De Hofhoorigheid.

 

 

 

De Hofhoorigheid.

Mr. G.A. de Meester.

 

Indien ik den lezer eenige bladen papier, tot onderscheidene heften, in klein octavo gebonden, die de duidelijkste kenmerken zoowel van ouderdom als menigvuldig handtering dragen, vertoonde; indien hij zag, dat zij van de zestiende en zeventiende eeuw dagteekenden, dat elk heft de naam eener stad, dorp of gehucht, als: Arnhem, Amsterdam, leijden, Monnikendam, Gorcum, Zwolle, Nijkerk, Amerfoort, Apeldoorn, Halvinckhuizen enz., tot opschrift heeft, en namen van personen, hunne maatschappelijke betrekking, echtgenooten, kinderen en kindskinderen bevatten; terwijl, bij het naar elders verhuizen, den lezer door een overeenstemmend nummer tot een ander heft wordt verwezen, dan zou hij welligt vragen: van waar, waartoe die aantekeningen? Doch welligt ook ze achteloos ter zijde werpen. Maar bespeurt hij, dat zij in het latijn, voorwaar geen ciceroniaansch, gehouden zijn; dat er gedurende de eeuwen de opvolging van geslachten in nagegaan kan worden, of dat, bij huwelijk en overlijden, eenige penningen, een paard, eene koe of een stuk huisraad ontvangen waren; dan zal hij zijne aandacht ook nog wel even vestigen op een eenigzins dikker boekje, met het opschrift: Inquirenda; zoo ja, dan zal hij daar onderscheidene punten in opgeteekend vinden, waarnaar de eigenaar onderzoeken moest; doch die in het schijnbaar onbeduidende geheel met den inhoud der heften overeenkomen. “Hoeveel kinderen bezat Rijk Snijder te Haren bij zijn wijf Griete Cornelissen, behalve Hendrik en Wichman? Werwaarts is de oudste zoon van Wulphert van Hel en diens huisvrouw Thonisge vertrokken?” Doch genoeg hiervan.

Mogelijk denkt hij onwillekeurig aan de erfenis van Rennepont uit den Juif errant van Sue; aan die onzigtbare magt, die de gangen van eenige geslachten gedurende eeuwen nagaat; want de namen der personen zijn te nederig, dan dat zij tot eene verzameling van genealogiën zouden behooren.

Noch met deze, noch met gene bedoeling zijn zij geschreven. Het zijn brokstukken der registers van hofhoorige, volschuldige eigene luiden der kelnerij te Putten.

Kelnarij-Putten

Aanzienlijk waren de goederen, die de beroemde abdij der Benedictijner monniken, Abdinghof te Paderborn, ook in Gelderland bezat, en vele daarvan waren op de Veluwe gelegen: want ook de goederen onder Putten, door Folkerus in het jaar 855 aan het klooster werden geschonken, behoorden daartoe. (Bondam, Charterboek des hertogsdom Gelre, blz. 31: lacomblet, Urkundenbuch für die Geschichte des Niederheins, B.I. N.65.) Onder die gemeente waren zij zoo uitgestrekt, dat zij een afzonderlijk beheer vorderden.

Twee geestelijken uit genoemd klooster bestuurden ze. Gedurende eeuwen bewoonde een kelnaar met zijn adjunct en vele bedienden de kelnarij te Putten, en mogt het al natuurlijk zijn, dat de vrome broeders ( die tevens de dienst der kerk, welke door bisschop Floris van Wevelinkhoven, met toestemming van den proost van St. Pieter te Utrecht, bij de abdij was ingelijfd, waarnamen) vóór de reformatie, ook als bezitters van zoo uitgestrekte goederen, algemeen bemind en geacht waren, dan is het ons aangenaam te kunnen getuigen, dat ook na dien tijd deze geestelijken de liefde hunner mede – ingezetenen niet alleen in hooge mate verdienden, maar ook genoten. Toen, voor weinige jaren, de laatste kelnaar, de eerwaarde picard, in hoogen ouderdom den tol der natuur betaalde, toen treurden, zonder onderscheid des geloofs, velen op zijn graf, en voorwaar niet het minst de armen. Hij had beleefd, dat het domein de goederen van zijn klooster liet verkoopen.

Maar laten wij geene eeuwen vooruit loopen. Sommige goederen van de Abdinghof waren in leen uitgegeven, andere wederom als vrije tijnsgoederen of als heerengoederen; doch de meeste waren in het bezit van hoorige of eigenluiden, waaronder vele keurmoedigen.

Deze eischen eene nadere verklaring, gewis niet misplaatstin eene volks – almanak van Gelderland, waar voormaals de landbewoners grootendeels tot dezen stand behoorden.

Nadat de Chamaven, Tubanten, Usipeten, Ambivariten en Sikambren bij afwisseling ook een gedeelte van Gelderland hadden bewoond, werden deze eindelijk door de Saksen overwonnen. Ook wij toch deelen in het gevoelen, dat dit volk eenmaal niet minder op de Veluwe, zelfs tot aan de rivier de Eem toe, als in het graafschap Zutphen en in Overijssel, gevestigd was. ( Molhuijsen, Bijzonderheden omtrent den vroegeren toestand der landstreken aan den IJssel, in den Overijsselschen Almanak voor oudheden en letteren, 1837, blz. 28.) En toen de fiere Friezen voor de wapenen van Pepijn hadden moeten zwichten, toen drongen zijne Franken tot de Veluwe door, onderwierpen daar de Saksen, of noodzaakten deze, tot over den IJssel terug te trekken. ( Het leven van St. Lebuinus, bij Pertz, Monumenta Germ. Historica, cap. 1 p. 361, en de aantekeningen van Lacomblet B. I, N. 2 en 8.) Het Christendom verving de afgodendienst en het bisschoppelijk gezag van Utrecht werd erkend.

Geen wonder dus, dat, zoowel in het graafschap Zutphen, als in Overijssel en op de Veluwe, hier echter door Frankischen invloed eenigermate gewijzigd, een en hetzelfde beginsel van gemeenschappelijk grondeigendom, het Saksische markenwezen, geëerbiedigd werd. Geen wonder, dat het lijfeigenschap daar op Saksische wijze geordend was.

Dat toch ook die stand bij oorlogzuchtige volken, als de Germanen, bekend was, kan ons niet bevreemden. Het mag toch geenzins krijgshaftig, geenzins edelmoedig heeten, den overwonnenen het leven te benemen; neen, zoo hij slechts geene wapenen behield, zoo hem slechts de gelegenheid ontnomen was om eenmaal in het Walhalla den godendrank uit de schedels der vijanden te genieten, wat zou de overwinnaar dan meer begeeren? En de overwonnene? Hoe dikwerf zal hij den dood op het slagveld niet benijd hebben!

En evenwel was de slavernij daar minder vernederend, minder hard, dan bij de Romijnen. Zij werden tot geene huisselijke diensten geroepen. De lijfeigenen te slaan of tot arbeid te dwingen, was zeldzaam; hun door folteringen het leven te benemen. Ongehoord; geschiede het, dan was het in drift of even als men zijnen vijand ombrengt. ( Tacitus, de moribus Germanorum,§ 25. ).

Ook de Saksen waren van den Germaanschen stam. De landen, door hem tot het tooneel hunner dapperheid gekozen, bleven echter tevens getuigen hunner edelmoedigheid, hunner fierheid; want de Sakser liet grootendeels ten minste den grond aan den onderworpenen. Zoo deze hem slechts van de noodige voortbrengselen of vruchten voorzag, zoo hij hem als zijnen heer hulde bewees; dan waren zijne wenschen voldaan. Was daarom de benaming dezer eigenen ( lassi) , of die der goederen, latene goederen, gelatene goederen, niet gepast? Gij weet immers, dat de Saksers drie standen kenden: de edlinge, edelen; frilingi of vrijen, en lassi of lijfeigenen. ( Van de Sande, Consuet. Feud. Tractatus praeliminaris cap. 1 ).

Geheel liet de overwinnaar echter het land niet aan lijfeigenen over; want ook hij vestigde er zich zelf. Wel waren hunne hoven in den beginne eenvoudig; maar, naar mate door den vrede de welvaart vermeerderde; naar mate de invloed der meer beschaafde Franken, hetzij dan door dwang, hetzij door onderling verkeer, toenam, werden de gebouwen uitgebreider en de landen meer bebouwd; want de Franken eerbiedigden meestal de goederen hunner voormalige vijanden. Stelt u den heer voor, in het midden zijner lijfeigenen wonende, terwijl deze zijne gronden bebouwden, het spijker van de noodige vruchten en granen, de schuren van het noodige vee voorzagen. Nabij den hof vindt ge den molen, het gruithuis en – ware het maar overal geweest – meestal het bedehuis. Zoo noodig, sprak de heer regt, of liet dit over aan zijnen drost of schout, die tevens voor de opbrengsten zorgde; want, bij gebrek van klinkende munt, was het natuurlijk, dat de pachten of lasten in voortbrengselen van den grond bestonden. Indien wij daarom thans nog van een erf, het Hoeve, het Spijker of de schuur, hooren gewagen, dan verplaatsen onze denkbeelden zich eenige eeuwen terug, toen de heer den hof bewoonde en de Hoorigen of coloni het spicarium of de scuria met mondbehoeften voorzagen.

Dat het bestuur van Karel den Groote op dat alles veel invloed uitgeoefend heeft, zal onnoodig wezen te herhalen; wij mogen toch onderstellen, dat de pogingen der laatste tijden, om Karels verdiensten, zoowel bij de inrigting van het staatsbestuur als van zijne goederen, te huldigen, niet geheel onopgemerkt voorbij zullen zijn gegaan. ( Over de oorlogen van Karel de Groote ter onderwerping van de Saksers, zie men J.A. Streso, Constantyn de Groote en Karel de Groote ( Arnh. 1821), een werk, na ijverig en uitgebreid onderzoek der bronnen, met onpartijdigheid en juistheid te boek gesteld, vol heldere gezigtspunten en belangrijke opmerkingen, en waard om gekend te worden door allen, die op grondige kennis der geschiedenis in twee belangrijke tijdvakken prijs stellen ).

Was het geen noodzakelijk gevolg der zorg, door Karel aan het beschrijven der regten zijner onderscheidene volken besteed; dat aan dat beschrijven, aan het bezit van opene brieven, meer en meer waarde werd gehecht? Niet, dat toen reeds alle goede trouw verloren was; niet, dat het gewoonteregt als willekeur met voeten getreden kon worden; geenzins; maar stel u voor de betrekking tusschen den vorst, of heer, en hèn voor wie de wetten beschreven werden; de adel was er niet begeerig naar, maar wel de vrijgelatenen, de overwonnenen, de hoorigen. Door het beschrijven toch hunner regten en verpligtingen konden de laatsten niet dan winnen; want nu eenmaal zoovele, zoo onderscheidene volken onder éénen schepter vereenigd waren, nu daardoor de volken meer onderling in aanraking kwamen, nu kon ligt het eigenaardige van het lijfeigenschap bij Saksen en Franken, ja van al die stammen, verloren gaan, en de heer eer meer dan mindere regten zich toeëigenen. Vandaar dat de hofregten, dat zijn die regten, naar welke de heer de tot zijnen hof behoorende lieden bestuurde, beschreven werden. Dat die regten, ofschoon in hoofdbeginsel één, verschillende waren, is na te gaan; maar waren zij eenmaal vastgesteld, dan bragt het belang der partijen mede, om ze door alle tijden, door alle eeuwen heen, ongeschonden te bewaren. Vandaar dat de hofregten, in het jaar 1200 erkend, bij het einde der voorgaande eeuw nog evenzeer geëerbiedigd werden.

“ Hoorigen luiden ofte goederen,” zegt Schrassert, werden in het generaal genoemd alle personen en goederen tot eenige servile nature ofte conditie staande. Ende zijn schuldig haren heer gehoorzaam ende onderdanig te zijn, met dienstregt schatting te geven, te verbod en gebod te staan; welke de heer daarentegen verpligt is te beschermen, te beschutten en te verdedigen.” Meent echter niet, dat hiermede hun toestand volledig beschreven is, want wij zouden dan verzwegen hebben, hoe de hofhoorigen geen huwelijk mogten aangaan, buiten hunne mede – hofhoorigen, zonder toestemming van den heer, hetgeen zij met deze woorden uitdrukten: “zij mogen niet trouwen buyten haeren echt”; wij moeten u herinneren, dat er buiten den hof voor den hoorige geen regt te krijgen was; dat hij, daar buiten geen persoon zijnde, noch als getuige, veel minder als partij, kon optreden, geene overeenkomsten kon treffen, geene verbintenissen aangaan. En daar de grond den heer behoorde, daar zij met dien grond één waren, zoo behoorde alles, hoe ook in het zweet des aanschijns verdiend, bij het overlijden aan den heer; maar toen, bij het toenemen van welvaart, het bij den dag leven verminderde, toen het belang van den heer medebragt om zijne goederen met meer hoven te laten voorzien, toen werden ook daaromtrent vergelijken getroffen, en hierin is voornamelijk het verschil of de natuur , zoo als men zeide, der hoven gelegen.

Vandaar, dat, in het graafschap Zutpen, de hofhoorige goederen de regten van Zutphen of van Baak, Bulderick, Lochem, Hengelo, Bredevoort en Keppel volgden; vandaar, dat op de Veluwe de regten van den hof te Appel ( De abdij van Elten bezat op de Veluwe ook vele goederen, waarvan te Appel onder Nijkerk de hof was; zoo ook de abdij van St. Salvator – Munster te Prumen in het bisdom Trier, met eene hof te Voorst. De regten zijn bij Schrassert, Codex Gelr. Zutph. Beschreven.)  en te Putten onderscheiden waren.

De Zutphensche regten, bij voorbeeld, bragten mede, dat de heer de helft der goederen, tot een lepel toe, van den hoorige erfde; dat hij de inschulden ontving, doch geene schulden betaalde; dat de oudste zoon in het bezit van het hofhoorig goed bleef en een derde der nalatenschap aan zijne broeders en zusters uitkeerde. De hofhoorigen, die de regten van Bulderick volgden, zagen den heer als erfgenaam van al het pluimgedierte en vee optreden, veldvliegende en veldgaande genoemd, terwijl, volgens die van Hengelo, slechts de helft die dieren, bij het overlijden van den man, en een pond vlaamsch, bij doode der vrouw, uitgekeerd behoefde te worden.

Doch ik mag niet meer van het geduld der lezers vergen: is toch het thema reeds weinig welluidend, hoe dan al die variatiën. Alleen dus nog de regten, voor zoo verre zij tot opheldering van de door mij beschrevene aanteekeningen kunnen dienen.

Tusschen de jaren 1277 en 1288 vroegen de hoorigen van den hof te putten den abt Otto te Werden hernieuwing hunner regten, daar de oude brieven, die den 26 Maart 1200 beschreven werden, tot het zegel toe geheel vergaan waren. ( Bondam, aangehaald werk, de noot op bl. 272.)

De hofhoorigen waren keurmoedig; dat is: de heer had, met de erfgenamen, de keur uit de beste der nagelatene goederen. Hadden deze lieden den huwbaren leeftijd bereikt, dan betaalden zij jaarlijks eenen tyns of hoofdgeld van twee penningen, doch bij wanbetaling het tienvoudige. Ook bij het aangaan van een huwelijk met eene medehoorige moesten die twintig penningen betaald worden, en gaf de schout, hij, die in naam van den heer de regtspraak deed ( de villicus ), immer eens vrijheid tot een huwelijk buiten den hof, dan had hij tevens de vrijheid, om naar willekeur eene betaling te vorderen.

Uitvoeriger beschreef in 1316 de abt van Paderborn de verplichtingen der hoorigen te Putten, en te regt, want wij lezen in zijnen brief, hoe er jaarlijks twist en tweedragt met de zijnene ontstonden. En dat in den brief van Werden niet alle schattingen, door de lieden op te brengen, behoorlijk beschreven waren, wordt duidelijk door het geschil, dat in 1365 de proost Clawes van den Steijne, over de rogge, hekede, aal, haring, varkens en over 32 grooten, die zij jaarlijks aan den hof te Putten betalen moesten, met de schuldenaars had. ( Van Spaen, Inleiding tot de historie van Gelderland, deel IV. Blz. 209. )

De brief van 1316 was door tusschenkomst van Arent van Boekop, richter op dee Veluwe, opgemaakt. Behalve het gewone, lezen wij daar, dat, bij het overgaan der goederen, vijf schellingen van dertig penningen opgebragt moesten worden; terwijl allen, die tot den hof behoorden, of er van afstamden, tot dat zij gevrijd waren, keurmoedig bleven, zoodat de abt bij het overlijden de keur bezat, “dat is te verstaen, een dat beste, van paarden ( de paarden, die den heer van den lande in tijden van oorlog moesten dienen, uitgezonderd), van koeijen of van andere beesten, off van kleederen, off dat in gelde off silver gesien wordt, ende niet meer, nae gewoonte der keuren.”

Zoo als wij hier boven reeds gezegd hebben, die stand, die hoorigheid, bleef tot het einde der voorgaande eeuw bestaan; de dienstbaarheid, die slavernij, op te heffen. Onze aanteekeningen, die registers, vullen alzoo het tijdperk tusschen het verleenen der brieven en de omwenteling aan. Waren die registers volledig, wij zouden, door al die eeuwen heen, de geslachten kunnen volgen, en nu zal men het niet vreemd achten, waarom naar alle plaatsen de keurmoedige, hofhoorige, in het oog werd gehouden, waarom naar zijne kinderen en verdere afstammelingen onderzoek werd gedaan; wij lezen daar immers, dat bij overlijden in waarheid het beste pand werd betaald, of daarvoor eenige gelden opgebragt; wij vinden daar, dat, als erkentenis zijner dienstbaarheid, de jaarlijksche tyns geofferd werd. Die personen waren rentegevende kapitalen, waarvan behoorlijk boek gehouden moest worden. Ziet, zoo kan de geschiedenis schijnbaar onbeduidende aanteekeningen als belangrijke bewijzen laten optreden.

Mogt een ieder ook hierdoor meer en meer aangespoord worden, om geene oude geschriften, van welken aard ook, zonder voorafgaand onderzoek te vernietigen.

Mr. G.A. De Meester.

 

 

Dit bericht was geplaatst in Verhalen bundel.

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Verplichte velden zijn gemarkeerd met *