De Legende van de Hongardstraat

Overveluws Weekblad 12 September 1931.

 

De legende van de Hondegardstraat te Harderwijk.

Hondegatstraat

 

Even goed als de schoone stad Venetië er een legende op na houdt ( immers er wordt verhaald, dat vluchtende landbouwers, bevreesd voor de roovende en moordende benden van Attila, die stad hebben gesticht, nadat zij een groote vlucht duiven gevolgd waren die zich daar ook nestelden) even goed houdt ons Harderwijk er zijn legende op na, die van geslacht op geslacht is oververteld, en waardoor de Hondegardstraat zijn naam kreeg, die ze door alle wisselingen des tijds heeft behouden.

Of wij die legenden nu altijd moeten geloven? Neen, moeten niet, maar ’t is toch wel aardig als wij ’t kunnen . Want, evenals de bewoners van .t schoone Venetië een groote liefde hebben voor de duiven, die ze nooit kwaad zullen doen, zoo is het verhalen van een legende het beste middel om de liefde voor de geboorteplek grooter te maken. En, als mijn Vader ons daarom dat verhaal deed, dan ik niet anders zeggen dan dat hij daarin is geslaagd. Want hoevele malen mij al eens geraden is, een andere woonplaats te kiezen, ik ben er nooit toe kunnen komen want Harderwijk heeft altijd nog voor mij de bekoring van het Oude. Ik zie nog steeds, wanneer mijn weg leidt door de Hondegardstraat die ingang van de kelder onder het gemeentehuis, waar die soldaat met zijn verbrijzelden arm in werd opgesloten, en dan hoor ik mijn overgrootmoeder nog vertellen dat zij die straat nog kende, dat er slechts drie huizen stonden, 1ste het gemeentehuis ( of dat in den tegenwoordigen vorm bestond, dat weet ik niet, dat intresseerde ons kinderen trouwens bijzonder weinig) maar de kelder in de Hondegardstraat was er, vlak bij het huis van de bakker,( die bakkerij die nu bewoond wordt door v.Poelgeest; ook niet met dat mooie front, dat het nu heeft, maar in zijn eerste ruwe gedaante. En het derde oude huis was dat van Kl. Kuiper, met zijn oude gevelsteen “de Pelikaan”. Dat was de aanlegplaats voor deDe Pellekean diligcance naar Deventer. ’s Morgens om 4 uur werd er eenhoorn geblazen die de reizigers riep om in te stijgen, en met het tweede hoorngeschal zette het voertuig zich in beweging om de oude Deventerweg op te sukkelen. Ook de nette slagerswinkel van Phillips was er niet, evenmin als de heerenhuizen die voordien bestonden, waarin de heeren Spijkerboer en Makkink nog gewoond hebben, neen, daar was een lange lage houtenloods, waarin stoelen werden gemat, die stoelen die algemeen in dien eenvoudigen tijd werden werden gebruikt. In dien tijd dan, vertelt de legende, was Harderwijk, omsingeld door een vijandelijk leger, dat de stad tot overgave wilde dwingen, doch de dikke muren en stevig gesloten poorten, die aan de binnenkant nog goed bewaakt werden, hielden alles tegen. Nu hoopte de vijand dat de stad zich door den honger gedreven zou overgeven, doch de schuiten in de haven gingen, onder bedekking der duisternis, bijna vrij uit en brachten veel visch, en ook genoeg zakken meel en andere voorraden mede, zoodat men begon in te zien dat een langer beleg niet veel succes zou hebben. Ten laatste vervoegde zich bij de bevelhebber een soldaat die beweerde dat hij best kans zag de stad in te komen, als hij maar één of twee vlugge makkers kon meekrijgen.Hij wilde n.l. naar de Groentjes gaan in ,t donker, dan voorzichtig in de haven van de ééne schuit op den ander overspringen, en, eenmaal aan aan den overkant van de haven zou het niet moeilijk zijn de straat te vinden, die op de Groote Poort aanliep. Daar wilden zij de oude Poortbewaker van kant maken, hem de sleutels van de poort afnemen, dien openen en de geheele bezetting binnen laten.

65c40173-7a50-1a54-97b9-18b0fade58c2

Het leek goed, en de tocht werd ondernomen. In ’t begin ging alles naar wensch en zij kwamen werkelijk aan den overkant van de haven, en zoo vóór de Rechte Oosterwijk. Vandaar kwamen zij op de Vischmarkt, en wilden juist de Kleine Marktstraat ingaan, waardoor zij in de Groote Poortstraat konden komen, toen er een spaak in ’t wiel werd gestoken. Twee visschersjongens van een jaar of 20 kwamen juist uit hun huis om in de haven hun dagtaak te beginnen. Immers op alle uren in den vroegen morgen, als het weer en den wind gunstig zijn, gaan de visschers naar hun werk, nu nog even goed als toen, en het viel hen dadelijk op dat die drie mannen verdacht waren. Zij riepen hen wat toe, maar kregen geen antwoord, en dat versterkte hen in de meening, dat de zaak niet pluis was. Zij liepen hen achterna, en wilden wel weten, waar die vreemden naar toe moesten. Zij waren ( me dunkt het zullen wel een Petersen en een Foppen geweest zijn, die namen zijn van heel vroeg af, altijd vertegenwoordigd geweest) wel ongewapend natuurlijk, maar onze visschersjongens hebben steeds een machtig wapen aan hun voeten, en daar rekenen ze op, terwijl ze op de schuit gewend zijn op hun “kousenvoeten” te loopen. Ik heb eens een kleine jongen van een jaar of 8 indertijd hooren zeggen, “Is ’t niet waor? Ga dan mee noar de Welle dan zal ik je met de klompe op je kop komen”. Nu, deze twee Harderwijker jongens gaven dan ook de achtervolging niet op, en liepen door. Aan de hork gekomen bij Aart Kluiver, moesten ze links af, maar de vijanden begonnen nu te begrijpen dat ze, achtervolgd door die visschersjongens, niet hun plan konden volvoeren door stil de poortwachter te overrompelen en begonnen nu ook ruzie te zoeken, maar terwijl ze daarmee bezig zijn moet ons verhaal een weinig terug gaan. Men weet, dat er een bakker woonde in wat nu de Hondegardstraat  is. Het was een groote bakker, en hij had pas geleden van een boer onder Nijkerk een hond gekocht. De hond moest waaks zijn; en dat was hij maar al te zeer. Op alle uren van den nacht sloeg hij aan, bij ’t minste gerucht, en de bakker was vast besloten daar een einde aan te maken. Hij moest toch al vroeg op, om de oven te stooken, en als dat dier nu zóó deed, dan sliep hij den ganschen nacht niet.

reclame

Dien bewusten nacht dus, stapte de bakker in zijn sloffen, en trok de oude jas aan, waarmede hij gewoonlijk in de vroegte naar den oven stapte, nam uit het schuurtje dat hij door moest, om op zijn plaatje te komen, een dikke sterke garde mee, en wilde de hond gaan afrossen toen hij, buiten gekomen, het spectakel hoorde, dat die vijf levenmakers maakten.

De bakker was snel besloten; in plaats dat hij de hond sloeg maakte hij den haak los van ’t hok, nam de garde onder den arm, en kwam juist aangeloopen op het oogenblik dat een der vijanden, met een mes in den hand zich wilde werpen op de visschersjongens.

Terwijl hij de hond op de vijand aanhitste, sloeg hij geducht met zijn garde om zich heen, zóó geweldig dat het mes uit de hand viel, en de man, hevig bezeerd en met ontwrichten arm ter aarde viel. De twee andere vijanden, die nu wel zagen dat er niets komen zou van de verrassing van den poortwachter, namen snel de beenen er onder en zochten hun heil in de vlucht, den zelfde weg uit, die ze gekomen waren, hun gewonden makker in den steek latende, die door den bakker en de jongens naar ’t gemeentehuis werd gedragen. Daar werd de portier gebeld en weldra zat hij in den kelder, niet ver van des bakkers woning. Eenige uren later, toen het geheel licht geworden was, werd er een heelmeester gehaald, die den arm verbond, en vertelde de man wat hun snoode plannen waren geweest. De burgemeester zond toen om de twee jongens, maar ze waren nergens te vinden. Zij vonden zeker dat het hen reeds tijd genoeg gekost had, en waren naar zee gegaan.

Eenige dagen later, toen ze weer terug waren, werden ze op ‘t gemeentehuis ontboden, en kregen ze een prijsje voor hun flink optreden, maar ze zeiden heel bescheiden, dat het hen niet toekwam, want dat ze het onmogelijk hadden kunnen klaarspelen zonder de hulp van den bakker met zijn hond en zijn garde. Daarna werd om de bakker gezonden en vertelde deze wat hij van de zaak wist. En daar wij in Harderwijk nog geen Overveluws Weekblad hadden, wilde iedereen een brood halen bij den bakker van den hond en de garde, om uit zijn eigen mond te vernemen hoe de drie mannen plus de hond Harderwijk hadden behoed. En de bakker maakte goede zaken; de bakkerij nam in bloei toe, en de straat werd van toen af de Hondegardstraat.

Een jaar of tien geleden, toen er misschien niet veel werk op ’t Stadhuis te doen was, zijn er verscheidene van onze oude straatnamen veranderd of verbasterd. Zoo kwam ook in den Raad het voorstel ter sprake, om de naam van de Hondegardstraat te veranderen in Raadhuisstraat. Gelukkig zat er een geboren Harderwijker in den Raad, die het heeft weten te verhinderen. : “ Eere zij zijn nagedachtenis”.

Aan hem was zeker in zijn jeugd ook de legende verteld, of ook misschien dacht hij aan het: “Vox populivox Dei”.- Ons Heer Aaltenstraatje werd toen verbasterd in Herald terwijl het genoemd is naar den Heer Aalt Berends, die daar zijn opslagplaatsen had voor pik, teer, hars, traan enz. Heer Aalt had bijna het geheele straatje in eigendom en de voorraad diende voor de schuiten in de haven. De visschers herstelden toen hun schuiten meest zelf en de schuren van Heer Aalt waren handig dichtbij gelegen, immers men had toen de Scheepstimmerwerf nog niet, en men had alleen maar even het Schapenhoekje door te gaan ( ook bij die gelegenheid veranderd in Paschen of Pinsterestraat). Toen werd ook onze touwbaan herdoopt en verscheidene andere straten. Maar als er één straat dus nu recht op had op een Eerepoort, bij gelegenheid van ‘t 700-jarig feest, dan was het onze Hondegardstraat hetgeen men na lezing van deze historie zeker zal beamen.

J.

XXXXXX

 

Dit bericht was geplaatst in Verhalen bundel.

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Verplichte velden zijn gemarkeerd met *