De herinnering van peter

 

 

De herinneringen van “Peter”

Auteur: Ariane De Borger.

 

Mijn overgrootvader heeft me nooit kunnen vertellen over zijn leven als soldaat tijdens Wereldoorlog I. Maar met wat mijn grootmoeder naliet, aan verhalen en voorwerpen uit die tijd, kan ik zijn Groote Oorlog reconstrueren. Eens geen verhaal uit de loopgraven, het lot stuurde hem de andere kant uit.

Drie knopen met een 2 erop, gevonden tussen de honderden knopen die mijn grootmoeder opspaarde…voor als die nog eens van pas komen. Het moeten de uniformknopen van “Peter”- zoals mijn vader hem noemde- zijn. In zijn mobilisatiezakboekje staat immers dat De Boeck Théophile deel uitmaakte van het “2de régement de Ligne de forteresse”.  Dat boekje verklapt ook dat hij zijn militaire dienstplicht aanving op de eerste oktober 1901, omdat hij op 4 juni van datzelfde jaar “erin” geloot was met het nummer 67. En dat hij nog célibataire was toen.

Dat was niet meer het geval toen in 1914 de oorlog uitbrak en hij gemobiliseerd werd. Hij was getrouwd en vader van twee dochtertjes, Céline- mijn grootmoeder, met haar vijf jaar de oudste- en Blondine. Hij moest niet alleen hen en zijn ouders achterlaten toen hij naar het front gestuurd werd, ook zijn broodwinning: zijn veld dat hij als keuterboertje bewerkte. Hij moet zich ongerust gemaakt hebben: wie ging dat nu bewerken? Zou zijn gezin kunnen leven van de opbrengst? En hoe zou hij zijn gewassen terugvinden als hij terugkwam? Tja…àls hij terugkwam.

 

 

Een jonge, bezorgde echtgenoot en vader was mijn overgrootvader toen de Eerste Wereldoorlog uitbrak. En plots moest hij zijn gezin, zijn werk als meestergast in de cokesfabriek en zijn moestuin in de steek laten om soldaat te spelen.

Een enthousiaste soldaat zal Théophile wel niet zijn geweest. Toen hij tien jaar eerder in het kamp Beverlo zijn krijgskundige vaardigheden moest gaan bijspijkeren, vond hij dat al geen welkome afwisseling in zijn dagelijks bestaan. In een schattige brief bezweert hij zijn verloofde- die later mijn overgrootmoeder zou worden- dat hij haar zo enorm mist en dat hij niet kan wachten om met haar te trouwen.

In 1914 was hij al 33 en helemaal wat men vandaag de dag een familieman zou noemen. Van de vijf kinderen die hij met zijn Lowis ( zo noemde hij zijn Louise) kreeg, waren er maar twee in leven gebleven. Céline ( 6 jaar toen) en haar zusje Blondine (4) waren zijn oogappels, die hij niet met gerust hart zal achtergelaten hebben om op 1 augustus 1914 richting “Termonde”( Dendermonde) te trekken.

Théophile werd net als alle andere soldaten van al wat oudere lichtingen ingedeeld bij een zogenaamd vestingsregiment: het “2ième régiment de Ligne de forteresse” en werd waarschijnlijk vrijwel meteen naar de vesting Antwerpen doorgestuurd. Intussen liepen de Duitsers Dendermonde snel onder de voet. Hoewel zijn woonplaats Willebroek met het fort van Breendonk een bastion tegen de Duitse invasie had moeten zijn, werd ook die gemeente snel ingenomen. Mijn grootvader moet angst hebben uitgestaan voor zijn vrouw en kinderen: zelfs in die tv-en internetloze tijd ging het als een lopend vuurtje rond hoe gruwelijk het Duitse leger zich misdroeg tijdens die eerste oorlogsmaanden: ze staken huizen in brand, martelden en vermoorden gewone burgers.

De val van Antwerpen.

220px-Willy_Stöwer_-_Antwerpen_1914

Op 10 oktober valt ook Antwerpen en raakt een groot deel van de Belgische troepen klem tussen de oprukkende Duitsers en de grens met Nederland, dat in tegenstelling tot ons land in deze Wereldoorlog zijn neutraliteit heeft kunnen bewaren. Als de soldaten lijdzaam wachten tot de Duitsers hen overmeesteren, worden ze krijgsgevangen gemaakt. Dus raden een aantal officieren hun manschappen aan hun heil in Nederland te zoeken. Zo’n 40.000 soldaten doen dat, onder hen ook Théophile. Op 10 oktober 1914 steekt hij- in een stroom van honderdduizenden burgervluchtelingen- vanuit het Belgische dorpje De Klinge de grens naar het aangrenzende, Nederlandse Clinge over. “In groep geïnterneerd”vermeldt zijn militaire dossier. 33.417 Belgische militairen worden meteen ontwapend door het Nederlandse leger, dat hen daarna zo snel mogelijk in interneringkampen onderbrengt. De Nederlandse overheid is er immers als de dood voor dat ze door de Duitsers zou kunnen beschuldigd worden van niet-neutraal zijn en probeert te vermijden dat de Belgische militairen ontsnappen en zich over Nederlands grondgebied weer naar het front te reppen. Toch slagen zo’n 7000 Belgische soldaten er toch in om burgerkleren te bemachtigen en zich met een omweg langs Vlissingen en Groot-Brittannië weer bij het Belgische leger te voegen.

Niet Théophile, die op 12 oktober in Harderwijk aankomt. Daar wordt hij met zijn lotgenoten ondergebracht in een tentenkamp met prikkeldraad rond. De eerste nachten zijn nog vrij warm voor oktober, maar al half november begint het te sneeuwen en te vriezen.

 

Overgrootvader Théophile zit in een van de interneringskampen in het neutrale Nederland. Met 33.416 lotgenoten, die net als hij klemgeraakt zijn tussen het oprukkende Duitse leger en de Nederlandse grens.

harderwijk_kamp-002

Wat moet ik me voorstellen bij het tentenkamp dat in Harderwijk in allerijl was opgetrokken voor de geïnterneerde Belgische soldaten? In het boek Gehalveerde mensen. Het Belgenkamp in Harderwijk 1914-1918 ( Anton Reijngoudt-uitg. BDU-isbn 9070150654 ) staat een foto van ronde, witte punttenten ( type wigwam ) op een uitgestrekt, vlak veld. Schattig voor een zomers evenement, maar een pak minder idyllisch als slaapplaats voor 8000 soldaten in oktober en november.

Dode kameraden in Zeist.

De levensomstandigheden waren in Harderwijk dan wel niet ideaal, maar wel beter dan in dat andere kamp voor Belgische geïnterneerden in Zeist. Daar hadden ze geen riolering, wat wel erg onhygiënische toestanden veroorzaakten, het eten was er ronduit slecht, in de kantine werden woekerprijzen gevraagd. Er was kou in de niet verwarmde tenten, terwijl de Nederlandse bewakers wel over verwarmde slaapplaatsen konden beschikken.

De geïnterneerden werden in Zeist ook- overigens tegen de internationale regels in- gedwongen om te werken en het ongenoegen bij de Belgen groeide er uit tot opstandigheid. De bom barstte toen drie Belgische militairen gesnapt werden toen ze in burgerkleding het kamp hadden willen ontvluchten en door de Nederlandse bewakers opgesloten werden.

Hun kampgenoten eisten woedend hun vrijlating en plunderden de kantine toen ze hun zin niet kregen. De opstand escaleerde de volgende dagen en bereikte een hoogtepunt op 3 december 1914, toen het niet bij schelden bleef (“ kaaskoppen!” “Schiet maar, Kwattasoldaatjes!”). Er werden stenen gegooid naar de Nederlandse bewakers, die inmiddels met geweren klaar stonden en dreigden te schieten.

De bevelvoerende luitenant gaf opdracht om met scherp te schieten op de opstandelingen. Achtien gewonden en acht doden vielen er bij de Belgen. Hun makkers vluchten in paniek weg en een ijzige stilte daalde neer over het kamp. De gewonden werden overgebracht naar het ziekenhuis in Amersfoort, de acht doden begraven op het katholieke kerkhof van het vlakbij Zeist gelegen Soesterberg. Achteraf werdeb zes van hen herbegraven op het Belgisch Militair Ereveld op het kerkhof van Harderwijk, waar ze nog altijd rusten.

Het gezamenlijk rouwprentje van de acht zit tussen de papieren van mijn overgrootvader. Vermoedelijk kende hij tenminste een van de slachtoffers. Geniesoldaat Jozef De Maeyer woonde immers net als hij in Willebroek. Uit de schaarse gegevens van diens legerdossier ( zelfs een geboortedatum is niet terug te vinden) blijkt dat zijn weduwe aan de andere kant van het cokesfabriek woonde, waar Théophile meestergast was én dat Jozef deel uitmaakte van de lichting vóór Théophile, dus vermoedelijk een jaar ouder was.

Willebroekenaar Flor Cools levert nog meer info over hem: Jozef was 36 toen hij doodgeschoten werd, getrouwd en vader van een zoon van zeven jaar oud en een dochter van negen. Ongeveer dezelfde gezinssituatie als Théophile.

Een andere Willebroekenaar werd in Zeist gewond, weet Flor Cools. Benoit Van Mol stond bij de tent van de commandant toen hij plots neerviel, omdat hij een klap tegen zijn rechterschouder kreeg. Er viel nog iemand over hem heen en hij moet even het bewustzijn verloren hebben, want hij kwam bij in een barak. In het ziekenhuis van Amersfoort vinden ze een kogelwonde van twee vingers breed in zijn schouder. Maar hij overleeft de schietpartij en wordt al op 29 december in goede algemene conditie uit het ziekenhuis ontslagen.

Al waren ook in Harderwijk vluchtpogingen schering en inslag ( men telde er tussen oktober 1914 en juli 1915 liefst 557!), het blijft er desondanks vrij rustig. De geïnterneerden helpen mee om houten barakken op te trekken, die toch iets meer bescherming bieden tegen het barre winterweer.

 

 

In het interneringskamp bij Harderwijk is het koud, maar het is er beter dan in Zeist, waar de Belgische soldaten zelfs in opstand komen. Bij de rellen schieten de Nederlandse bewakers met scherp: achtien gewonden moeten verzorgd worden, acht Belgen komen om. Onder hen een vriend van Théophile.

In het Harderwijkse interneringskamp worden de tenten langzaamaan vervangen door vijftig houten barakken die de soldaten mee helpen optrekken. In zo’n barak van 51 op 13 meter worden 250 mensen ondergebracht. Of liever: opgestapeld, want dat komt neer op 2,5 vierkante meter per soldaat. Voor persoonlijke spullen, kleren of wat dan ook was er dus geen plaats, enige privacy was onbestaande. En verwarming was nog altijd niet voorzien.

harderwijk_interneringsdepot-000

Het boek Gehalveerde mensen. Het Belgenkamp in Harderwijk 1914-1918 ( Anton Reijngoudt-uitg. BDU-isbn 9070150654) citeert een brief van een van de soldaten aan de Nederlandse mionister van Buitenlandse Zaken: “Men heeft twee of drie dekens, waarover dan nog kranten en de overjas gespreid worden, terwijl des nachts door de vrijgekomen warmte bij uitademing het ijs begint te ontdooien en op de slapers neervalt. Deze nachten zijn de schrik van allen. “De wooneenheden van de Nederlandse bewakers waren wél verwarmd…

Overdag konden de kampbewoners naar verwarmde grote kantines. Veel hadden ze niet omhanden. Théophile snijdt uit been een pen voor elk van zijn dochters. “Celine souvenir”staat op die van mijn grootmoeder. En hij schrijft zijn vrouw en dochters wanneer hij maar kan. Een brief vanuit het neutrale Nederland naar het bezette Belgie krijgen, is geen sinecure in dat eerste oorlogs jaar. De post gaat grotendeels mee met smokkelaars die handig gebruik maken van de grensdorpjes en de Belgische enclave Baarle-Hertog. Soms werden die smokkelaars gepakt.

Tussen de papieren van mijn overgrootvader vind ik een aan hem geadresseerd vrolijk ansichtkaartje van Baarle-Hertog met een minder zorgeloze tekst van ene Jos De Groef (?) aan de achterkant: “Mijnheer gij moet uw niet ongerust maken, ik ben weder op vrije voeten en uwe brieven zij al in belgië. Gij moogt voort schrijven al mogen wij niet meer tuis komen. Toch kunnen wij nog wel overgaan en ze daar over geven aan mensen waar wij mogen op betrouwen dus zal u ??? gaan…”

In het bezette België is een en ander weer in de plooi gevallen. Mijn overgrootmoeder kan gelukkig rekenen op steun van haar oudere zus, die ook haar schoonzus is, want getrouwd met de oudere broer van Théophile. En van nog een jongere zus die blijkbaar helpt met de kinderen. Grote epistels zijn aan mijn overgrootmoeder niet besteed, maar zij stuurt kaartjes en foto’s. Maar aan beide kanten van de grens groeit het besef dat de oorlog langer gaat duren dan een paar maanden. Hoe lang gaat het nog duren voor het gezin weer verenigd kan worden?

 

 

Hoe lang gaat het nog duren voor Théophile herenigd wordt met zijn gezin? Begin 1915 wordt duidelijk dat die oorlog nog jaren kan duren. Vanuit het grotendeels door de Duitsers bezette België stuurt Louise foto’s naar haar man .

In Willebroek zijn in het begin van de oorlog honderden huizen platgelegd voor het strategisch uitzicht vanuit het fort van Breendonk, maar het huis van Théophile en zijn gezin stond blijkbaar niet in de weg en bleef ongeschonden. Louise en Blondine zijn de eerste oorlogsmaanden goed doorgekomen en ze zijn goed omringd, zo blijkt uit de foto’s die Théophile toegestuurd krijgt. Eentje waarop Celine en Blondine blij poseren met een nieuwe pop, nog in de doos. De meisjes staan naast hun moeder voor hun huis, in een rijtje met allemaal vrouwen: buurvrouwen en een nichtje. Zowel Louise als Théophile kwamen uit een groot nest en de talrijke familiefoto’s met zussen en broers, neefjes en nichtjes doen vermoeden dat ze een goede band hadden en elkaar steunden.

Dat is overigens duidelijk te zien op een foto van Louise met haar twee dochters é een van de jongere zussen van Théophile. De hand van Mans ( eigenlijk Clementina) ligt op de schouder van haar schoonzus, die op haar beurt de hand van haar oudste dochtertje vast heeft.

( de foto’s heb ik niet geplaatst, dit is de afspraak met het blad waaruit dit verhaal komt. Geen tekeningen en/of foto’s plaatsen die bij dit verhaal horen. Red.)

De foto’s moeten lichtpuntjes geweest zijn in het saaie bestaan van Théophile, inmiddels ondergebracht in barak 12 van het Belgenkamp. Dat Belgenkamp breidt uit in de eerste helft van 1915. Met de bouw van een kerkbarak, was-en badvoorziening, en een ziekenzaal ontstaat stilaan een houten dorp. Vooral als later ook nog een bibliotheek, werkmagazijnen, schoollokalen, een postkantoor, winkels, een theater en zelfs een restaurant bijkomen. Dat klinkt wel riant, maar dat was het enkel voor de meer gefortuneerde soldaten. De doorsnee soldaat heeft het niet breed.

Hoe diens dag er uitziet? In het al vroeger geciteerde boek gehalveerde mensen staat deze dagindeling:

5.30 reveille ( in de herfst en winter wat later)

6.00 koffie-uitdeling

7.00 eerste appél

8.30 appél voor diverse werkzaamheden (zoals aardappels schillen)

9.00 ziekenrapport

10.00 aanvoer van brandstof, brood en levensmiddelen

12.00 soep eten

13.30 aanvoer van vlees en aardappelen, aanvang van kleinere werkzaamheden onder bewaking buiten het kampterrein

15.30 aanvoer brood

16.30 tweede appél, daarna middageten

21.00 taptoe, sluiting van de kantines

21.30 licht uit

Deze eentonige routine wordt soms onderbroken voor een wandeling met zo’n vijfhonderd man achter een eigen fanfare of door baden, als je slaapbarak aan de beurt is. Dat komt neer op ongeveer één bad om de tien dagen: niet genoeg om ziektes op afstand te houden, zo blijkt al gauw. Ziekten als schurft, reuma, bronchitus, longontsteking, tbc, tyfus en cholera teisteren de geinterneerden en daarnaast hebben ze last van ongedierte. Vlooien en luizen blijven een plaag en kunnen nooit afdoende bestreden worden, ook niet door het af en toe in brand steken van de strozakken waarop de soldaten slapen. En dan is er ook nog een rattenplaag. De jacht op ratten wordt voor de soldaten al vlug een tijdverdrijf, vooral omdat ze per dode rat 2,5 cent opstrijken. Een welkome aanvulling op de soldij van 10 cent per dag ( een officier krijgt 25 cent ). Een glas bier kost 5 tot 10 cent, een pakje tabak van 100gr 8 cent.

Langzaamaan worden initiatieven opgestart die de verveling moeten tegengaan. Op 7 maart 1915 wordt een school opgericht waar de vele analfabeten onder de soldaten kunnen leren lezen en schrijven, later komen er ook werkbarakken waar een stiel kan worden aangeleerd. Er zijn voetbalwedstrijden, een toneelkring, filmvoorstellingen…Maar het blijft een leven achter prikkeldraad en het gemis van vrouw en kinderen blijft een probleem.

 

 

In Harderwijk is het Belgenkamp uitgegroeid tot een houten dorp met een eigen school, winkels, een voetbalploeg en theater. Maar het blijft een gevangenis en vooral oudere geïnterneerden- zoals mijn overgrootvader- blijven hun gezin missen.

Een romantisch kaartje met poststempel 13 augustus 1915 (een extra stempel, met Auslandstelle Aachen erop) voor Théophile “van u vra Lowis Van Doorslaer laat vermoeden dat zijn gezin in de zomer van 1915 nog aan de andere kant van de Nederlandse grens verblijft.

Maar daar moet niet lang daarna toch verandering in gekomen zijn. Louise Van Doorslaer trekt- vermoedelijk in het najaar, want dan stromen blijkbaar meer en meer vrouwen en kinderen van geïnterneerden toe- met haar twee dochtertjes richting Harderwijk. Dat moet een hele onderneming geweest zijn voor de jonge vrouw en een hele belevenis voor de twee kinderen. Eerst de grimmig bewaakte grens over en dan de cultuurschok met mensen met een eigenaardig accent en andere eetgewoontes. En dan is er de kwestie van het onderdak. Twee gulden per week mogen de Harderwijkse huisbazen voor een kamer vragen. Maar in de Harderwijkse kranten van die tijd staan geregeld verhalen over huisbazen die gestraft worden omdat ze erop betrapt worden dat ze meer vragen. Waarschijnlijk het topje van de ijsberg: niet iedereen zal een te veel vragende huisbaas aangeven, want uit de kranten blijkt ook het gebrek aan huisvesting. En zelfs als Nederlandse huisbazen kamers te huur hebben, blijkt dat ze het vaak niet begrepen hebben op vluchtelingen. Even grasduinen tussen de advertenties levert al snel enkele vermeldingen “geen Belgen”op.

De manufacturenwinkel

Louise vindt desondanks onderdak voor zichzelf en de meisjes. Hoe kon ze de huur betalen? Rijk zijn mijn overgrootouders nooit geweest en de soldij van mijn overgrootvader als soldaat is allerminst riant. Tussen de advertenties in de lokale kranten vinden we er eentje van een “Belgische juffrouw, Hollandsch en Fransch sprekend, goed kunnende naaien”, die als enige vergoeding kost en inwoon vraagt. Vermoedelijk was dat ook de manier waarop mijn overgrootmoeder daar de kost (en inwoon) verdient. Kleinzoon Fil ( ja, genoemd naar Théophile) herinnert zich dat zijn grootouders hem vertelden dat ze “voor joden”werkten. Die joden, dat was heel waarschijnlijk het echtpaar bij wie Louise en de kinderen een kamer konden bemachtigen, in kamers op de Groote Markt van Harderwijk, vlak naast het gemeentehuis ( dank u, lieve mensen van het streekarchivariaat van Harderwijk, voor het doormailen van de postkaart met het huis erop!).

advertentie

Abraham Beem vroeg en kreeg in de zomer van 1915 toestemming van de Harderwijkse gemeenteraad om kamers in zijn huis onder te verhuren. Hij en zijn vrouw Eva De Vries woonden niet alleen in het huis naast het raadhuis, maar dreven er ook een manufacturenwinkel. Zo’n winkel verkocht zowat van alles, leer ik van internet. Waarschijnlijk breide mijn overgrootmoeder sokken of naaide ze schorten of iets dergelijks en kon ze zo haar kost en inwoon verdienen. Heeft mijn overgrootvader een baantje en onderkomen voor zijn vrouw geregeld of is Louise er toevallig terechtgekomen? Geen idee.

Het verhaal van de mensen bij wie ze inwoonde, kan ik wel achterhalen via internet. Abraham en zijn vrouw Eva hebben in 1915 wel plaats vrij in huis. Hun oudste zoon Hartig vervult zijn militaire dienstplicht in het Nederlandse leger en trouwt na de oorlog met Rosette, die hij in Den Helder leert kennen. Hun op een na oudste zoon Emmanuel is ook al 21 en is slager van beroep, hij woont waarschijnlijk ook al niet meer thuis. De jongste zoon Jozeph is met zijn zestien jaar nog een schooljongen en zal nog wel thuis gewoond hebben. Mijn grootmoeder moet hem dus nog gekend hebben. Haar kan ik het niet meer vragen en hem ook niet. Jozeph, zijn latere vrouw en hun twee zoontjes Abraham en Joseph van 14 en 8, Emanuel, zijn vrouw en hun dochter Eva van 11 en zijn zoontje Bram van 9 zijn allemaal vermoord door de Nazi’s in de Tweede Wereldoorlog. Van de hele familie overleeft enkel Hartog de laffe moordpartij, als laatste nabestaande van het echtpaar dat Louise en haar kinderen een dak boven hun hoofd gaf, overlijdt hij in 1987 in Hilversum.

 

 

Meer dan een jaar na het uitbreken van de oorlog zien Celine en Blondine hun vader terug. Met hun moeder wonen ze nu niet ver van het interneringskamp: op de Groote Markt van Harderwijk, in het huis van de familie Beem.

stadhuis

Moeder Louise breit en/of naait waarschijnlijk voor de manufacturenwinkel van de familie Beem, Celine en Blondine gaan naar de Belgische school in Harderwijk ( op de foto staat mijn oma Celine op de laatste rij, de vierde van links, haar zus eerste van rechts op de middelste rij). Aanvankelijk kregen de Belgische kinderen die hun geïnterneerde vaders achterna gereisd waren, les van enkele geïnterneerde vrijwilligers, daarvoor konden ze voor en na de lesuren en op woensdag-en op zaterdagmiddag terecht in de klaslokalen van de Nederlandse scholen. Een zekere mevrouw de Pauw had dat in het voorjaar van 1915 bekomen van de Harderwijkse gemeenteraad. Daarnaast waren er ook wel Belgische kinderen die gewoon tussen de Nederlandse op de schoolbanken zaten, maar dat zagen nogal wat Harderwijkers met lede ogen aan. De Belgen in de gewone scholen bemoeilijkten het onderwijs, was de teneur van artikels in de plaatselijke pers. Het Harderwijkse gemeentebestuur overweegt om niet langer Belgische kinderen toe te laten op de gemeentescholen, maar zwicht uiteindelijk voor de Belgische ouders en laat de beslissing om Belgische kinderen toe te laten uiteindelijk over aan de schoolhoofden.

Een echte school

In Harderwijk is al snel een comité opgericht dat zich bekommert om de kinderen van de geïnterneerde Belgen. Luitenant-kolonel De Pauw is de voorzitter, mevrouw De Pauw directrice, de penningmeester is aalmoezenier Belpaire( een neef van de juffrouw Belpaire, bekend om haar inzet voor de Vlaamse zaak en onderwijs voor meisjes) en verder is ook geniekapitein Charles Ghion lid van het bestuur. Die laatste staat in een plaatselijke krant vermeld als vader van een kind dat geboren werd in Harderwijk, zijn vrouw was haar man dus achterna gereisd en vermoedelijk hebben ze kinderen van lagere schoolleeftijd.

Het comité zet vaart achter de plannen voor een eigen Belgische school in Harderwijk. Op 18 december 1915 kan het eerste leslokaal in gebruik genomen worden, in de andere zeven moet nog verwarming geïnstalleerd worden en er ontbreken ook nog “privaten”. Niet alleen aan de klaslokalen, maar ook aan de kwaliteit van het onderwijs wordt nog gesleuteld. In februari 1916 worden de les gevende militairen vervangen door Belgische leerkrachten.

Ongeveer 450 kinderen zitten er op de Belgische school, meld een plaatselijke krant, die ook weet dat twee derde van de leerlingen uit gezinnen komt “die ondersteuning nodig hebben”. Vandaar dat uit het schoolcomité al snel ook een afzonderlijke “soepcommissie” gegroeid is. Die zorgt ervoor dat de leerlingen ’s middags warm eten krijgen en ’s namiddags een paar boterhammen met een warme drank. Tussen de foto’s van mijn grootmoeder steekt een foto van zo’n voedselbedeling, met in het middenin bovenaan een foto van koning Albert I erin geplakt, rechts bovenaan de namen van de weldoeners van het comité.

 

 

Celine en Blondine krijgen les én eten in de Belgische school, een initiatief van een comité onder leiding van de geïnterneerde luitenant-kolonel De Pauw. Maar niet alleen de Belgische kinderen krijgen les in Harderwijk…

Nog veel sneller dan mijn grootmoeder en haar zusje zaten in Harderwijk Belgische geïnterneerde soldaten op de schoolbanken. Ondanks het feit dat het moeilijk samenwerken was tussen Belgische en Nederlandse overheden en comités werden in het interneringskamp al heel snel scholen opgericht. Vooral na de dodelijke opstand in Zeist beseften alle partijen maar al te goed dat zoveel op elkaar gepakte, zich vervelende jongemannen een tijdbom vormden en dat ze niet eeuwig konden worden bezig gehouden met ingenieuze knutselwerkjes uit been, hout en blikjes.

Alfabetiseringscampagne

Al in maart 1915 wordt de eerste school officieel geopend en begin september telt ze al 6.750 leerlingen. Het leeuwendeel van de soldaten volgt de algemene leergangen en dat is geen toeval: heel veel van de soldaten zijn analfabeet. In totaal leren 5.968 mensen lezen en schrijven in de kampscholen, daarnaast zijn er ook nog beroepsopleidingen. In “Gehalveerde mensen” lezen we dat er relatief weinig gespijbeld werd. Als het heel erg heet was in de zomer, bleven nogal wat scholieren weg uit de snikhete klaslokalen en ook als de soldij uitgekeerd werd, bleef zo’n 65% afwezig.

De nooduniversiteit

Zelfs universitaire studies blijken niet onmogelijk, al blijven ze enkel weggelegd voor een heel kleine minderheid van de soldaten. Op 18 januari 1915 richt de Leuvense professor Collard met hulp van zijn Utrechtse collega Schrijnen een Belgische nooduniversiteit op in Amersfoort. De- nagelang de bron 91 of 137- studenten die er de colleges volgen, worden er wel bewaakt. Nederland blijft immers angstvallig de internationale voorschriften volgen om toch maar niet de status van neutrale staat te verliezen. Pas in november 1915 versoepelt hun houding en kunnen de geïnterneerden terecht in de bestaande Nederlandse onderwijsinstellingen. De Belgische universiteit van Amersfoort verdwijnt even snel als ze ontstond.

 

 

Tussen de spullen van mijn grootvader een broche met een portret van Camille Huysmans, prentbriefkaarten met de Vlaamse Leeuw erop en een religieus getinte brief. De geïnterneerde soldaten maakten in de kampen kennis met andere religies, levenswijzen en overtuigingen. Een wereld ging open…

Ik kan Peter noch zijn dochter, mijn grootmoeder, vragen waarom ze die brief bewaard hebben. Het is een getypte brief in de typische paars dat verraadt dat het een doorslagje is: wie nog uit de tijd van voor het fotokopieerapparaat stamt, weet wel wat ik bedoel. De briefschrijver drukt er zijn medevoelen met zijn “iets heeft mogen doen voor sommigen”van hen. Verder wijt hij “deze benauwde tijd” aan een poging van God om de mensen tot nadenken en dichter bij God te brengen en biedt hij aan om de geadresseerde bij zijn geestelijke strijd te helpen. Bovenaan de brief prijkt een adres in Amsterdam: Kerkstraat 342: dat was sinds 1912 het hoofdkwartier van de opstartende Pinkergemeenschap in Nederland. De brief is met inkt ondertekend door ene G.R. Polman en dat blijkt dus Gerrit Roelof Polman te zijn, voormalig Leger des Heilssoldaat en latere stichter van de Nederlandse Pinkstergemeenschap. De brief dateert van mei 1915, vermoedelijk heeft Polman de soldaten in dat eerste moeilijke half jaar van internering steun geboden en hield hij nadien contact.

Overigens was Polman blijkbaar niet de enige zendeling die de Belgen in Harderwijk te hulp schoot: op internet vind ik een memoriam van een zendeling van een andere strekking waarin te lezen staat dat ze in groep naar Harderwijk afzakten om Belgische militairen en hun vrouwen en kinderen evangeliseren en kleding geven.

De wereld van mijn grootouders moet daar in Nederland wel breder geworden zijn: zelfs uit traditie katholiek leefden zij plots nauw samen met mensen met een heel andere religieuze achtergrond. De joodse Beems, bij wie ze een kamer betrokken, de protestanten in Harderwijk en blijkbaar ook de beginnende Pinkerstergemeenschap.

Huysmans

Ook op andere vlakken droeg het leven in het interneringskamp bij tot een grotere bewustwording van wat er in de wereld te koop was. In tegenstelling tot de kampcommandant van Zeist, legde die van Harderwijk de geïnterneerden geen strobreed in de weg als ze politieke activiteiten organiseerden. De socialistische beweging kreeg er voet aan de grond, niet in het minst omdat hun voorman Camille Huysmans zich al van het begin voor de geïnterneerden had ingezet. In het al eerder geciteerde boek over het kamp in Harderwijk “Gehalveerde mensen” haalt Anton Reijngoudt aan hoe Huysmans na de opstand in Kamp Zeist de vertrouwenspersoon van de geïnterneerden werd en voortdurend probeerde om hun leven draaglijker te maken.

De Vlaamse zaak.

Van de 7500 leden die het Vlaamsch- Belgisch Verbond aan het einde van de oorlog had, waren er liefst 2400 geïnterneerden uit Harderwijk: dat de vraag naar gelijke rechten voor Vlamingen en Walen, vernederlandsing van het onderwijs, bestuur en rechtspraak in het interneringkamp leefde, staat daarmee buiten kijf. Het VBV streed wel voor de Vlaamse zaak, maar uitdrukkelijk binnen een Belgische context. Toch waren zij én het opkomende socialisme een doorn in het oog van de Belgische regering, die zich zelfs officieel bij de Nederlandse regering beklaagde over de vrijheid van meningsuiting- en daardoor opborrelende revolutionaire gedachten- in de interneringskampen en even een tijdelijk verspreidingsverbod van De Belgische Socialist verkreeg. Het kon het tij niet keren. Vanaf september 1917 werd een campagne opgestart om het imago van de Belgische regering bij de geïnterneerden te verbeteren. Maar dat kon niet verhinderen dat heel veel geïnterneerden van mening waren dat ze te lang in de steek gelaten waren…..

 

 

Vijfhonderd man twee à drie uur lang marcheren onder gewapende begeleiding, in de onmiddelijke omgeving van het kamp: in de eerste maanden was dat de enige voorziene ontspanning voor de soldaten achter prikkeldraad. Maar al gauw ontstonden sportverenigingen……

Het moet een grimmig gezicht geweest zijn, die rijen Belgische soldaten die tegen hun zin een paar uur marcheerden onder bewaking. Waarschijnlijk daarom dat die gewapende geleide al snel achterwege bleef en de mars plaatsvond onder leiding van Belgische officieren die hun erewoord hadden gegeven dat niemand zou proberen te ontsnappen. Vanaf dan marcheerden ze ook met het eigen muziekcorps voorop. Maar volgens “Gehalveerde mensen” raakten de verplichte marsen ook in die vorm in onbruik toen de geïnterneerde soldaten zelf sportverenigingen begonnen op te richten.

De grootste wielerpiste van Nederland.

In 1917 telt het kamp Harderwijk maar liefst 43 sportverenigingen. Turnen, boogschieten, voetballen, kaatsen….en wielrennen natuurlijk. De soldaten legden in het kamp de grootste wielerpiste van Nederland aan, naar de wedstrijden kwamen telkens een paar duizend toeschouwers. Alleen met de duiven spelen mocht naar verluidt niet: die beesten werden toen nog militair ingezet, dus vonden de Nederlanders dat waarschijnlijk te delicaat…Wieler- en wandeltochten aan de andere kant van het prikkeldraad mochten dan weer wel, maar dan werden Nederlandse bewakers meegestuurd.

Wielerbaan Harderwijk Belgenkamp foto 1 Stuyf

Wie even rondstruint op het internet, vindt een heleboel ansichtkaarten met foto’s van de sportactiviteiten- en ook culinaire hoogstandjes, zoals de theatervoorstellingen en concerten door de gevangenen- van de geïnterneerde Belgen. Blijkbaar moesten ze de goede behandeling van de geïnterneerden door de overheid uitdragen, de Duitse overheid gebruikte soortgelijke kaarten met foto’s van het idyllisch voorgestelde leven in de krijgsgevangenkampen overigens ook als propagandamiddel om hun imago op te smukken. Leidden die Belgische soldaten dan een zalig luizenleventje achter prikkeldraad? Het lijkt zo voor wie enkel de voorkant van de ansichtkaarten bekijkt. De achterkant, de overgebleven getuigenissen van de Belgen en zeker ook de lijsten met de mensen die in de kampen overleden, geven een heel andere realiteit weer.

 

 

Er was onderwijs en sport, zelfs verenigingsleven in de kampen: beter dat dan de loopgraven in de Westhoek. Toch hadden de soldaten het moeilijk met de omstandigheden waaronder ze moesten leven.

“Diep begaan met het lot van alle volken, die in den krijg zijn medegesleept, draagt Nederland de buitengewone lasten die het worden opgelegd gewillig en ontvangt met open armen alle ongelukkigen die binnen zijne grenzen eene toevlucht zoeken”, sprak de Nederlandse koningin Wilhelmina in haar troonrede op 15 september 1914. Dat was niet in dovemansoren gevallen in ons land en toen de ingesloten Belgische soldaten na de overgave van Antwerpen de keuze hadden tussen krijgsgevangenschap in Duitsland of de grens oversteken, hoefden ze niet lang te twijfelen. Een en ander viel dik tegen. Nederlandse burgers en verenigingen hielpen dan wel waar ze konden, maar de Nederlandse overheid was een pak minder gastvrij. De Belgische soldaten werden door het Nederlandse leger meteen ontwapend, opgesloten achter prikkeldraad en als gevangenen behandeld. Ze slapen op strozakken, waarvan het stro af en toe moet worden verbrand omdat het vol ongedierte zit. Dat en de kou, het feit dat ze met veel te veel opeengepakt leefden, de gebrekkige hygiëne en het karige rantsoen eisen hun tol: het kamp wordt geplaagd door besmettelijke ziekten. In het begraafregister van Harderwijk staan verrassend veel namen van Belgische soldaten tussen 19 en pakweg 40 jaar oud: toch mannen in de bloei van hun leven. De Nederlandse kranten uit die tijd maken melding van tyfus, nekkramp ( meningitis of hersenvliesontsteking) bij de Belgische geïnterneerden en hun gezinnen.

Was het tyfus of nekkramp dat Honoria Margareta Hendrickx fataal werd? Het rouwprentje van de 37-jarige vrouw uit Avekapelle zit tussen de papieren van mijn overgrootouders. Uit de tekst blijkt dat ze getrouwd was met Willem Dias en moeder van een zoontje. De kampregisters verklappen dat Albert een jaar ouder was dan mijn grootmoeder. Acht was hij dus toen zijn mama op 26 oktober 1916 overleed in Harderwijk. Ze werd er begraven op 30 oktober ( haar graf bestaat nog altijd, rond de graven van de in Harderwijk overleden Belgen werd later het Belgisch ereperk gevormd).

Van een andere soldaat, Frans Beulens uit Boom, lezen we dat hij bezweek ( 30 mei 1916) aan tuberculose in het in Harderwijk gelegen sanatorium Sonnevanck. En na de epidemieën van cholera, tyfus, meningitis en de voortdurende strijd tegen tuberculose kwam in 1918 de genadeslag met de Spaanse griep. Dat ze ondanks quarantainemaatregelen zoveel slachtoffers maakte, had waarschijnlijk ook te maken met het feit dat de kampbewoners honger leden. De rantsoenen waren als gevolg van de voedselschaarste in de laatste oorlogsjaren kleiner geworden en hoewel de soldaten zelf groente probeerden te kweken, moet dat een druppel op een hete plaat geweest zijn.

Vooral toen op 1 maart 1918 de broodrantsoenen gewoon gehalveerd werden, werd de honger nijpend. Al een paar dagen nadien kwam een deel van de soldaten in opstand, maar ze werden door de Nederlandse bewaking manu militari uit elkaar gedreven. Ook de toch al lage soldij werd in die periode verminderd en die hadden de soldaten altijd nodig gehad om hun rantsoenen aan te vullen. De mannen beginnen honger te lijden, zoeken eten waar ze kunnen en proberen om voedsel het kamp binnen te smokkelen. Een van hen betaalt dat met zijn leven. Op 9 oktober 1918 schieten de Nederlandse bewakers de 24 jarige Mechelse carabinier Henri De Bakker dood als hij wat aardappelen het kamp wil binnensmokkelen. Hoewel de kampbevelhebber meteen zijn soldaten verbiedt om nog met scherp te schieten, blijft het een pijnlijke zaak. Want het voorval geeft de Belgen weer eens het nare gevoel dat ze gevangen zijn, in plaats van gasten.

 

 

Mondjesmaat kregen de geïnterneerde Belgen meer en meer kans om buiten het kamp aan de slag te gaan in zogenaamde interneringsgroepen. Wie zo’n baan kon bemachtigen, was een pak beter af dan zijn lotgenoten…..

“Beste vrient Théophile. Zoo heeft ik de zondag ook aan het strand geleegen met mijnen verloofde. Vrient zoodus kunt gij wel denken wat plizier ik nu heeft teegen dat ik daar was”. Daar, dat is dus het kamp in Harderwijk waar Lowie Bastanie geïnterneerd was. Hier, dat is Warffum, waar Lowie deel uitmaakt van een interneringsgroep.

De Bloggende Nederlandse historicus Erik de Graaf stuurt ons twee foto’s door en schetst voor welk soort werk de Belgen daar ingezet werden. “Er waren zowel Belgische militairen als Belgische gezinnen in Warffum. Ze waren op drie locaties ondergebracht. In de Hoofdstraat 12-14 woonden enkele militairen, die door Nederlandse soldaten werden bewaakt. Van die militaire “interneringsgroep”bestaat een foto, die gemaakt werd voor dat huis. Een enkele Warffummer weet nog dat Hoofdstraat 12-14 de kazerne werd genoemd. Sommige werkten in de vlasfabriek van de gebroeders Pentermann aan de Oosterstraat. Het vlas werd eerder in België verwerkt, maar dat ging door de oorlog niet langer. De Pentermanns zetten daarom een eigen fabriekje op”.

“Andere vluchtelingen, ook civile, werkten bij de smid Gerrit Oudman aan de Pastorieweg of bij boeren in de buurt. Er is een foto van werkzaamheden bij de smid Oudman uit 1916. De smid staat erop, zijn zoons, een nieuwsgierige voorbijganger Wieringa en een Belgische vluchteling. Ik vermoed de persoon helemaal rechts”.

In de loop van 1916 vertrekken hoe langer hoe meer Belgische geïnterneerden naar interneringsgroepen buiten het kamp, in totaal tegen het einde van de oorlog waren meer dan 10.000 militairen aan het werk in interneringsgroepen, staat te lezen in “Gehalveerde mensen”. Onder hen vrienden van mijn grootouders, want ik vind enkele kaartjes aan mijn overgrootmoeder waarop ze hun adres doorgeven. Frans Gooris en Albert Desmet gaan aan de slag in Alblasserdam, op de scheepswerf De Noord. De orderboeken van die werf, waar grotere zeeschepen werden gebouwd, waren in de oorlogsjaren goed gevuld.

Mijn overgrootvader bleef in Harderwijk. Hij werkte in het kamp, weet zijn kleinzoon nog. “Hij herstelde netten van vissers”. Harderwijks economie draaide grotendeels op haar vissersvloot, zodat er veel vraag was naar nettenboeters. Met zijn gezin vlak in de buurt had hij waarschijnlijk ook niet veel zin om elders in Nederland deel te gaan uitmaken van een interneringsgroep. En dat gezin had zich inmiddels behoorlijk gesetteld in den vreemde.

 

 

De Belgische soldaten in de volle, vuile barakken van het interneringskamp van Harderwijk zijn niet te benijden. Maar hoe stellen mijn overgrootouders en haar twee dochtertjes het intussen?

Als mijn grootmoeder vertelde over de tijd dat ze in Holland zaten, had ze nooit over honger of ziekte. Werd ze als klein meisje afgeschermd van grotemensenproblemen? Of haalde nostalgie naar haar kindertijd het op nare herinneringen? In ieder geval waren er vrij veel mensen die het lot van de kinderen ter harte namen. Vanuit Amerika en Zwitserland kwam hulp voor de Belgische kinderen, in Nederland waren ook organisaties die hen hielpen en in Harderwijk was er het comité dat eerder al de Belgische School had opgericht, een groepje weldoeners onder leiding van Luitenant-kolonel De Pauw dat ook voedselbedelingen organiseerde. En het zorgde ook voor vertier. In een Nederlandse krant lezen we een uitgebreid verslag van het Koningsfeest ( nu de Dag van dynastie) in Harderwijk dat daar de dag nadien gevolgd door een feest voor “ruim 600 kinderen allen met de nationale kleuren getooid”.

Assepoester.

“ Gezeten aan lange tafels werden de kleinen op chocolade en gebak onthaald, door de zorg der Cantine Commissie, die voor haar moeite ruimschoots beloond werd door de van geluk stralende kindergezichten”.  Na de verwennerij werd een film gespeeld: Assepoester, voorafgegaan door “portretten van het Hollandsch prinsesje, van de Hollandsche Koningin, van de Belgische Koningin, van de Belgische Koningskinderen en Koning Albert”.  Zacht begeleid door het Belgisch volkslied. De Belgische kinderen maakten een puike indruk op de aanwezige Nederlandse journalist. “Opmerkelijk is zeker hoe ordelijk en beschaafd de Belgische kinderen zich bij dergelijke gebeurtenissen gedragen. Een beleefd hoofdbuiginkje voor den Generale staat daarbij gewoonlijk op het programma. Feest- en schoolcommissie hadden wederom een dankbare taak!”

Verhuis.

Eind 1916 verhuizen Celine en haar zusje naar een nieuw onderkomen in Nederland. Tot dan toe woonden ze met hun moeder hartje Harderwijk bij de familie Beem, nu krijgen ze een huisje in Leopoldsdorp, een door de Belgische Commissie gefinancierd vrouwendorp. In februari was het eerste vrouwendorp Heidekamp in gebruik genomen. Dat bestond uit vijf grote gezinsbarakken met twintig kamers, na enkele maanden werd de capaciteit ervan al uitgebreid tot 200 gezinnen. Maar omdat er nog altijd plaats tekort was, volgde dan eind december 1916 Leopoldsdorp, dat dichterbij de stad gelegen was en uit kleinere wooneenheden bestond. Heel kleine, zo blijkt uit een brief van een jongetje in Gehalveerde mensen. “We beschikten daar slechts over één kamer, waarin gewoond, gekookt en geslapen werd; mijn bedje werd in de dag onder het bed van mijn ouders geschoven”.

Hoedanook hadden Louise en haar dochters ook bij de familie Beem waarschijnlijk maar één kamer en was de verhuis naar Leopoldsdorp voor de meisjes sowieso een verbetering. Want bevelhebbenden De Lannoy voerde met de tijd een meer soepele verlofregeling in, waardoor getrouwde geïnterneerden zoals mijn overgrootvader drie nachten per week bij hun gezin mochten blijven als ze zich onberispelijk gedroegen. De papa van Céline en Blondine is dus vaker “thuis” en zelf krijgen Céline en Blondine in Leopoldsdorp meer gelegenheid om buiten te spelen met de andere Belgische kinderen. En om kattenkwaad uit te halen. Bij een van de soldatenfoto’s in haar album heeft mijn vader geschreven dat “Charel van de keirel” er opstaat, “die moemoe in Holland leerde roken”. Wat speurwerk leert dat de snoodaard waarschijnlijk Charles Van Asch was, een herbergierszoon uit Breendonk, die bevriend was met mijn overgrootouders en ook in Harderwijk geïnterneerd was. Vandaag de dag zou niemand nog accepteren dat een volwassene een kind leert roken, toen vonden ze dat waarschijnlijk enkel een goede grap.

harderwijk_int-vrouwenkamp-002

Céline heeft blijkbaar haar draai gevonden in Nederland. Ik vind kaartjes die aan haar gestuurd zijn door een Belgische vrouw die met haar gezin in het vluchtoord Uden verblijft, uit het kaartje maak ik op dat ze ook bevriend is met de kinderen van het gezin Neetens- De Cock, die ook in Nederland verblijven, er is een foto in haar album met twee meisjes erop en de vermelding: “Tweeling, kennissen uit Holland(14-18)”. Mijn grootmoeder moet toen al zo spontaan en ruimhartig geweest zijn als ik haar altijd gekend heb.

Op het thuisfront in Willebroek wordt ze dan ook gemist, in ieder geval al door haar vriendinnetje en buurmeisje Francine De Velder. Schattig, het kaartje dat die haar stuurt ter gelegenheid van nieuwjaar. “Beminde Shiline, ik wensch u eene gelukkige nieuwjaar en mijn hart dracht toch zou om u weder te zien dat wij met malkaar naar de school kunnen gaan gelijk wij voorgaande jaren gedaan hebben en ik hoop van u in korte weder te zien en een gelukkig nieuwjaar aan uw vader en moeder.”

Harderwijk telde zo’n 7.500 inwoners voor de oorlog uitbrak. De komst van het interneringskamp en in het zog daarvan een heleboel gezinnen van Belgische soldaten zorgde ervoor dat er plots meer dan drie keer zoveel mensen woonden.

Hoe gingen die met elkaar om?

Het stadje Harderwijk werd behoorlijk overhoopgehaald in 1914. Op het kazerneterrein werden eerst Belgische burgervluchtelingen opgevangen, maar die werden begin oktober de deur uitgewerkt, om plaats te maken voor de duizenden ontwapende Belgische soldaten. Die werden ontzettend snel en efficiënt in treinen uit het grensgebied weggevoerd, slechts een 7.000-tal slaagde erin om burgerkleren te bemachtigen, de grens over te komen en weer aan te sluiten bij de tegen de Duitsers vechtende troepen. Van de Belgische soldaten kregen de mensen uit Harderwijk aanvankelijk enkel officieren te zien, want die mochten – als ze op hun erewoord beloofden dat ze niet zouden proberen te ontsnappen – op kamers in Harderwijk. De gewone soldaten zaten opeengepakt in hun tenten en later barakken en waren enkel zichtbaar als ze met muziek “gelucht” werden of individueel, als ze verlof kregen om met bezoek te gaan wandelen. Met de gezinnen die de soldaten achterna gereisd waren, was er meer contact. Die zochten immers onderdak in het stadje, kamerverhuurders moesten al snel ingetoomd worden om geen woekerprijzen te vragen. Andere wilden dan weer absoluut geen Belgen in huis, getuigen enkele advertenties in plaatselijke kranten.

Dat de Belgen voor extra handel zorgden, wisten de middenstanders in Harderwijk te waarderen. Toen er even sprake van was dat het kamp in Harderwijk zou worden opgeheven en de Belgen elders zouden worden ondergebracht, was het protest zo hevig dat de beslissing teruggedraaid werd.

Belgische medam.

Aan de andere kant verbroederden Belgen en Nederlanders nu ook weer niet als één grote familie. Ondanks het grote aanbod aan jonge mannelijke Belgen en het ontbreken ( want gemobiliseerd in de grensstreek ) van veel mannelijke Harderwijkenaars van dezelfde leeftijd, telt Anton Reijngoudt ( in Gehalveerde mensen ) slechts zestien “gemengde” huwelijken. Het feit dat de meeste geïnterneerden katholiek en de autochtonen doorgaans protestant waren, zal wel meegespeeld hebben. De meer bourgondische levenswijze van de Belgen viel ook niet erg in goede aarde bij de strenge protestanten, die het niet zelden kleinerend over “soldaatjes” en “medammekes” hadden. In het begraafregister van het Belgisch deel van de Harderwijkse begraafplaats – toch geen frivole lectuur – staan enkele overleden Belgische vrouwen een beetje ongepast vermeld als “Belgisch medam”…

Af en toe waren er opstootjes tussen soldaten en boerenjongens en relletjes met dronken soldaten, maar echt zware problemen waren er niet. Zelfs toen een geïnterneerde korporaal in januari 1916 een zesjarig meisje uit Harderwijk misbruikte en vermoordde, waren er daardoor geen anti-Belgische oprispingen. De Belgische gemeenschap reageerde overigens ook aangeslagen en betrokken op de vreselijke feiten. De kleine Woutje van de Velde ligt nog altijd begraven op het Belgische ereperk op de begraafplaats van Harderwijk, onder een zerk in de vorm van een te vroeg geveld boompje.

 “Spoed! Spoed! Spoed! BELG wenst nog te verkopen: fornuis, schrijfmachine, naaimachine op voet enz.” staat op 20 november 1918 geadverteerd in het Gemeenteblad van Harderwijk. De oorlog is afgelopen, de Belgen kunnen naar huis terugkeren.

Op woensdag 16 oktober verkondigen grote affiches in de uitstalramen van een aantal Harderwijkse winkels dat het vrede is, dat Duitsland zich overgegeven heeft en de Duitse Keizer al richting Nederland gevlucht is. In het interneringskamp wordt dat goede nieuws duchtig gevierd in de kantine, die voor de gelegenheid langer open blijft. De kater de volgende dag ligt niet (alleen) aan de drank, maar aan wat de kranten melden: het bericht was een losse flodder, de oorlog is nog niet afgelopen. De successen van het geallieerde leger, dat de Duitsers terugdrijft, zorgen ervoor dat de Belgen in Nederland ongeduldig worden: ze willen naar huis. Er zijn er die alvast de grens oversteken, wat de Belgische regering ertoe aanzet om de landgenoten in Nederland te vragen om ter plaatse te blijven tot er een gestructureerde georganiseerd kan worden. De situatie in België is nog erg chaotisch en gevaarlijk. Op 11 november 1918 wordt uiteindelijk de wapenstilstand getekend en is de Eerste Wereldoorlog voorbij. In de Nederlandse kranten vind ik niets over vreugdetaferelen in het kamp van Harderwijk. Misschien waren die er ook niet, de kampbewoners hadden wat anders aan hun hoofd, met de Spaanse griep die begin november snoeihard toeslaat in Harderwijk en de autoriteiten ertoe dwingt om alle lagere scholen te sluiten. De Nederlandse kranten hebben overigens geen moeite om hun kolommen te vullen. Ze verhalen over de Duitse Keizer die plots aan de grens met Nederland staat, er onderdak wil en krijgt. Over de Belgische poging om Zeeuws-Vlaanderen in te pikken. Over de beschuldigingen van België en andere geallieerde landen dat de Nederlanders zich tijdens de oorlog wel erg pro-Duits heeft opgesteld. Dat Nederland een paar duizend Duitse soldaten over zijn grondgebied laat terugkeren – en hen niet ijverig en snel te ontwapenen en te interneren, zoals de Belgische soldaten in 1914 – zet hun argumenten kracht bij.

Trage terugkeer.

De verstandhouding tussen Belgische en Nederlandse autoriteiten laat in die dagen duidelijk te wensen over: is het daarom dat de organisatie van de terugkeer eerder langzaam op gang komt? Op 23 november meldt het Overveluws dagblad: Aangaande het vertrek van de Belgische geïnterneerden is nog niets definitief bepaald”, enkele dagen later kondigt De Harderwijker aan dat de aftocht baraksgewijze en in de volgorde der divisies zal plaatsvinden, vanuit het station van Harderwijk. Elke trein zou zo’n 800 á 1000 man vervoeren, 16 Nederlandse soldaten zullen het begeleiden tot aan de grens. Op 7 december vertrekt mijn grootvader naar België. Op 10 december tussen 10 en 11 uur moet mijn overgrootmoeder paspoorten voor zichzelf en de meisjes aanvragen voor de terugkeer, zo blijkt uit een rondschrijven van burgermeester Kempers van Harderwijk. Op 13 december 1918 vertrekt de laatste trein met Belgische soldaten richting vaderland.

Vermoedelijk volgden Louise en de kinderen op 16 december, in De Harderwijker staat immers vermeld dat dan om half acht een extra trein met de gezinnen uit de provincies Antwerpen, Henegouwen, Luxemburg en Limburg vertrekt. In een andere krant vind ik een lijst met wat de terugkerende Belgen mee over de grens mogen nemen ( van Schengen was nog heeeeeel lang geen sprake!) : ½ kilo suiker, 1 kilo peulvruchten, 1/10 kilo koffie, 8 kilo aardappelen, 2/10 kilo jam, 6 flessen wijn of likeur, ½ kg gecondenseerde melk, 1 stuk zeep, ½ kilo boter, 2/10 kilo kaas, 2/10 kilo chocolade, 1/10 kilo specerijen, 25 kilo steenkool, per man ½ kilo tabak of sigaren, per gezin 2 doosjes schoensmeer en 1 kilo vogelvoer.

In Harderwijk ziet men de Belgen met lede ogen vertrekken: ze deden de kassa’s rinkelen en zorgden voor kleur in het stille vissersstadje. In het laatste nummer van de kampkrant Inter-Nos verschijnt een geestig gedicht van een afscheidnemende militair, dat overgenomen wordt in een plaatselijke krant.

Mijn afscheid

Een vervelend verhaal

Over ’t geen men in negentien

In ’t dooie Harderwijk zal zien.

 

Zes ure slaat de stadhuisklok

Een visschersbonk komt uit zijn hok,

Kijkt links, kijkt rechts het steegje rond

En geeuwt en spugt dan op de grond.

 

Om zeven uur schrikt d’halve stad

Uit haren diepen slaap doordat

Twee boeren, met hun klompen aan,

Met zwaren tred langs ’t Kerkplein gaan.

 

Ten achten wordt het druk op straat:

Drie burgers in de Donkerstraat,

Een bakkerskar, een melkboerin,

Den groentenboer, een schipperin.

 

Om negen ure loopt een hond

Verhongerend en snuffelend rond

De stinkende vischmeelfabriek

En vreet zich aan garnalen ziek.

 

Ten tienen stapt een Compagnie

Van ’t negende infanterie,

Met slaande trom, vliegende vaan,

Langsheen d’Oranje-Nassaulaan.

 

Ter elfder uur, ziet men geen muis,

Daar ieder Harderwijker thuis

Nu voor zijn kopje koffie zit

Den eengen troost dien hij bezit.

 

Om twaalf uur gaan honderd man

Langs brink en steeg en straten van

De stad: ’t zijn ambachtslui die gauw

Wat eten halen bij hun vrouw.

 

Om één uur, ziet men ’t zelfde weer

Van ’t achtste uur – mijn woord van eer –

Behalve dat de melkboerin

Vervangen is door haar vriendin.

 

Ten tweeden zitten in ’t Hotel

Twee reizigers die praten fel

Over den tijd dat Harderwijk

Den Belgen dank, geld won als slijk.

 

Drie uur- Ginds gaat een droeve meid

Die aan haar hand een kindje leidt

Hu, huilt het jonkske, hu, hu, hu,

Zeg, moeke, waar is vader nu?

 

Het slaat nu vier, ’n fiets! “n fiets!

Hé! Denk erom!! – God, nog ’n fiets!!

Ring, ring!!! Rechts houden! Nog ’n fiets!

Hé,hé, nu gebeurt er iets

 

Van vijf tot zes loopt menig paar

Een “zeetje”rond, met stijf gebaar.

De Borrelclub uit d’Harmonie

Drinkt dan z’n bittertje of drie.

 

’t Is zeven uur – geheel alleen

Loopt daar een Juf in diep geween.

Ze staart op een verlovingsring

Droefstemmende herinnering.

 

Acht ure – achter elk gordijn

Een theelicht werpt zijn vagen schijn

.t Is ’t uurtje van gezelligheid,

Maar ook van kletspraat, haat en nijd.

 

Als eindelijk ’t klokje negen slaat

Ziet men geen sterveling meer op straat.

Dat is wat men in negentien

In ’t dooie Harderwijk zal zien.

In haaste.

Ward de Kletskous.

Stonden Céline en Blondine te popelen om terug naar huis te gaan of hadden ze het moeilijk om iedereen die ze in Nederland hadden leren kennen, achter te laten? Misschien zegt het iets dat mijn grootmoeder zoveel kaartjes uit die tijd bewaard heeft. Onder meer een kaartje van Frederik Neetens (36 in 1918, er net als mijn overgrootvader in 1909 “ingeloot”) en Philomena De Kock (35), die laten weten dat ze goed thuisgekomen zijn. “Thuis”, dat is Aalst, maar uit een briefje dat ze ( vermoedelijk een jaar ) later sturen, blijkt dat ze toen zonder woonst zaten. De de Gheestraat in Aalst ligt vlakbij de Zeebergbrug, vermoedelijk zal daar hevig gevochten zijn tijdens de Eerste Wereldoorlog.

Uit de brief blijkt ook dat het dan al een pak beter gaat met de familie Neetens. Zoon Edmond heeft werk bij een schrijnwerker ( uit wat zoekwerk op internet blijkt dat hij later een bekend figuur wordt in Aalsterse fanfaremiddens) en de moeder van Philiomena stele het blijkbaar ook wel: “ze wordt zo vet als een koei…”

Dat de twee koppels veel steun hebben gehad in niet zo makkelijke omstandigheden in Nederland wordt duidelijk in de laatste regels: “En we denken dat gij ons in het kort nog eens zult komen bezoeken om over onzen droeven tijd nog eens te klappen”.

Tussen de papieren van peter zitten er veel van de Oudstrijders en dat is een goed teken. Uit verhalen op internet blijkt dat in sommige gemeenten geïnterneerden blijkbaar niet welkom waren bij bijeenkomsten van oud-strijders, herdenkingsplechtigheden en dies meer. Dat was zo te zien geen probleem in Willebroek.

De oorlog is voorbij, de geïnterneerde soldaten keren huiswaarts en proberen het dagelijks leven van voor de oorlog weer op te nemen. Niet zo simpel na vierenhalf jaar afwezigheid en bovendien voelen ze zich af en toe onheus behandeld……

“Op het oogenblik waarop de soldaten na hun langdurige interneering naar hun vaderland terugkeeren, heeft de regering minister Franck en mij afgevaardigd om u te begroeten. Ik heet u welkom. Wij weten hoe moeilijk uwe taak is geweest. De plotselinge val van Antwerpen was voor een openbare meening een ontsteltenis. Men weigerde er aan te gelooven. En het was onvermijdelijk dat tegenover zulke gebeurtenissen de meest onjuiste geruchten geloof vinden, temeer wanneer de vrijheid der pers aan banden is gelegd. Doch de waarheid verkrijgt steeds de bovenhand en men weet heden dat het besluit om het veldleger op het laatste oogenblik aan de omsingeling, die het in Antwerpen bedreigde, te onttrekken een van de vruchtbaarste, wat de resultaten aangaat, heeft behoord. Daarom verklaart de regering luide dat zij, die tegenover het moeilijke alternatief hebben gestaan om zich aan de Duitschers over te geven of de Nederlandsche grensch te overschrijden, van hun recht hebben gebruik gemaakt en hun plicht hebben gedaan om een gehaten vijand den triomf te ontnemen een legioen van krijgsgevangenen achter zich aan te slepen. Uw rol is pijnlijk en ondankbaar geweest. Ondanks de zorgen en de toewijding, waarvan de Nederlandsche regeering en hare militaire en burgerlijke autoriteiten getuigenis hebben afgelegd en waarvoor gij en wij hen altoos dankbaar zullen blijven, hebt ge een langdurige en smartelijke ballingschap ondergaan. Gij hebt u een gedwongen onthouding aan deze langen oorlog moeten getroosten. Heden begroeten de regeering en het vaderland u met vreugde temidden uwer wapenbroeders en medeburgers.” Met deze tekst verwelkomden minister van oorlog Fulgence Masson en minister van Koloniën Louis Franck ( die de Nederlandse vertaling voor zijn rekening nam) de eerste treinlading terugkerende geïnterneerde soldaten in Kapellen. Het moet een hart onder de riem geweest zijn voor de soldaten, die in de interneringskampen heel vaak het gevoel hadden dat ze door de Belgische overheid in de steek gelaten waren. Dat gevoel was niet onterecht, want bijvoorbeeld beloofde soldijverhogingen, kolen en kolenkachels lieten telkens lang op zich wachten en dat voelden ze telkens letterlijk aan de lijve. Maatregelen om hun gevangenschap te verlichten hadden ze aan lobbywerk van mensen als Camille Huysmans en aan de inschikkelijkheid en menselijkheid van mensen als de Harderwijkse kampcommandant de Lannoy te danken, de Belgische regering greep vooral in om de socialistische en flamingantische stromingen in de kampen te dwarsbomen. Een voorbeeldje: toen er sprake was van een derde gezinsdorp in Harderwijk wilde de Belgische overheid als voorwaarde voor huisvesting daar invoeren dat de betrokken soldaten zich niet met politiek zouden bezighouden…

Eer en erkenning.

Half augustus 1919 krijgt mijn overgrootvader het Gedenkteeken der Zegepraal toegewezen, in oktober van dat jaar volgt een brevet van de Herinnerings Medaille van de Oorlog 1914 – 1918 voor Théophile Deboeck (sic). De spelfouten zijn typerend voor het gebrek aan echte belangstelling, échte erkenning: de medailles die bij die brevetten hoorden, kreeg je enkel als je ervoor betaalde…Théophile was dan nog vanaf 1 februari 1919 ontslagen van zijn plichten tegenover het vaderland, maar blijkbaar waren er jongere geïnterneerde soldaten die nog opgeroepen werden om verder hun dienstplicht te gaan vervullen, omdat jaren internering niet als actieve dienst beschouwd werden. Pijnlijk…..

Het gebrek aan erkenning vanwege ( een deel van ) de overheid woog zwaar, ook al omdat nogal wat landgenoten erg misprijzend reageren op oud – strijders die in Nederland geïnterneerd waren. Niet gehinderd door enige kennis van zaken worden ze zelfs voor deserteurs uitgescholden. En dan is er de zaak van de beruchte frontstrepen, een classificatie waaraan onder meer een rente verbonden was. “De eerste wet die de frontstrepen regelde, kende enkel frontstrepen toe voor volledige periodes die soldaten aan het front gevochten hadden”, legt Willem Segers van het Instituut voor Veteranen – Nationaal Instituut voor Oorlogsinvaliden, Oud – strijders en Oorlogsslachoffers uit. “In die zin kregen de geïnterneerde soldaten niets, omdat ze slechts drie maanden aan het front geweest waren. Pas in 1932 is dat rechtgezet en werden de frontstrepen toegekend per “begonnen”periode. Zo kregen die soldaten toch één of twee ( indien ze in die periode gewond geraakt waren) fronstrepen toegekend. Wat de soldaten betreft die in de kampen overleden waren: die werden beschouwd als gesneuveld, hun nabestaanden werden dienovereenkomstig vergoed”.

Nog een andere rekening werd pas in de jaren dertig vereffend. Na de oorlog stuurde de Nederlandse regering de rekening voor de internering van de Belgische soldaten ( blijkbaar mocht dat, door een verdrag uit 1907) liefst 53 miljoen gulden. Ons door de oorlog geruïneerd land kon die som niet meteen ophoesten en betaalde langzaam af: pas op 31 december 1937 was ze afgelost…

Wat erna kwam…

De brevetten met zijn onderscheidingen hingen ingekaderd aan de muur, op zijn rouwbrief staat vermeld dat hij een oud – strijder van 14 – 18 was, hij koesterde foto’s van zijn legermakkers, zo veel papieren uit die tijd zijn honderd jaar bewaard gebleven: die ervaringen tijdens de Eerste Wereldoorlog waren duidelijk belangrijk in het leven van mijn overgrootvader en grootmoeder. Dat mijn grootmoeder er eerder terloops over sprak, had niet alleen te maken met het feit dat ze nog een kind was toen, maar vooral met de tweede wereldoorlog die ze meemaakte. Toen het Duitse leger in 1940 opnieuw ons land binnenviel was ze een jonge vrouw met een zoontje van vijf jaar oud: mijn vader. Weer maakte ze een oorlog mee aan de zijde van haar zus Blondine, die met haar man Gerard, dochtertje Jeanne en zoontje Theophiel in het huis naast haar en haar gezin woonde. Alleen kregen ze veel meer te maken met de Duitse bezetter: ze woonden op de boogscheut van het Fort van Breendonk. Maar dat is weer een ander verhaal…

Auteur: Ariane De Borger.

Met dank aan Plus magazine.be

Gehalveerde mensen. Het Belgenkamp in Harderwijk 1914 – 1918 – Anton Reijngoudt – uitg.BDU – isbn 9070150654

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Dit bericht was geplaatst in Belgen in Harderwijk.

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Verplichte velden zijn gemarkeerd met *