De legende van het Solsche Gat

De legende van het Solsche Gat.

*******

Slichtenhorst,de Geldersche geschiedschrijver,tekent ons de Veluwe als:-zandig,schraal,behalve in natte soemere,met zandig en strenge winden gequeld en bijna gelijkend op eene Arabische heide,bekleed met ettelijke aangename en dicht bewassen bosschen,vol van opgaande eyken,beuken en andere boomen.Aldaar zijn Putter en Speulder en andere bosschen,die wegens haar menigvuldig houtgewas de schouwen niet alleen in Gelderland,maar ook in Holland van de wintersche koude bevrijden ende als dicke hairvlechten zijn om het kale lichaam van Velouwe te bedekken en te sieren.

Inderdaad,die bosschen zijn het sieraad van de Veluwe en wie Gelderland oorspronkelijk en natuurlijk schoon wil leren kennen,hij neme de wandelstaf op en doorkruise de wouden van den driehoek Ermelo,Putten en Garderen.

Rond te dolen in die natuurwouden heeft eene eigenaardige bekooring.

Hoe dieper we er in doordringen,hoe schooner het wordt en men kan zich voorstellen dat in ouden tijden iemand kan schrijven:een woud van ongenadichden waarin beren grimden en wolven en everzwijnen solvreeselicken gebaerden,dat een mensche gruwen mochte:Thans echter geen gebaer-een plechtige stilte heerscht rondom.

Een der schoonste plekjes is het Solsche Gat,of het Heidensch dal.

Solsche gat

Dit dal strekt zich uit van het Noorden naar het Zuiden.De zijkanten zeer stijl,zijn met fraaie grijsgrauwe beuken en eiken beplant,terwijl uit de diepte welig opschieten ranke lariksen.

De bodem bestaat uit een blauwachtig leem.

Hier en ginds liggen groote brokken zandsteen verspreid.

Een bron,die naar men beweert zelfs in de droogste zomers niet uit droogt,strekt tot drinkplaats voor hert en ree.

Een idylisch plekje,waarvan onze dichter Honigh eens zong:

Bekoorlijk,lief gelegen dal,

Wil elk een heerlijk rustuur bieden,

Die aan den boezem der natuur

Om kracht en laaf`nis hier komt vlieden.

 

Wat al beelden uit het grijs verleden verrijzen voor onze geest,als we ons neervlijen op het zachte mosbed.

Wij zien de Germanen hier hunne volksvergadering houden.

In de schemer van het maanlicht zien we de helling bezet door mannen,op wier gebruind beenig gelaat en in wier blauwe oopen oogen ge leest,dat eerlijkheid een grondtrek huns harten is.

Grijsaards,wien ge waardigheid ontzeggen noch eerbied onthouden kunt,leunende op met dierenhuid overtrokken schild,de met brons of ijzer gepunte speer in de hand geklemd.

We zien den priester raadplegen de goden.Wij hoorden den blijden jubel bij gunstigen uitslag.

Wij zien………….

Een ander tafereel doet de sage ons verrijzen.Met het Christendom verdween het ruwe outer aan den zonnedienst gewijd.

Een kapelle verrees.

Klein, eenvoudig,uit zandsteen opgetrokken.

In stille afzondering sleten eenige kloosterlingen hier hunne dagen.

Voorbeelden van ingetogenheid,van werkzaamheid,van stille vroomheid.

Waar eens weerklonken de krijgsliederen der Germanen ruischten nu liefelijk en zacht door het woud de vrome liederen der broeders.

                   

Heelaas,na verloop van tijden week vroomheid en ingetogenheid.

Lui en losbandig,leiden de broeders van het convent een zoo goddeloos leven,dat in stormachtige nacht huis en kluis in de aarde verdween,en-uit de diepte borrelde op-de bron aan Uw voet.

Een nieuw tooneel,even droef.

Wat een sombere stoet nadert daar van de kant van Garderen?

Twee witte paarden slepen voort op een horde van boomtakken samengevlochten een ruw bewerkte doodskist.

Niemand heeft ze bij de teugels.Los en vrij zoeken ze hun eigen pad.

Van verre volgden de dorpelingen,de pastoor voorop als in processie.

In`t Heidensch dal aangekomen,blijven ze plotseling staan,de paarden,waar terzijde van de weg een vervallen houten kruis aanwijst de plaats waar iemand noodlottiger wijze de dood vond.

Briesend,snuivend,buigen de koppen ter aarde.Ze stijgeren!Ze schudden de manen.

Ontzetting is op aller gelaat te lezen.Niemand spreekt een woord,ieder heeft zijn eigen gedachten.

Daar treden enkele mannen naar voren.Ze steken de spaden in de grond.Ze delven een graf.De kist van de horde genomen,wordt in de kuil neergelaten.

Wat beteekend dit alles?

Van die ontzetting,die ontroering?

Hij was scheper,herder geweest,die daar werd begraven.

Eens vele jaren geleden,als hij in`t veld was met zijne kudde,sprak hem een vreemdeling aan.Een koopman,afgedwaald van de karweg,zoekend het rechte pad in de heide en vermoeid van de verre tocht.

Lang duurde het gesprek.

Hij kwam van wijd en wist veel te verhalen,van wat hij op zijn reizen had gezien.

Hij,de onvoorzichtige,sprak van zijn gelukkige handel en van zijn rijke winsten.

Daar valt het oog van den herder op den welgevulden gordel van den reiziger.

Snel rees een gedachte in zijn hebzuchtig gemoed en even snel als de gedachte reeds evensnel wordt ze uitgevoerd.Het breede mes flikkert……….zieltogend ligt de vreemde aan zijn voeten.

“Vloek,vloek over U, moordenaar!”

“Voor U geen rust!”

“Geen rust op aarde,geen rust in`t graf!”

“Nooit!”,dat waren zijn laatste woorden.

Niemand had het gezien,niemand.En als straks de duisternis inviel,sleepte de moordenaar het lijk naar`t Solsche gat,`t Heidensch dal,waar het na maanden half vergaan werd gevonden en begraven.

Een kruis wees de plaats aan.

Jaren gingen voorbij.

De scheper stierf en werd begraven-doch welk een schrik toen de volgende morgen de kist weer halverwege stak uit het graf.

Opnieuw werd de kuil gedolven,dieper nog,maar weer staarden aan den anderen morgen op de lijkkist der verbaasde dorpelingen.

Toen schafte de pastoor raad en vandaar die zonderlinge optocht.

Het raadsel was opgelost.

De moordenaar ontdekt.

Geen rust vond hij in gewijde aarde.

Begraven moest hij ter plaatse waar zijn slachtoffer rustte.Geen rust.

En als`s avonds de eenzame wandelaar de heidevlakte oversteekt,waar eens de scheper zijn kudde hoedde,ziet hij soms tegen de donkere woud achtergrond zwevende over de heide,een lichte nevel in de gedaante van een mensch die weeklagend de handen opheft.

Dat is de scheper van`t Heidensch dal,die nog rusteloos rondwaart,jaar en dag.

Zoo luidt de sage.

Nog een andere herinnering wekt het Heidensch dal in ons op:

Het stille rustige boschplein is veranderd in een zigeunerkamp.

De mannen in hun schamele,doch niettemin schilderachtige kleeding liggen bij groepjes op het mos,languit,het hoofd door de armen gestut.

Eenigen vermaken zich onder luidruchtige scherts,ruw vaak,met dobbelspel,anderen vertellen onder luiden lach,hoe zij,partijtrekkende van de lichtgeloovigheid,dezen of geenen landman hadden bedrogen,bewerende,dat ze overal vuur uit konden maken,dat neergelegd tegen hooi of zaadberg of op het stroodak geen brand veroorzaakte.

De vrouwen,het taankleurig gelaat,bijna geheel verborgen achter sluike,tot op de schouder en rug los afhangende gitzwarte haren,zijn deels bezig met het bereiden van de maaltijd,deels met het snijden van den alruumwortel(mondragora),tot amuletten,die ze de kinderlooze vrouwen zullen verkoopen,tegen hoogen prijs,voorgevende dat zij die slechts kunnen vinden,zij alleen in de Kleintjes Heggen te Elspeet en in de Kinderhegge te Vierhouten.

De kinderen,zorgelooze jeugd,rollen en buitelen half naakt van den steile helling,een toneel vol kleuren,vol leven en bedrijvigheid,het vaardig penseel eene schilder dubbel waard.

Plotseling heerscht de diepe stilte!

Het geoefend oor van den aanvoerder heeft iets verdachts vernomen.

Is dat geen klokgelui?

Allen springen op.

De uitgezette wachten doen hun waarschuwend gefluit hooren al nader en nader.

De vuren worden gedoofd.

Wat draagbaar is wordt opgenomen.Elk spoor van menschelijk verblijf verdwijnt onder het zand en bladeren in den kortst mogelijke tijd en dan voort,voort!

In het dichts van het woud.

Voort als het opgejaagde hert en ree door de honden bedreigd.

Immers hun verblijf is ontdekt.

Dat klokgelui is het sein tot een van die woeste heidenjachten,die van 1600 tot 1738 schier jaarlijksch werden gehouden.

Wee hun,zoo ze komen onder het bereik van roer of knuppel.

Straffeloos mogen ze neergeschoten,zoo luidt het plakkaat.

Dubbel wee,zoo ze worden gegrepen en het gerecht overgeleverd onder de wreedste tourmenten zullen zij,anderen ten afschuwelijken exempel,ter dood gebracht worden.

Jaren lang bleef het nog van tijd tot tijd het Solsche Gat en de Boemelerkuil in`t Vierhouten bosch een geliefkoosd verblijf der vagebonden.Wij zouden verder nog kunnen schetsen eene vergadering van de maalmannen van het Putterbosch,die hier aankwamen,doch we betraden reeds het gebied der historie,niettegenstaande we boven dit stukje schreven:

De legende van het Solsche Gat

**************

Dit bericht was geplaatst in Verhalen bundel.

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Verplichte velden zijn gemarkeerd met *