamde.

Boven,in het donker,stond de doode broedmesjien.

Maar Jan vergat zijn koopje niet.`t Werd wat milder buiten en ie vond,dat het nou zoo zoetjes an tijd werd voor de broeierij.Piet Wamel had`m aan een geschikt adres voor eieren geholpen en nou kon ie ze elk oogenblik verwachten.Tegen zijn vrouw sprak ie maar in korte zinnetjes over het naderend werk.D`r oordeel had ie niet nodig,dat wist ie al.Als er jonge kuikentjes in bosjes bij mekaar gedrongen,gezelligjes piepten,dan zou ie ze overtuigen van zijn goeien kijk.Vóór dien tijd moes ze maar in d`r sopje gaarkoken.

“D`r kenne eiere voor me komme vandaag,je hoeft ze niet te betale”,zei ie onder het weggaan.

“`k Zal wel wijzer weze”,bromde ze`m na,maar hij hoorde het niet,ging reeds in deftige pasjes naar het stadshuis.

Ze deed niet erg vriendelijk,toen de eieren kwamen,bracht ze verstoord naar de keuken.Even tellen toch.Zestig.Zonde en jammer.Zoo`n man.Toch gauw voor een drie en een halve gulden.`t Was nogal niks.Drie en een halve gulden!Daar had ie een nieuwe Zondagschen hoed voor kunnen hebben.Drie en een halve gulden!Daar betaal je tien weken lang fondscenten van.Maar afijn,hij mos het wete.

Ze zei er maar niet al te veel van.

`t Hielp toch niet,`t was boter aan de galg.

Toen ie s`middags thuis kwam,voorkwam ze z`n vraag,om gewoon te schijnen:

“D`r staat`n mand met eieren in de keuken,`n uurtje geleden gebracht”.

“Goed.Kenne we dadelijk ete,dan breng ik`t nog in orde voor`k naar bureau ga”.

Onder`t eten spraken ze niet over de broedmesjiene.Och,waarom zou ie`t nou weer an de gang maken,ze was nou goed.En ze had`r nou eenmaal`n hekel an.Over een paar weken,als ie kuikentjes had,zou het wel beteren.Dan kreeg ze haneboutjes en kippesoep.

Bij Piet Wamel had ie het zaakje bestudeerd.En het was een gebruikt mesjien,het zou dus best gaan.

`t Broeien kan boven wel gebeuren,op z`n werkplaatsje.En een kuikenren voor het bleekje was gauw genoeg gemaakt.

Voorzichtig bracht ie het zaakje in orde,de teere eieren in z`n nog pootige handen,de lamp die een breed uitslaande vlam had.En geduldig wachtte ie of de thermometer de temperatuur al had…….`t Zou best lukken.Alleen de lamp,die was vervelend,die moest telkens worden bijgevuld.Als Ka dat nou wou doen.Zij was nogal goed gemutst de laatste tijd……`t Was haast je rep je ,om op tijd op z`n bureau te zijn en haastig kwam ie van de zolder.

“Ka,het boeltje is klaar.De lamp brandt.Als jij nou`s een oogje op het vulle hield?Dat ken jij beter,je bent het meer gewend….”.

Hij paaide ze met een vlijerijtje.En zij,goed geluimd.

“Als het anders niet is,dan loopt het los”.

“Maar zorg ie d`r voor,dat ie steeds an blijft?”

Ze knikte maar even en toen schoot ie al voorbij het raam,zijn jas nog toeknoopend.Nieuwsgierig ging zij toch even naar boven,kijken naar het gedoe.Daar stond de bak.En de lamp brandde met breed-ronde vlam.D`r bewoog niets,alles bleef stil.En toen opeens vond ze het weer vreemd wat d`r man dee.

Wat mal,mos nou die lamp doen,wat anders een kip dee?Larie.Kon immers niet.En die waterleidingsbuis,daar moste die kuikens zeker door drinke.`t Was om te lachen,`t was om je dood te lachen,zoo`n ezel!Anders zoo plender,maar nou had ie zijn eige toch lelijk d`r tusschen laten nemen.En al die kostelijke olie,dag en nacht branden.Gekheid.Dat koste je minstens twee kan op een dag.Twee kan,achtien centen.En d`r kwam toch niks van.

Toen Jan thuis kwam,ging ie gauw`s eve kijke.Alles stond nog net eender als toen ie wegging.Rustigjes maar laten staan,rustigjes drie weken.Alleen zoo van tijd tot tijd maar`s luchten.Beneden wachtte zijn vrouw.Schijnheilig:

“Geef mij nou elke dag maar achtien centen,dan zorg ik wel voor de olie”.

“Goed,hier heb je ze voor morge”.

Hij was er mee in zijn schik,dat zijn vrouw zoo was bijgedraaid.En iedere morgen voor ie nog uitging om de brieven te halen vulde ze de lamp.`t Gaf`m vertrouwen dat zijn broeierij goed werd behartigd.

Maar elken dag,`s morgens van kwart voor negen tot kwart voor twaalf en `s middags van kwart voor twee tot kwart voor zes stond de broedmesjien op een lekker voorjaarstochtje van`t zolderraam,zonder vlam in de lamp.

Al vier weken waren verloopen en de eieren lagen even stil nog naast elkaar gerijd.

Jan werd er zenuwachtig van.

“ `k begrijp er niks van,jij?”

“Net wat ik je gezegd heb.Hoe kan dat nou ook,je hebt je laten bedotten,wat ik je zeg!”

Den dertigsten dag ging Jan voor het laatst kijken boven.Mistroostig trok hij de la open.

Niets,allemaal dood-wit.Als versteend.

Toen blies ie de lamp uit,de lamp,die dertig dagen lang z`n kostelijke olie had verstookt.Dertig dagen en dertig nachten….

De eieren gingen naar de vuilnisman.En Piet Wamel werd niet meer aangekeken.

“Niks gedaan,Ka,zoo`n broedmesjien”.

“Heb ik het niet gezegd?”Maar Natuurlijk,Ka wist het niet.

***************

 

 

 

 

Dit bericht was geplaatst in Verhalen bundel.

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Verplichte velden zijn gemarkeerd met *