De Markt 1/3

 

 

 

De Markt. 1/3

 

En hier zijn we dan op de Markt aangeland en mijn gedachten, gaan veertig jaar terug.

’t Is Zaterdagmorgen en de weekmarkt begint over eenigen tijd. Met de eerste trein zijn al eenige boertjes meegekomen en ze strijken bij ons, in ’t café neer. ’s Winters als ze blauw van de kou, vanwege de scherpe oostenwind op de Spoorweg bij ons binnen waren, vlogen ze op de grote kachel aan, zoo’n ouderwetsche kolomkachel. Die rood gloeiend stond en dan zaten ze daar vlak boven op, met hun dikke wollen das om, de klompen uit, de “kousenvoeten” op de ijzeren ring om de kachel, te broeien, dat de damp van hun afsloeg, onderwijl een “brandenwientje mit suuker”te genieten.

“Beestig grij veur kou op de mage”.

Zoo rond acht uur komt een “stadsjantje”de varkenshokken zetten, platte, lage vierkante bakken.

Er werden al eenigen kraampjes geplaatst die op een handkar aangevoerd zijn, er wordt wat uitgepakt en nu ’t naar negen uur loopt – want ’t volk begint al meer te komen – kan de markt beginnen.

Met wagentjes en lange karren, waarop soms een heele verzameling landlieden zaten, komen de boeren en boerinnen aangereden naar de Markt, van Hierden en omliggende boerderijen meeslepende hun boter, eieren, soms manden vol “boontjes voor de inmaak”, en een aantal komt mee met een lange, gele, dichte wagen van Zwakenberg uit Nunspeet, welke wagen wij de “diligence”noemden.

Er komen stadgenoten met kaas, met vet en versche bot. Af en toe is er een vreemde marktventer present, om de menschen zijn onvolprezen tinctuur tegen alle kwalen te verkopen, wat hem meestal aardig goed lukt want de rappe jood heeft er meestal een snedig praatje bij.

De karren zijn voor het stadshuis geplaatst, daar staan ze niet in de weg, de kraampjes zijn gezet, de waar uitgestald, en langzaam aan komen de kijkers en de kopers en de drukte neemt toe. Ook zijn nu de varkens en kalverkooplui aanwezig met hun schreeuwende en springende koopwaar.

Meen niet, dat de weekmarkt van vroeger zoo druk was als tegenwoordig, ’t was een magere vertoning, die feitelijk om half tien begon en voor twaalven was afgelopen, om half elf, elf uur was ’t op z’n drukst.

Toch was ’t wel de moeite waard om over de Markt te kruisen en ‘k kan mij het hele gedoe nog zoo levendig voor mij halen.

We gaan eerst eens kijken bij de varkenshokken, waar de rosse biggetjes in het rond wriemelen. Was er een liefhebber voor zoo’n jong “keutje”dan wees de koper er een paar aan, die hem het best aanstonden en dan pakte de koopman de beestjes op aan de poot en droeg ze onder luid protest van de slachtoffers in iedere hand een, bij ons in de gelagkamer of bij Messcher, ’n koffiehuis aan de overkant waar ze op de vloer gekwakt werden.

Dan was ’t een loven en bieden vergezeld met op elkaars hand te kletsen over en weer, en werd de koop op ’t laatst bezegeld met een laatste flinke handslag, dan kwam er en borreltje boven op en met een “geluk er mee” vertrok dan de nieuwe eigenaar van “het keu” met z’n big als een zoutzak over z’n arm hangend dat nu letterlijk schreeuwde als een mager varken naar huis.

Een bekend figuur die altijd bij de biggen en kalveren rondscharrelde, was de ouwe Motshagen, een kleine, dikke prop van een kerel die ‘m aardig kon raken en zoo tegen twaalf uur al knap de hoogte kreeg en om één uur “lazerus”was.

Hoe dikwijls heb ik die man al niet zien opbrengen door de diender, ja zelfs maakten we het wel mee, dat hij machteloos, stomdronken ter aarde lag, en dan werd de vent op een kruiwagen door een diender naar ’t bureau gereden, wat voor ons een extra vertoning was. De weekmarkt was zeker voor hem een soort van feestdag, die hij altijd met een stevigen borrel moest vieren.

Wat nu ook niet meer bestaat, was de z.g. Boterlap, dat was de naam voor het gebouwtje met dat aardige geveltje wat nu nog op de Markt staat naast ’t volkskoffiehuis en een soort autobewaarplaats is geworden en welks geveltje zoo hopeloos verknoeid is door er een plompe, vierkante schuurdeur in te zetten.

De boeren en boerinnen brachten hun boter en eieren naar de Boterlap, alwaar ze hun waar op lange tafels plaatsen in afwachting van de kopers. Die boter was gepakt in lange, platte manden en de stukken boter, die dik – ovaal van vorm waren, wogen ongeveer één kilogram. De grotere hoeveelheid was in vaatjes van tien kilogram. Die Boterlap was door ons gepacht en ‘k heb heel dikwijls als jongen van een jaar of vijftien – zestien, daar bij de ingang van de boterlap op m’n post gestaan, want van ieder stukje boter werd een recht geheven voor ’t gebruik van een plaats van twee cent en van een vaatje boter twee en een halve cent.

’t Was daar aan en in de Boterlap zoo om een uur of half elf een druk gedoe, want er waren altijd liefhebbers voor versche eitjes en “echte boerenboter”.

De kopers keurden de boter op smaak, door met den duim een streepje boter uit het stukje te halen en op te zuigen, “te proeven”.

Heel veel publiek trok altijd een marktkopman, een soort kwakzalver of een verkoper van galanterië artikelen, zoo’n “standwerker”.

Eén er van herinner ik mij nog goed; ‘k meen dat zijn naam was Jacob Hollander, een “jodenman”. Dat was een gehaaidekerel en speciaal rap van de tongriem gesneden.

Staande op een stoel of een kist, voor hem een tafeltje, waarop zijn “onfeilbaar, wereldberoemd tinctuur tegen kiespijn en velerlei andere smarten”, de mouwen van z’n deftige pandjesjas opgestroopt, ‘n “hogen zijen” op z’n kop, pleitte hij, met een stortvloed van woorden en geestige kwinkslagen, zijn waar aan, aan de boeren, burgers en buitenlui, die met open monden van verbazing over zoo’n welsprekendheid, in grote getale rond zijn stalletje stonden, en verkocht hij menig fleschje voor de somma van één kwartje, met gebruiksaanwijzing toe.

Ook trok hij wel eens kiezen, die hij dan vooraf even verdoofde met z’n tinctuur. Dat was een extra komische voorstelling voor mij, want dan zag je een boer, vlak voor het tafeltje met opengesperde mond lange tijd staan, in afwachting van het ingrijpen van de kiezentrekker die onerwijl een tang in den hand, hevig stond te oreeren, dat hij pijnloos trok en dat z’n tinctuur een zegen voor den menschsheid was en dat hij “dezen brave man”, die onderwijl maar steeds wachtte met open mond, radicaal zou afhelpen van z’n smarten en duldeloze pijn.

Dan, na zijn toespraak, pakte hij het hoofd “des boers”vast, morrelde wat in den mond van ’t arme slachtoffer, vragende, of ’t deze kies was die hem “tempteerde” waarop een soort gebrom antwoordde en, met een ruk haalde hij dan de rotte kies te voorschijn, die hij triomfantelijk geklemd in de tang aan de verbaasde omstanders toonde “met wortel en al”.

Dan kreeg de boer een glaasje water om te spoelen, spoog bloed en water tegelijk uit, en na de verzekering te hebben gegeven, dat z’n pijn weg was en ieder die ’t maar horen wilde, verdween deze van ’t toneel met z’n kies in een papiertje gewikkeld om schielik af te schieten naar een herberg, om nog eens flink na te spoelen met eenige straffe borreltjes kruidnagels.

Hoeveel verkeerde kiezen er zooal getrokken zijn, wil ik wijselijk in ’t midden laten, maar ik denk, dat het er zeer veel zijn geweest.

Ja, zoo.n marktvertoning vond ik altijd buitengewoon mooi.

Schuin bij ons over de deur vond je een kraampje van een oude boeren koopman, wij noemden hem “de doove”en met recht, want hij was zoo doof als een pot. Die man verkocht zulke echte pijpjes voor de boerenman, neuswarmertjes, met kopjes van steen, doorrokers of met een blommetje op den kop geschilderd in felle kleuren en een heel kort beenen mondstuk eraan, veelal voorzien van een pijpekop aan een kettinkje.

Naast hem stond de oude Vermeulen met prima bloemzaden en melkmoesgroenten. En in den tijd, dat de boontjes er waren, de suikerboontjes, grote boonen op doperwten, stonden de boerinnen met manden vol van die groenten te koop op de Markt.

Wat verder op, tegenover de Hondegartstraat, maar op de keien van de Markt, kon je in ’t najaar roode en witte kool kopen, welke groenten al vrijdags avonds voor de weekmarkt, op de Markt opgestapeld werden door Klaas van Straalen, die er tegenover zijn groentenzaak dreef.Het waren pyramide – vormige stapels en ze bleven de gehelen vrijdagnacht staan, wat voor ons jongens vrijdagsavonds een buitengewoon mooi geval was om er vangertje omheen te spelen.

Dan zag je, in schemerdonker, vooral die donkere rooie kolen, niet duidelijk waar ze precies lagen en ’t gebeurde meer als eens dat we er tegenaan liepen en er koolen afvielen, of de Markt oprolden, maar had van Straalen het in de gaten, dan moest je de kuiten nemen want hij kletste erop.

Voor we, moe van ’t draven naar huis gingen, was ’t een rotsvaste gewoonte, iets tegen de koolen te doen, daar dacht je gewoomweg niet bij na en ’t geval kon zich toch voor doen, dat je den volgende dag die kool zelf op at.

Om nu nog op de Markt terug te komen.

Je zag er ook dikwijls kippenkooplui, de beestjes gepropt in een hogen mand met deksel, op de markt staan, en altijd kon je daar de ouwe van Zijl vinden, die zich, als een soort poulier, hevig voor dat pluimvee interesseerde.

En als dan de klok van ’t Stadhuis elf uur sloeg, dan zag je de ouwe Smink, in gezelschap van Nele But, nadat er de klok geluid had, uit ’t Stadhuis te voorschijn treden, Smink, eenige papieren in de hand dragende.

Dan kwamen de boertjes voor en op de trappen van ’t Stadhuis staan en begon de bode Smink de besluiten voor te lezen die de Vroede Vaderen oirbaar hadden geacht om den volke bekend te laten maken.

Met een eentonige stem en zeer vlug, begon hij dan: Burgermeester en Wethouders der gemeente Harderwijk laten bekend maken,……en dan roffelde hij de rest zoo vlug af, dat de toehoorders ’t maar half snapten. Dan gaf hij het voorgelezen stuk aan vrouw But en begon weer aan een ander.

Op de Markt was, onder meer, de winkel van Berends, een zaak in kruidenierswaren annex tabaksfabriek “Het Wapen van Amerika”, daar deden boerinnen hun inkopen en de boeren haalden er hun pondje rooktabak, die wij “gortekorrels”noemden, tabak van een cent of acht het pond, “speciaal voor den boerenman”.

Voor de vaste klanten stond er in een vertrek achter de winkel koffie klaar en als klant de klant de boodschappen had opgegeven, klonk het: “loop maar even door naar achteren”, ’n teken, dat de bak koffie gereed stond.

Verders zag je altijd zaterdags, gedurende de markttijd bij de ouwe Karsen, de zadelmaker, op de stoep touwwerk, hulpzelen, zadels en leerwerk hangen voor de landbouwers en bij ons, bij Mescher of bij Antonie “de Stadsherberg” laafden de boeren zich aan een biertje, ‘n “brandewientje mit suuker”of ’n kop koffie.

Bij Nelletje Karsen in de winkel werd een speen gekocht “veur de kleine thuus”of een houten pijp of een pakje naalden of een lampeglas, want je kon van alles krijgen in de “kleine bazar”, en daarnaast bij Plat werden balletjes gekocht, vijf voor één cent, voor bij de koffie.

En als ’t dan tegen twaalf uur liep, en al de inkopen waren gedaan, dan haalde de boer z’n peerd weer op bij de ouwe Kuiper, waar ’t beest gestald was, spande het peerd voor de wagen, die voor ’t Stadhuis stond, het vrouwvolk hees zich met manden en al op de wagen en “vort bles”vertrok men weer naar huis.

De kraampjes werden afgebroken en om half één ’s middags was het al niet meer te zien, dat er markt geweest was.

En dan kwamen, zoo om één uur, half twee, de dienstmeisjes en werkvrouwen naar de pomp op de Markt ( heel vroeger stond er ook nog een pomp, een vierkante van steen, op de Markt, tegenover de boekhandel van van Werkhoven), met hun emmers, de mouwen opgestroopt, om er water te halen, wijl de stoepen netjes geschrobt moesten zijn voor de Zondag, en om er te kletsen met elkaar en de nieuwtjes tevens te horen.

Bij ’t glazenwassen gebruikten men vroeger nog een lange, koperen spuit,die in een emmer werd geplaatst en waarmee de meid de bovenste ramen kon afspuiten en nu was ’t vooral Zaterdagsmiddags voor ons jongens een lol, om zoo’n spuit te pakken te krijgen om er de meid fijn mee nat te spuiten, als dat niet lukte, trapten wij wel eens haar emmer omver, uit baloorigheid vanwege de spuit, en moest je vlug benen maken, want een natte dweil was zoo in je nek geslagen.

Bij ons thuis werd iederen Zaterdagmiddag de zaal geschrobt, dit, vanwege de resten, die de lieve rose biggetjes hadden achtergelaten op de vloer. En daarmee was voor mij “de Markt” teneinde.

xxxxxxxxxxxxx

 

Dit bericht was geplaatst in Jeugd herinneringen door W.J. Polen.

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Verplichte velden zijn gemarkeerd met *