De gemeente Ermeloo.

 

Iets, betrekkelijk de

Gemeente Ermeloo

En de zeden en gebruiken haren inwoners.

( met afbeeldingen)

 

De gemeente Ermeloo – oudtijds Irminloo ( in een giftbrief van het jaar 855 wordt zij onder de bewoonde plaatsen op de Veluwe Irmin- lo genoemd, misschien zooveel als Hermansbosch)- in de Over- Veluwe, grenst ten noorden aan de gemeente Harderwijk, ten oosten aan de gemeenten Apeldoorn, Doornspijk en Epe, ten Zuiden aan die van Putten en Garderen, en ten westen aan de Zuiderzee. Zij wordt door eenige beken doorsneden, welke tot afleiding van regenwater dienen, en tevens eenige papiermolens in beweging brengen. De grond is van onderscheiden hoedanigheid: de hooilanden aan de zeezijde zijn van eenen eenigzins kleiachtigen aard; het overige is zandgrond, ten deele voor de kultuur geschikt, ten deele met heide begroeid, die tot plaggen en  schapenweiden gebruikt wordt. Ook vindt men er zandverstuivingen en heuvelen, die door den wind ginds en herwaarts verlegd worden, vaak tot niet geringe schade van de nabijgelegene landerijen en houtgewassen. De voortbrengselen bestaan in boekweit, rogge, aardappelen, klaver, beestenvoeder, groenten en een weinig boomvruchten. Bijna een vijfde gedeelte der gemeentegronden is met akkermaalshout en opgaande boomen beplant. Er worden geene paarden aangefokt; de grasgrond wordt verbruikt door hoornvee en door de schapen, waarvan hier onderscheidene talrijke kudden gehouden worden.

De voornaamste takken van nijverheid zijn landbouw en papierfabrijken; er wordt geen andere handel gedreven, dan in de voortbrengselen van den grond en in de schapen en kalveren, welke laatste door de inwoners met melk vergemest worden.

De gemeente bestaat uit het kerkdorp Ermeloo, nevens de buurschappen Leuvenum, Staveren, Speulde, Houtdorp, Veldwijk, Telgt, Horst en Tonsel.

Bovendien behooren tot deze gemeente nog twee kerkdorpen, namelijk Nunspeet en Elspeet, met de gehuchten Drie, Hoophuizen, Hulshorst, Oostende, Vierholten, Westeinde en de Zoom, uit verspreide boerderijen en daghuurderswoningen bestaande, welker bewoners in hout, wol, honig, was en boter handelen; terwijl sommigen een gedeelte van het jaar in de bosschen en op de heide werkzaam zijn. De geheele oppervlakte der gemeente beslaat 2043 bunders, met 584 huizen, 751 huisgezinnen en ruim 4600 inwoners. De reiziger vindt in deze gemeente een schoon en vruchtbaar land. De bekoorlijke afwisseling van natuurtooneelen, de schilderachtige ligging der drie onderscheidene kerkdorpen met hunne gehuchten, de ongelijkheid van den grond, vooral aan den kant van de duinen en heidevelden, met een statig woud of schaduwrijk geboomte afgewisseld, dit alles, gevoegd bij de blijkbare werkzaamheid en welvaart des landbouwers, plaatst deze streek in een aangenaam en voordeelig licht.

Moge al de reizigers over den Zuiderzeeschen straatweg hier het bekoorlijke missen, dat hem een togt over de Veluwe aanbiedt: wanneer hij acht wil geven op oorspronkelijkheid van zeden en gewoonten, dan staat dit gedeelte van Gelderland voor hem met ieder ander ten minste in gelijken rang.

Wij willen met het noordelijkste gedeelte, bij het dorp Nunspeet, beginnen, om door het oosten, zuiden en westen terug te keeren.

Het kerkdorp Nunspeet, dat 105 huizen en 641 inwoners telt, heeft enkele sierlijke en moderne gebouwen, waaronder de Groote Bunte, Veldzigt, het schoolgebouw, het ambtshuis en meer andere in het oog vallen; eene katoenfabriek, in 1838 gesticht, waar negentig werklieden aanhoudend arbeid vinden, en wekelijks 200 stukken katoen geweven worden; en eene hervormde kerk, blijkbaar herkomstig uit de elfde eeuw, echter later meermalen vergroot en naar de tegenwoordige behoefte ingerigt.

Bij de beschouwing van de kerk en den toren blijkt, dat het oudste gedeelte bestaat uit den toren, waarvan de beide onderste verdiepingen, tot even boven de vorst van het kerkdak, in den Byzantijnschen stijl, met rondbogen en gekanteelde waterlijsten zijn gebouwd; de bovenste verdieping is van eene latere bouworde, en voorzien van eene sierlijke, buitengewoon hooge spits. In deze verdieping zijn twee klokken met een slaguurwerk en uurwijzerbord.

kerk 1

Het oudste gedeelte van de kerk vormt een langwerpig vierkant, met gladde muren zonder steunbeeren en van drie rondboogvensters voorzien. De kerk was toen in het oosten gesloten. Eene vergrooting, in den nieuwgotischen stijl, heeft plaats gehad in het jaar 1540; het koor daarvan is driezijdig gesloten en met een steenen gewelf gedekt, terwijl de lichtopeningen in den puntboogstijl, van ranken vorm, voorkomen, en de buitenmuren hier met steunbeeren zijn versterkt. Een aanbouw aan de noordzijde, in den moderne trant, had plaats in den aanvang dezer eeuw, en eene vergrooting aan de zuidzijde in 1848, zoodat de kerk thans een kruisgebouw vormt.

De eerste predikant werd in 1592 aangesteld.

De geaardheid en zeden der Nunspeters verschillen aanmerkelijk, naarmate van de plaatselijk ligging der onderscheidenen buurschappen. Hier, in het hoofddorp, zijn de ingezetenen meestal kooplieden, winkeliers, ambachtslieden enz., of ook in onderscheiden betrekkingen geplaatst: daarbij zijn sommige huisgezinnen van buiten ingekomen, en oefenen door hunnen omgang noodwendig op de andere standen velerei invloed uit: daarom neemt men hier ook onder de ingezetenen een geheel anderen geest en andere gebruiken waar, dan in de overige gehuchten en buurschappen, waar rondheid, gulheid en al het stijf eenvoudige en eigenaardige van den boerenstand gevonden wordt. Over het algemeen echter kan men den inwoners den lof van hupschheid, vriendelijkheid en beschaafdheid niet ontzeggen.

Volksvermaken en landelijke feesten zijn hier vreemd. De landbouwende ingezetenen, die in het zweet huns aanschijns aan de aarde hare vruchten moeten ontwoekeren, hebben hunnen tijd niet veil voor genoegens, welke daarboven veelal buiten ’t bereik zijn van de zoodanigen, die zich weinig meer dan het noodzakelijke levensonderhoud kunnen verschaffen.

Er bestaan echter eenige volksgebruiken en vermakelijkheden, die wij, zooveel mogelijk, naar volgorde zullen beschrijven.

Op oudejaars- avond gaan eenige jongelingen vereenigd de buurten rond, hetgeen Brü- pot- reuren genoemd wordt, zijnde mogelijk een overblijfsel uit vroegere dagen, toen men gewoon was om op oudejaars- avond eene bijzondere soort van meelbrei te koken, welke gewoonte echter niet meer bestaat. Zoo als gezegd is, trekt men evenwel thans op dien tijd de buurten nog rond, om bij bekenden den Brü– pot te reuren. Dit bestaat hierin, dat men, bij hunne woning, zich voorziet van een buitengewoon grooten steen, die daar het eerste voor de hand ligt; daarmee gewapend, begeeft men zich ongemerkt tot de voordeur en roept:

“Ik reur de pot van alle kaent,

Dat ze toch neet aen en braent!”

Waarbij men tegelijk den steen met alle kracht tegen de voordeur bonst, totdat de deur openspringt of uit hare hengsels geligt wordt; waarop de daders zich echter dadelijk verwijderen en met de overigen de vlugt nemen. Gewoonlijk zijn de binnenwonende er op bedacht en op hunne hoede, en plaatst zich een der huisgenooten heimelijk buiten de deur, met eenen emmer vuil water of aalt, om den Brüpot- reurder daarmede te begieten, en heeft hij daarbij het geluk om dezen in handen te krijgen, dan wordt hij in eene hooimand gebonden, binnens’huis gebragt, en, met deze mand, aan een touw in den schoorsteen aan den haalboom opgehangen, in plaats van een brüpot. Dit bedrijf duurt tot middernacht, als wanneer gewoonlijk vóór de huizen met het pistool geschoten en hierop aan de kennissen een gelukzalig nieuwjaar toegewenscht wordt.

In de maanden Januarij, Februarij en Maart, maken de vrouwelijke dienstboden gebruik van hare spinneweken, waarin zij hare toebaat, bestaande in eene hoeveelheid van vlas en wol, mogen spinnen, en alsdan begeven zij zich meestal, met haar spinnewiel en vlas of wol, naar hare bekenden, om daar spinnend een bezoek af te leggen, en tevens den tijd genoegelijk door te brengen. Ook de gehuwden brengen elkander bezoeken, onder den naam van spinningen bekend, en wel reeds om half elf des voormiddags; zij worden dan onthaald, eerst op koffij en kroggeboterhammen, om één ure op den middagpot met rijstenbrij en suiker; om twee ure komt de thee met een steek of klontje, en om zes ure wederom koffij met kroggebrökies; waarna ieder bezoeker wel verzadigd huiswaarts keert.

In April beginnen de bezoeken, ook onder den naam van spinning, voor de jonge meisjes; deze nemen, even als de genoemden, om half elf een aanvang; men brengt den dag door onder praten, schertsen, zingen en het vervaardigen van zoogenaamde naoden, of tusschenzetsels in kussensloopen enz. , welke kunstig met ruitjes en figuren worden uitgenaaid.

Van die spinningen zijn de jongelingen veelal bij tijds verwittigd; zij gaan er om zeven ure insgelijks heen, hetgeen haspelen genoemd wordt. Elk hunner voegt zich dan bij het meisje, dat hem het meest behaagt, plaatst zich zoodanig op de helft van haren stoel, dat aangezigt tot aangezigt nadert, en, na zich nu met haar eenige oogenblikken onderhouden te hebben, begint een spel, waartegen eene met eelt begroeide hand het best bestand is. Allen namelijk, die een meisje aan hunne zijde hebben, plaatsen zich in eenen kring, terwijl de jongelingen, die overblijven, eene bos stroo ( dakstroo) in den arm nemen, en er op bedacht zijn om zich spoedig, door tusschenkomst van den Plakhouder, die met een houten potlepel gewapend is, in het bezit te stellen van een meisje. De plakhouder namelijk is met de taak belast, om, door middel van zijn plak, de gehechtheid der jongelingen aan hunne schoonen op de proef te stellen. Zoodra allen geplaatst zijn en er reeds meermalen gezoend is, begeeft de plakhouder bij de jongelingen met de dakbossen, om hunne begeerte naar het een of ander meisje te vernemen, dat in het bezit is van een der jongerlingen in den kring. Naauwelijks is het hem aangewezen, of hij begeeft zich naar den bedoelden jongeling en vraagt: “zit ü wel? Omruilen of slaoge?” Is deze niet bijzonder op zijn meisje gesteld, dan doet hij, zonder de kracht van den potlepel te ondervinden, afstand van haar, en plaatst zich op zijne beurt met een dakbos in den kring. Is hij echter niet genegen om aan den eisch te voldoen, dan moet hij dit door eene handplak boeten, en moet hierop echter eene tweede of derde opeisching volgen, dan wordt hij door gevoelige slagen tot den afstand genoodzaakt, en de jongelingen verwisselen alsdan van plaats. Dit spel noemt men wellepaoren. Tot elf ure blijft men zich hiermede vermaken, zonder dat er koffij, sterke drank of iets anders gebruikt wordt; waarna het wellepaoren een einde nemmt, en ieder jongeling zijn meisje naar huis geleidt.

Somtijds wordt bij maneschijn dit spel nog opgevolgd door het dansen in eenen kring hand aan hand, hetwelk genoemd wordt Rozenbloemen, en waarbij dan het algemeen bekende liedje gezongen wordt van:

“Daar ging een patertje langs den kant,

Hey’t was in de Mei.”

    Op paaschmaandag wordt het middagmaal gehouden met eijeren en eigengebakken krentenbrood; daarna begeeft zich het jonge volk naar de Paaschberg, een duinheuvel, en verzamelt de noodige brandstoffen, om op den kruin van die hoogte een paaschvuur te stoken.

Soms en op verschillende tijden worden ook Bee- bieren gegeven, door de zoodanigen, die landerijen in gebruik hebben en geene paarden houden; deze begeven zich namelijk ter bee bij hunne buren, om eenige voeren mest op hun land te leveren, of om het noodige ploeg- en veldwerk voor hen te verrigten; zij, die hieraan voldoen, worden na den afloop van het werk verzocht op een Bee- bier. De genoodigden, bestaande uit man, vrouw en kinderen van elk der bedoelde huisgezinnen verschijnen dan om half elf bij den gastheer, en worden eerst op koffij met krogge ( stoete) onthaald; om één ure verschijnt de middagpot en rijstenbrij met suiker; om twee ure thee met een steek, en om zes ure almede koffij met kroggestoete; waarna de genoogdigden voldaan en verzadigd heengaan. Na hun vertrek komen ook nog de huwbare jongens en meisjes, en vermaken zich tot elf ure met de beschrevene spelen van Wellepaoren en Rozenbloemen.

In de boerderijen, die aan den heidezoom gelegen zijn en eene kudde schapen houden, is het Schaapscheren of de zoogenaamde Schaapskermis in de maand Junij een der grootste feesten. Hiertoe worden alle bekenden van heinde en ver genoodigd, die met vrouwen en kinderen, op volgepropte wagens, in grooten getale, reeds vroeg in den morgen komen aanzetten. Het jaarlijks schoonmaken der woning heeft voor dezen feestdag alles gespaard en geschuurd; de ronde opslagtafels worden op nieuw geschilderd, en de boerenwagen, die de wol naar de Veenendaalsche wolmarkt zal overbrengen, ontvangt mede een verfje; de muren zijn hemelsblaauw gewit, zoo als zij zeggen, en alle schotels en telders, welke die versieren, van stof en vuil gereinigd. Ook zullen zij dien middag alle gebruikt worden, eerst voor stokvisch met aardappelen, en daarna voor de hooggeroemde rijstenbrij met suiker.

De buren, die de schapen van hunne wol hebben helpen ontlasten, verschijnen reeds vroeg, om vijf uren in de morgen, en vangen hunnen arbeid aan, na eerst het Vroe- köpien, of een slap kopje koffij, genuttigd te hebben; om zeven uren gebruiken zij boekweiten pannekoeken met spek, en een slokje jenever; terwijl de andere gasten omstreeks tien ure aankomen en het feest van dien dag met koffij en kroggebrökies beginnen. Tegen den middag verschijnt soms de landheer met zijne familie, en wordt, even als de vroegere gasten, bij zijne komst, door den gastheer met den zilveren of tinnen brandewijnskom – rijkelijk met suiker en rozijnen gevuld – waarin een zilveren lepel steekt verwelkomd. Het middagmaal geschiedt bij deze gelegenheid gewoonlijk in twee tempo’s, dewijl alle gasten niet tegelijk kunnen aanzitten; eerst bij het tweede maal zitten de huisgenooten en helpende buurvrouwen aan. Na de middag wordt nog eens thee met een klontje gebruikt en tegen zes ure beginnen de verst af wonende gasten, geheel verzadigd van spijs en drank, met loomen tred naar hunne woningen op te trekken.

Over de gebruiken bij het vrijen alhier is niet veel te melden: alleen dit, dat de jongeling weinig omgang met zijn meisje heeft, haar nimmer aan haar huis bezoekt en alleen op kermis, spinningen en bee- bieren met zijne aanstaande vrouw bekend wordt. Van hier dan ook de gewoonte, dat, op de Nunspeter kermis of de Elburger beestenmarkten, huwbare meisjes, hand aan hand, al huppelende en zingende, naar de herbergen gaan, waar sommigen hare vrijers aantreffen, en andere er op uit zijn, om vrijers te bekomen.

Met de Nunspeter kermis, die in September invalt, gaan de huisgezinnen der omliggende buurten reeds te negen ure naar hunne bloedverwanten of bekenden in het dorp; later begeeft men zich gezamenlijk naar de herberg, waar wijn gedronken en een dans van eigen vinding uitgevoerd wordt, waarop de ouderen van jaren gewoonlijk te zes ure huiswaarts keeren. Om elf ure komt het jonge volk, vrijers en vrijsters, in de herberg bijeen, om met dansen, zingen en vrolijk zijn den nacht tot den morgenstond te vier ure door te brengen; gewoonlijk wordt bij die gelegenheid door de verloofden de tijd van het huwelijk bepaald, of worden ook wel nieuwe betrekkingen aangeknoopt, die een huwelijk ten gevolge hebben.

Op Kerstavond wordt in ieder huisgezin het motholl opgeschommeld. Dit bestaat in het gebruik, om de appels, die ieder voor zich geborgen heeft en die tot dezen tijd en voor dezen feestdag bewaard werden, voor den dag te halen, en onder elkander te verdeelen; waarop deze dan, hetzij in de asch gebraden, of raauw genuttigd worden.

De mate van gegoedheid der ingezetenen maakt geen verschil in de levenswijze. Voor allen is, zoo als schier overal, om twaalf ure het middagmaal. Vroeg is men des morgens, na het gebruik van het Vroe- köpien, aan het dorschen. In den drukken tijd van het mestvoeren, wordt om zes ure pannekoek gebruikt, om acht ure het ochtendmaal, bestaande uit koffij en krogge- boterhammen, of brii-melk, om elf ure koffij, om half zes koffij met eene boterham, en om acht ure brii- melk of andere meelspijs, waaruit meest al het voedsel bestaat; verder verschijnen op den disch spek en vleesch, aardappels, wortels, knollen, erwten, boonen en groenten. De drank bestaat in water, karnemelk en een slap aftreksel van koffij of van gebrande gerst.

Bij den daglooner, die zich geen boter kan verschaffen, wordt veelal een mengsel van gekookte aardappelen met harde eijeren op het roggebrood gesmeerd.

Bij dit alles hebben de inwoners een zeer goed en gezond voorkomen en schijnen in vele dingen hunne Friesche afkomst te verraden. De spraak komt het meest met den Twentschen tongval overeen, en klinkt zacht en aangenaam. Buiten de verbastering, die men in Gelderland schier overal aantreft, levert zij echter niets bijzonders op.

De kleding der boeren is eenvoudig en niet kostbaar: ook hierin bespeurt men geen merkelijk onderscheid tusschen de meer- en de minvermogenden. – De boer heeft het hoofd gedekt met een ronden hoed; zijne kleeding bestaat overigens uit een donkerbruin of grof zwart lakensch buis, gevoerd met blaauwe baai, alsmede de kraag omgeslagen; een broek van dezelfde stof, die tot op de enkels reikt; een zwart lakensch vest met overslag en twee rijen knoopen. Om den hals draagt hij een rood bonte das; zijne hemdskraag is met twee gouden knoopen onder den hals vastgemaakt. Zwarten wollen kousen en hooge schoenen, met groote, vierkante, zilveren gespen voltooijen zijne dragt. Bij trouw-, doop- en begravenisplegtigheden is de kleeding van zwart laken, bestaande in vest, korte broek met kuitgespen, en jas met twee rijen van negen knoopen en zeer lange panden, die tot de enkels neer hangen, benevens een witten halsdoek, waarvan de punten zich kruisen. – De kleeding der vrouwen heeft meer eigenaardigs. Zij dragen eene witte kamerdoeksche, ronde trekmuts met gladde kanten strook, over eene roodbonte tipmuts, met een laget- strook, die door een zilveren oorijzer omsloten wordt, waarvan de gouden stiften, in de vorm van kurkentrekkers, op den wang tusschen de beide mutsen tevoorschijn komen. Een roodgeruite Zwitsersche halsdoek, over een wit katoenen onderdoek, hoog aan den hals toegespeld, wordt onder het jak gedragen. Het jak is van donker groene sergie, of, in den zomer, van paars bont katoen, van achteren met eene punt en van voren heel laag uitgesneden, waaraan een lange schoot (mantel) met platte plooien. De rok is van gestreept zelfgereid, gewoonlijk zwart en blaauw. De voorschoot van zelfgereid, zwart wollen stoffe, met een blaauw friesch bovenstukje en van achteren met een groen lintje gebonden. Zwarte wollen of sajetten kousen en lage schoenen met kleine ronde gespen bij de bejaarden, en groote zilveren vierkante gespen bij het jongere geslacht, maken het schoeisel uit. Op zijde dragen zij een zilveren beugeltas, waarin zich een aolderijns- deusie bevindt, gevuld met een spons, met eau de la reine bevochtigd.

Nunspeet 2

Bij trouw – en doopsfeesten is de kleeding geheel zwart, met een zwart merinossen voorschoot zonder bovenstukje, van voren met een zwarte zijden lint in eenen strik gebonden. Bij begrafenisplegtigheden is de kleding hieraan gelijk, met deze uitzondering, dat dan een zwarte of blaauwe schorteldoek met een donker bovenstukje wordt voorgedaan. In beide gevallen echter wordt een witte doek met zeer breede zoomen over het jak gespeld.

Een groote ronde stroohoed, van binnen met zwartgrond chits gevoerd, dekt het hoofd voor zon en regen. De jonge meisjes dragen thans echter stroohoeden van eenen kleineren vorm en nieuwerwetsch fatsoen met blaauw zijden lint versierd, die den naam dragen van petje of kipse.

In den rogge- oogst, bij het binden der garven, dragen zij de zoogenaamde bindmouwen, bestaande in een buis van rijlinnen, en een rijlinnen schorteldoek. Een regenkleed, bestaande uit een vierkanten, drie ellen langen lap van zwart sergie- de- dame of grein, met twee zilveren sluithaken voorzien, wordt bij nat weer over de gewone kleeding als een mantel omgehangen en van voren met gemelde haken gesloten.

Wanneer er in het huwelijk zal getreden worden, krijgen de bruidegom en de bruid een geheel nieuw pak zwarte kleederen, zooals hier voor is beschreven.

De huwelijken worden over het algemeen in de kerk ingezegend.

Bruiloften worden niet meer gevierd, doch, geeft men eenen maaltijd, dan brengt elke gast den jonggehuwden een bruidsgeschenk mede. Hetzij nu dit geschenk eenig nuttig huismeubel, of een voorwerp van weelde uitmaakt, alles wordt even dankbaar aangenomen en beschouwd als een bewijs van toegenegenheid, hetwelk den jeugdigen echtgenooten nog jaren later herinnert, hoevele menschen deel namen aan hun vreugdefeest en belang stelden in hun lot.

Bij de geboorte van een kind, komt eene van de geburen, die zelve nog een kind te zogen heeft, en neemt aanstonds na de bevalling den jonggeborene voor een of twee dagen mede naar huis, ten einde de kraamvrouw eenige rust te bezorgen. De vroedvrouw wordt hier het leleke wiif, of ook wel wiesemoer, genoemd. ( Ten blijke dat de Franken hetzelfde woord hadden, toen zij Gallië veroverden, kan dienen, dat zij het woordelijk vertaald hebben, Femina saga, verbasterd in femme saga. )

Merkwaardig is hier nog, dat men bijna in iedere boerenwoning eenen koperen doopschotel, uit de vijftiende en zestiende eeuw herkomstig, bewaart, die thans, als pronkschotel, blank geschuurd, en met de afbeeldingen van Josua en Kaleb ( als zinnebeeld der vruchtbaarheid en huwelijkstrouw )  – of, met Adam en Eva ( het zinnebeeld der erfzonde), tusschen de blaauwe porseleinen schotels langs den wand prijkt. Daarbij wordt hier de familie- of huisbijbel overal, als in vroegere dagen, op hoogen prijs geschat en blijft nog bij allen de bron van stichting en troost.

Veertien dagen of drie weken na de bevalling wordt er nog soms een wiiven- maol gegeven. Bij deze gelegenheid komen de genoodigde vrouwen, soms met twee, drie of vier kinderen bij zich, ten tweeuren aan. De gasten worden onthaald op koffij, krogge, platte beschuit, kaas, brandewijn, met suiker en rozijnen, uit een brandewijnskom. En nu stelle men zich de drukte voor, welke dit veroorzaakt, als een aantal boerinnen met haar kinderen te zamen zijn op den heerd, het soms niet zeer ruime vertrek, waar het boerengezin gewoonlijk zijn verblijf houdt!

Daarbij wordt het “kraamkindje”, dat gekleed is met een bont chitsen mutsje, met blaauw zijden lint omboord, over een wit plooimutsje heen, in het pak gehuld – ter bezigtiging van de eene hand in de andere rondgedragen. De vrouwen praten zeer drok over hare kinderen, elk prijst hare eigene om het zeerst. Na nog eens even uit de brandewijnskom geproefd te hebben, begeeft zich het gezelschap om zeven of acht ure vrolijk huiswaarts.

Bij sterfgevallen wordt daarvan dadelijk aan twee of drie buren kennis gegeven, die het berigt verder aan de anderen buren overbrengen. Dadelijk daarop komen twee der naaste buren naar het sterfhuis, alwaar men den doode ontkleedt en hem zijn gezigt en handen gewasschen worden. De vrouwen krijgen eene gewone vrouwenmuts tot hoofddeksel; dat der mannen bestaat in eene halve servet, welke op de wijze van eene slaapmuts toegenaaid wordt. Daarbij wordt de doode met een schoon hemd gekleed en op stroo gelegd. Wanneer de kist nog dien eigen dag aan het sterfhuis is bezorgd, verschijnen dezelfde buurvrouwen des avonds nogmaals, om het lijk van het stroo in de kist over te leggen.

Daarop wordt, twee dagen vóór de begrafenis, door een der buren het zoogenaamde groeve neugen bewerkstelligd. Op den bepaalden dag verschijnen al de genoodigden, met het geheele huisgezin, oud en jong. Daarna komen twee der buren, ligten het deksel der kist op, ten einde de doode nog eens kan worden aanschouwd; hierop wordt de kist met drie houten pinnen toegeklopt en op een paar bossen stroo in den boerenwagen gezet. Deze is zonder achterhek, bespannen met langspan, terwijl de voerman zonder zweep moet rijden. Boven op de kist plaatsen zich drie of vier der naaste bloedverwanten; deze zijn in rouwkleederen, en daarboven is de witte muts met een zwart krippen kapje overtogen, waarbij het zwarte regenkleed tevens wordt omgehangen. Zoo gaat de trein om twee ure des namiddags, gevolgd door de mannelijke erfgenamen, bloedverwanten en vrienden in rouwgewaad, twee aan twee, achter den wagen, met lange lamfers aan de hoeden, grafwaarts. Heeft echter de begrafenis vroeg in den morgen plaats, dan vervallen het langspan paarden en het medegeleide der vrouwen op de kist.

Dadelijk na de uitvaart zijn de buren drok in de weer, om de tafels, bestaande veelal uit eene wagenplank, onderschraagd door braken, met de zittingen, waartoe ook de stoelen der geburen voor dien tijd in beslag genomen worden, in gereedheid te brengen. De maaltijd, of ’t zoogenaamde Groeven- maol, is eenvoudig en niet zeer kostbaar, bestaande in koffij met kandijsuiker, daarbij groevebollen of Poffen met boter en kaas, en somtijds ook dik bier.

Na den maaltijd trekken de genoodigden dadelijk af, en er wordt dan voor de buren opgedischt.

Gedurende zes weken moeten de overgeblevene echtgenoot en kinderen in zwaren rouw de openbare godsdienstoefening bijwonen.

 

De buurschap Vierholten.

 

Zuidoostwaarts van Nunspeet ligt de buurschap Vierholter bosch; de weg derwaarts dringt den vreemdeling onwillekeurig tot den uitroep: “vaarwel schoone natuur!” Eene onafzienbare vlakte van schrale heide en woeste zandtuinen, en telkens elkaar afwisselende heuvelen, doorsneden van een schier regtlijnigen nieuw aangelegden veldweg, is alles wat het oog ziet, en met een hart tot somberheid gestemd, komt men aldaar aan. Aangenaam intusschen wordt men verrast, zoodra men de bebouwde buurt binnentreedt, waarvan de landerijen te zamen in eenen kringvormigen aardewal liggen ingesloten. De landbouw wordt hier met zorg gedreven; zoo ver het oog aan elke zijde kan reiken, wordt men geen enkel onbebouwd plekje gewaar. Alle akkers, netjes afgedeeld, vormen, door de bonte schakering van veldvruchten en granen, een aangenaam geheel. Hier steekt het bloeijende boekweitveld, maagdelijk wit, heerlijk af tegen het  donker groene, met paarse en witte bloesems gesierde, loof der welige aardappelen, daar weder paart de mat geele tint der gemaaide rogge zich liefelijk aan het frissche groen der klaver- akkers. Doch dde bodem, op zich zelf onvruchtbaar, beloont schaars de zorgvuldige bearbeiding. Onmiddellijk aan deze landerijen sluit zich het Vierholter- bosch aan. Dit bosch, welks naam doet denken aan de quatuor forestae, die, als op de Veluwe gelegen, reeds in een stuk van het jaar 996 voorkomen, nog gedeeltelijk een natuurwoud, is eigenaardig geschikt om de ziel tot ernst te stemmen. De plegtige stilte, de wijde omvang van het bosch, de breede schaduwen der hoog opgaande boomstammen, het heilig donker op den achtergrond, het geluid van den eenzamen vogel, het vallen en ritselen der bladeren, zelfs de rookwalm, hier en daar uit de kolenbrandershutten opstijgende: alles treft het gevoel van den wandelaar, die eene bedevaart onderneemt, om de daar aanwezige bommelskuil, of heidekuil, te bezigtigen. ( Zulke kuilen worden op meer plaatsen in Gelderland, ook in Overijssel en Drenthe, gevonden; zij schijnen van de vroegste bewoners dezer gewesten afkomstig te zijn; maar hare oorspronkelijke bestemming is nog niet genoegzaam opgehelderd.) Het gevelde en bewerkte brandhout in het bosch wordt door de naburige houtkoopers afgehaald en door de buurschap naar het zeestrand vervoerd, hetgeen eenige levendigheid aan de streek bijzet. De maand Augustus biedt aan de meidjes en vrouwen, en zelfs aan kinderen van zeer jeugdigen leeftijd, eenen bezigheid aan in het verzamelen der in deze bosschen gerijpte boschbessen ( knapkorrels), die met heele korven en manden naar de omliggende steden, en vooral Harderwijk, voorts over de Zuiderzee vervoerd en in Holland verkocht worden. Onder de boerenstand vindt men hier tamelijk gegoede landbouwers en veehouders, die bijna allen hun erf in eigendom hebben. De gansche buurt bestaat uit een twintigtal eenvoudige woningen, kringvormig verspreid, terwijl de schaapsschoten den buitensten kring van de buurt bepalen.

klederdracht Ermelo en Vierholten

Ofschoon hier geene kerk is, wordt echter het onderwijs in lezen en schrijven niet verwaarloosd, en is ten dien einde in 1848 een geheel nieuw en doelmatig schoolgebouw opgerigt, waarin de kinderen, ook uit de buurtschap Gortel, met die van Vierholten vereenigd, onderrigt ontvangen.

De vreemdeling moge zich bedroeven over een land, waar de schaarsheid der dorpen een bewijs is van de schraalheid van den bodem; toch leeft hier de landman vergenoegd op zijn eigen grond, schoon ook zijn overige rijkdom slechts in een klein getal hoornbeesten van een ligt soort. En eene kudde Veluwsche schapen, bestaat. Deze worden elken morgen, nadat de dauw is opgetrokken, op de omliggende heidevelden uitgedreven, des avonds naar de stallen gehaald, en dan daar, bij gebrek van rivier of beek, uit uitgeholde boomstammen, even als lange dakgoten, met putwater gevuld, gedrenkt.

Volksvermaken en landelijke feesten zijn hun vreemd; slechts eenmaal in het jaar wordt bij de boeren, die schapen houden, schaapskermis of het feest der schaapschering gevierd. Wat de geaardheid der Vierholters aangaat, men vindt hier het stijf eenvoudige van den boerenstand, maar zij zijn daarbij vriendelijk en beschaafd. Wanneer de Vierholter de dringende behoeften des levens vervuld ziet, dan bekommert hij zich weinig om andere genoegens, dan die hij, door zijn boerderij te verbeteren, aan zijn eigen belang kan diensbaar maken. De vrouwen of meisjes belasten zich, behalve met het huiswerk, met het schoonhouden en wieden der landerijen, en het aanleggen en onderhouden van een bloem- en moestuintje, dat slechts eenige schreden groot is, en waar kervel, zuring, peterselie, kruisemint, biet, prij, selderij, spinasie en soortgelijke toekruiden gekweekt worden, die aan het hier zoo algemeen beminde melkmoes den eigenaardigen smaak geven moeten. Alle Vierholters zijn vurige liefhebbers van hun melkmoes, en ieder huis heeft daarom zulk een tuintje.

De leefwijze is zoo als die der Nunspeters, doch de kleederdracht der vrouwen verschilt daarvan aanmerkelijk; zij komt met die van het naburige kerkdorp Elspeet overeen.

De weg van Vierholten naar Elspeet leidt over eenen vrij hoogen, met heide begroeiden heuvel en is bekend onder den naam van Diden- weg; op een half uur afstands, aan den voet van deze hoogte, begint het Diden- dal, bestaande in eene uitgestrekte heidevlakte met kleine ronde heuveltjes gegroept, die het aanzien hebben van tumuli en zich tot op het, een half uur verwijderde, Elspeter- bosch uitstrekken. Ook dit bosch, dat thans nog eene oppervlakte van 500 bunders beslaat, is gedeeltelijk nog in zijn oorspronkelijken toestand en misschien een van de vier, welke reeds in den genoemden giftbrief van het jaar 996 vermeld worden. Bij opgravingen vindt men hier nog, in het zoogenaamde kattengat, steenen gereedschappen en urnen. De gemelde didenweg doorsnijdt het bosch in zijne geheele lengte; aan het uiteinde heeft men een kruisweg, waar het oog door de heerlijkste vergezigten verrast wordt; de verscheidenheid van bosch- en bouwland en de kleine in bekoorlijke wanorde verstrooide woningen, hier en daar door boomgroepen afgewisseld, vormen een geheel, welks indruk moeijelijk te beschrijven is.

Alvorens het dorp binnen te treden, wijst men den vreemdeling nog in eene akkersmaals hegge eene zoogenoemde Heidenkuil, die daar onder den naam van de Kinderhegge bekend is.

 

Het dorp Elspeet.

 

Elspeet, dat 81 huizen en 580 inwoners bevat, en waar in vroegere jaren de postwagens tusschen Harderwijk en Deventer vertoefden, heeft eene in 1842 gebouwde moderne dorpsschool, eene bierbrouwerij en herberg, benevens eenige steenen huizen, waarvan verscheidene met pannen gedekt zijn. Deze behooren tot de nieuwere gebouwen; de overige zijn met stroo en heide gedekt.

Elspeet

Onder de gebouwen, welke eenige bijzondere opmerking verdienen, behoort de kerk, eertijds aan St. Paulus gewijd. Bij de beschouwing dezer kerk valt het in ’t oog, dat zij in den loop der tijden meermalen hersteld en vergroot is geworden, en ten minste tot drie verschillende tijdvakken behoort. Thans vormt zij een langwerpig vierkant van acht passen breedte, en geheel uit gebakken steen opgebouwd. De buitenmuren, ter lengte van zestien passen, duiden nog de oud- gotische bouworde aan; de zuidzijde heeft drie steunbeeren, drie puntboogvensters van gedrukten vorm, en een blinde puntboog; terwijl over den geheelen muur een getande rand als waterlijst heenloopt. Aan de noordzijde is in 1841 een gedeelte aangebouwd, ter lengte en breedte van acht passen; ter weerszijde van dit aangebouwde vindt men nog een gedeelte van het oude, dat aan elke zijde van een puntboogvenster voorzien is. Het koor is een aanbouw uit de vijftiende eeuw, en aan de oostzijde, waar het driezijdig gesloten is, van ranke puntboogvensters voorzien. Kerk en koor zijn met een steenen verwulfsel gedekt, en de buitenmuren door steunbeeren verzekerd. De toren, tegen den westgevel rustende, is, toen die in de achtiende eeuw ingestort was, geheel vernieuwd; hij bevat drie klokken, die, wegens hare overeenstemmende klanken, eenige vermaardheid verkregen hebben, en een slaguurwerk, waarvan het uurwijzerbord in de rondboog- bommelgaten is aangebragt.

De eerste predikant, in 1594 aangesteld, was Johannes Antonie, die in 1595 naar Mastebroek vertrok.

Wat de geaardheid en de zeden of gebruiken der Elspeters betreft, deze komen overeen met die der naastbijgelegen buurschappen Vierholten, Speulde, Drie, Staveren en Leuvenum. Het zoogenoemde melkmoes maakt hier, even als in het naburige Vierholten, eene geliefkoosde middagschotel uit.

De kleederdragt, zoo die der mannen als der vrouwen, verschilt weinig van de vroegere beschrevene.

 

De buurschap Staveren.

 

Van het kerkdorp Elspeet naar het op één uur verwijderde Staveren gaande, leidt de weg westwaarts langs eenige hechte boerenwoningen en een wind- korenmolen; verder over eene onafzienbare heidevlakte, waarop zich ter regter zijde een ronde heuvel verheft, die de Victorieberg genoemd wordt, en waarop, volgens onheugelijke gewoonte, jaarlijks een paaschvuur gestookt wordt; voorts heeft men aan de linker zijde eene onlangs opgerigte steenbakkerij, en vervolgens het huis Staveren met zijne nevengebouwen. Deze plaats is vooral daardoor merkwaardig, dat graaf Reinald van Gelre in 1291 het plan gevormd had, hier eene stad van dien naam te stichten, waartoe hij begon, met een jagtslot te bouwen en de daartoe benoodigde steenen in de nabijheid op de Steenvoorde te laten bakken. Inderdaad gaf hij, in 1298, na daartoe van den keizer vergunning verkregen te hebben, aan de inwoners, die zich hier wilden vestigen, vrijheid en stedelijke regten. Deze zaak had evenwel geen voortgang, maar zonderling is het, dat op de hofstede Staveren, na dien tijd en zoolang Gelderland eenen hertog gehad heeft, de verpligting is blijven rusten, om voor de pluimen, waarmede de vorst zijnen helm versierde, witte paauwen te onderhouden. – Men wijst hier den vreemdeling een eilandje, van oudsher de Eleonora’s Poll genaamd, waar overoud metselwerk is opgedolven, dat de grondslag van een klein gebouw schijnt geweest te zijn. Het bijgeloof wil, dat, in den omtrek van dit eilandje, meermalen des nachts een geest rondwaart, in een slepend rouwgewaad gehuld, zoodat vooral eertijds het landvolk met angstige bezorgdheid daar voorbij ging, om het gezigt der Zwarte Vrouw zoo als die geest plagt genoemd te worden, te vermijden. – Het slot te Staveren, door aankoop eigendom der familie van Haersolte geworden, werd door deze in 1835 verkocht; vervolgens gesloopt zijnde, heeft het plaats gemaakt voor een modern heerenhuis, welks omtrek met liefelijke wandelingen, fraaije heestergewassen en boomen is versierd, en waarvan bosch- en veldgezigten het aangename verhoogen.

De weg van hier naar

 

Leuvenum.

 

Leidt langs een dennenbosch en heldere beekjes, door wei- en grasgronden omzoomd; zuidwaarts vertoonen de buurschappen Speulde en Drie, en na een half uur bevindt men zich aan de herberg de Zwarte Boer, waar het landvolk met mindere angstvalligheid voorbij gaat, of ook binnentreedt, dan bij de Zwarte Vrouw te Staveren. Hier, waar weleer de wisselplaats was der postwagens van Harderwijk op Deventer, vindt de reiziger en wandelaar nog een bekwame rustplaats, terwijl het heerenhuis Leuvenum in de nabijheid, te midden van aangename schaduwrijke dreven, die door eene helder vlietende beek doorsneden worden, ook uit het naburige Harderwijk menigen wandelaar lokt. Ook geeft het branden van houtskolen in de nabijgelegen bosschen gelegenheid tot het gadeslaan van een bedrijf, waartoe elders de gelegenheid wordt gemist.

Van de herberg de Zwarte Boer leidt de weg langs den ouden Didenweg naar de Hooge- Woerd, waar nog onlangs verscheidene Germaansche urnen zijn opgedolven. Iets verder, aan de uiterste grens van ’t Leuvenummer gebied, vindt men eene merkwaardige plek ter grootte van twaalf bunders, met een aardenwal omgeven; zij draagt den naam van het Heidenkamp, een naam, die reeds op zich zelf grond schijnt te geven tot het vermoeden, dat de vroegste bewoners van dit land hier een gedenkteeken van hun verblijf hebben achtergelaten. Van hier ontwaart men in het verschiet, ten noordwesten, een hoogen heuvelrug, waartegen de met eiken hakhout begroeide kleinere heuvels bevallig afsteken, als, de Tonnenberg, de Langenberg en de Ullenberg. Meer westwaarts bereikt men, na een half uur gaans, den reeds vermelden Victorie- berg, niet ver van Ermeloo, de hoofdplaats der gemeente.

 

Ermeloo.

15_Tekening_Oude_Hervormde_Kerk

 

Ermeloo, een dorp, welks kom een groep uitmaakt van 38 steenen huizen, meestal met pannen gedekt, heeft een sierlijke predikantswoning en een schoolgebouw, eene herberg en een houten windkorenmolen, benevens eene overoude voortijds aan St. Nikolaas gewijde kerk, met toren en hooge spits. Jammer is het, dat dit gebouw, een belangrijk voorwerp voor de geschiedenis der kerkbouwkunst in de middeleeuwen, door den wansmaak van latere tijden, toem men de buitenmuren met gebakken steenen verhoogd heeft, veel van het eerbiedwekkende der onvervalschte oudheid verloren heeft.

De toren, geheel uit dufsteen met kunstig bewerkte paneelen en waterlijsten daarboven, met blinde rondbogen in de tweede verdieping en boven deze een bommelgat in den rondboog stijl, met korinthische dwergzuil, is gedekt met eene hooge spits, en verraadt de bouworde uit het tijdvak van de tiende tot de twaalfde eeuw. Het oudste gedeelte der kerk vormt een langwerpig vierkant van 24 passen lang en 11 passen breed, waarvan oorspronkelijk het koor plat gesloten was; van binnen tegen de zijmuren ziet men platte pilasters, waarvan de kapiteelen geheel tot den zoogenaamden Byzantischen stijl behooren, zooals die nog vóór het jaar 1200 ( Reeds in een handvest van Ansfridus, bisschop van Utrecht, van het jaar 1006, wordt de kerk te Ermeloo genoemd.) in gebruik was, bestaande in een relief van ranken en druiventrossen, juist zoo als het aan gebouwen van de elfde eeuw zeer dikwerf voorkomt, maar later niet meer. In het middelpunt der ranken is eene harde schijf, denkelijk als voorstelling van het zinnebeeldige brood. De verhooging der buitenmuren met gebakken steen, even als de vensters in den puntboogstijl van een gedrukten vorm, vertoont de bouworde der twaalfde en dertiende eeuw. Eene vergrooting van de kerk, door den aanbouw van het koor in den nieuw- gotischen stijl, met puntboogvensters van eenen ranken vorm uit de veertiende eeuw, is aan de oostzijde driezijdig gesloten. Het geheele gebouw is van buiten door steunbeeren versterkt, en het koor is met een steenen gewelf voorzien. Binnen de kerk is een steenen doopvont, nog ongeschonden op zijne oorspronkelijke plaats, in den noordwesthoek staande, een hoogst merkwaardig overblijfsel der oudheid. – Volgens het oude kerkboek, moest de kerk van Harderwijk jaarlijks aan dit godshuis uitkeeren één lood zilver, dat met dertien stuivers of 65 centen betaald werd.

Ermelo 1

De eerste predikant, in 1592 aangesteld, was Gregorius Goot, maar reeds in 1598 werd hij afgezet of ontslagen.

Westwaarts van Ermeloo, langs de boorden der Zuiderzee, ligt de buurschap Telgt met eene uitgebreide vlakte, het Kampveld genaamd, op welke de bisschop van Munster, Hendrik Van Zwartsenberg, zich in 1480, met een leger van Gelderschen, tegen Maximiliaan, nedersloeg. Hiernaast vindt men een boschje, de hooge duivel en de drie woerden, waar oud- Germaansche urnen en steenen pijlpunten opgegraven zijn. Het volkssprookje wil, dat zich hier weerwolven plagten te vertoonen, die de reizigers verontrustten.

Nabij de havezathe Zeebrug ligt eene boerenplaats, het Verloren Veld genaamd, alwaar men, bij aflandigen wind en laag zeewater, op meer dan een kwartier in zee, nog een aantal boomstammen in den grond aantreft; ook heeft men er onlangs eene gemetselde put ontdekt. Sommigen willen op deze plaats het Ermeloosche bosch zoeken, dat in 1170 door den zeevloed is verdwenen, en waarvan in 1006 in eenen giftbrief wordt gewag gemaakt.

In de buurschap Horst en Tonsel zijn de bouwerven Emaus en Sint Jans- daal, als overblijfselen van vroegere kloosters, in naam bewaard.

De kleederdragt der vrouwen in Ermeloo en der laatstgemelde buurschappen verschillen eenigermate van die in de vroeger opgegevene kerkdorpen, bestaande namelijk, voor zoover de stof betreft, minder uit wol.

Na de buurschap Tonsel verlaten te hebben, nadert men het gebied van Harderwijk. Wil men echter in de gemeente Ermeloo blijven rondwandelen, dan begeve men zich oostwaarts naar het voormalige klooster Beekhuizen en het Heiligen- Huisje, thans een papiermolen, aan de Hierderbeek; zich noordwaarts wendende, komt men op den Zuiderzeeschen straatweg, nabij het huis Hulshorst, dat door zijnen keurigen aanleg van wandeldreven en bosschen het oog des voorbijgangers trekt. Deze straatweg doorloopt wijders de bewoonde streek der buurschap Hulshorst en is aan de linkerzijde door verscheidene zomerwoningen begrensd; terwijl ter regterzijde de duinen in het verschiet den gezigteinder beperken. Boven deze steekt de Buntmansberg uit, waaromtrent opmerking verdient het volksverhaal, dat de kruin telkens, op hooge feestdagen, door eene vuurvlam verlicht wordt, om welke reden hij ook veelal onder den naam van brandenden berg bekend is. Zeker moordenaar, Buntman geheeten, zou, niettegenstaande hij de daad ontkende, en zijne onschuld beweerde met de verwensching, dat hij eeuwig wilde branden wanneer hij aan het hem ten laste gelegde misdrijf schuldig stond, desniettegenstaande op dezen berg ter dood gebragt zijn, en alzoo de regtvaardigheid van het aan hem voltrokken vonnis gestaafd worden door dit verschijnsel, dat zich, naar men zegt, van tijd tot tijd als een brandende stroobos vertoont.

Links van de weg aan het Zuiderzeestrand, blijft de buurschap Hoophuizen voor ons onzigtbaar, wegens het menigvuldig houtgewas, dat het vergezigt belemmert, en zoo naderen wij binnen eenige minuten, nadat wij eene sierlijke nieuwe molenaarswoning en eenen steenen windkorenmolen zijn voorbijgegaan, het reeds beschreven dorp Nunspeet.

Haasloop Werner.

hendrik van grietjen

 

 

 

 

Dit bericht was geplaatst in H.G. Haasloop Werner..

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Verplichte velden zijn gemarkeerd met *