De Markt 2/3

 

 

 

De markt 2/3

 

Soms was er wel eens beestenmarkt. Dit was meen ik twee maal per jaar, in ’t voor en najaar. In ’t najaar ging de beestenmarkt gepaard met een spul op de Brink of op de Markt.

Zoo’n beestenmarkt was iets bijzonders, dan stonden er koeien aan palen van ons huis tot de Donkerstraat om verkocht te worden en de markt was ook veel drukker en tieriger dan een gewone weekmarkt.

’t Was voor de boeren en boerinnen een soort kermisdag, een feestdag. Op de markt stonden tal van groote kramen, overtrokken met wit zeildoek, waar vreemde kooplui hun artikelen verkochten, meestal bestaande uit speelgoed, galanteriën en soortgelijke snuisterijen.

Van al de dorpen en gehuchten uit den omtrek kwamen de boerenmenschen naar de beestenmarkt en die dag werd er duchtig “geproefd”, zoowel doorde boeren als de boerinnen en de dienders hadden dikwijls druk werk om de vrede te bewaren.

Van die beestenmarkten herinner ik me nog ’t beste de ouwe Jaap, een jood uit Elburg, die koek verkocht en altijd present was. ’t Was een eerbiedwaardig type, met een grijze baard, zoo’n soort “Aartsvader”.

Als die, na bij ons in ’t café z’n brood gegeten te hebben, naar z’n plaats op de Markt ging, dan schreed hij, plechtig, als een oude patriarch over de Markt, maar als hij, staande op een lege kist, een witte jas aan, z’n koek ging verkoopen, dan was Jaap niet meer zoo plechtig.

Dan had hij in iedere hand een koek, die hij tegen elkaar sloeg dat ’t zoo klapte en schreeuwde tegen de samengestroomde massa, zóó luid, dat je ‘m boven alles op de Markt uit kon hooren.

“Hier, luie koekvreters! Koek zul je vreten, je hoeft ze niet te bakken, te kooken, te brouwen, je kunt ze zoo achter je kiezen douwen”, en dan gooide Jaap z’n brokken koek om te proeven tusschen het publiek, dat lachte om z’n kwinkslagen en, koek kocht van Jaap.

Zoo’n beestenmarkt werd op een Woensdag gehouden en duurde dan tot s’middags een uur of twee.

En nu stappen we van de week – en beestenmarkt af en ga ik U wat anders vertellen van ons stadje uit dien tijd zoo lang geleden.

’t Is Zondag. Rustige rust heerscht alomme.

Was ’t vroeger op de weeksche werkdagen in ons stadje al niet zo bijster druk, behoudens dan de marktdagen en nog enkele andere, des Zondags was ’t extra buitengewoon stil, ’n soort “super stilte”.

Dus valt er niet veel te vertellen van de Zondagen. Voor mij was die dag ietwat vervelend, want je kon en mocht niet zoo doen als een door de weeksche dag, je kon niet naar buiten hollen, ravotten, een spelletje spelen met de jongens, dit alles was “taboe” en er was één lichtpuntje, n.l. je moest niet naar school. Je moest oppassen dat je “Zondagsche” kleeren niet vuil werden en hoogstens ging je maar wat kuieren, maar de echte lol voor ons was er die dag niet.

Je mocht wat langer slapen, werd extra gewassen en opgepoetst en zoo om een uur of elf, als ’t mooi weertje was, gingen we met vader wandelen, fraai uitgedoscht in je Zondagsche pakje, trots nagekeken door moeder, die er van genoot dat haar volkje er zoo keurig uit zag: vader in z’n goeie pak en de jongens in hun schoone blouses.

Daar we op de Markt woonden, kan ik me nog wel zoo’n Zondag herinneren wat ik daar al zoo zag.

Dan werd er om half tien of tien uur ’s morgens de klok van ’t Stadhuis geluid en na ’t luiden kwam de ouwe Smink, nu meestal zonder vrouw But, uit ’t Stadhuis en las er, op de rand va de bovenste trap staande, dezelfde “besluiten”voor die hij Zaterdags ook voor las, met dat verschil, dat er nu geen toehoorders waren.

Hoogstens één of twee “snotneuen van jongens”, die ‘m de woorden uit de mond gaapten,zoodat hij nu de besluiten in recordtijd afroffelde.

En dan kwam om ongeveer half tien het geloop van de “kerkgangers”over de Markt, de meesten komende uit de richting Hondegard en Wolleweverstraat.

Dat gaf zoo zondagmorgens even eenige drukte.

Ook herinner ik mij daarvan nog goed, dat vele vrouwen van die grote gekleurde omslagdoeken droegen en s’winters, een “warme stoof”meesleepten naar de kerk.

En op de hoek bij Berends stonden altijd ’s morgens en ’s avonds visscherjongens en miliciensoldaten met verlof.

Goed half twaalf, als de kerken uitgingen was ’t weer ’t zelfde geloop over de Markt; dan was ’t even rustig tot twaalf uur, als de zondagschool in de Hondegardstraat begon, van een aantal kinderen, die de zondagschool bezochten, en om één uur weer wat drukte brachten als de school uitging.

Dan kwam de groote Zondagrust, behoudens enkele wandelaars die over de Markt kwamen kuieren naar buiten. En heel de lieve dag was er verder een van grenzelooze verveling tot de avond kwam en de jeugd, net als nu, rondjes ging loopen met als slot de gang naar ’t locaaltje van half negen.

En omdat de Zondagen zoo erg taai waren, evenals nu zou ik zoo zeggen, wil en kan ik er verder niets meer van vertellen en maak ik dan van deze gelegenheid gebruik, om U wat meer van onze Markt en van ’t stadje in ’t algemeen te laten weten.

Om mee te beginnen, wil ik dan nog allereerst nagaan, wie er in mijn jongenstijd alzoo op die Markt woonden.

We beginnen dan met het Stadhuis, daar troonde Mr. Daniël van Meurs als Burgermeester, maar hij woonde er niet, ( ‘k meen dat zijn woning was, waar nu een schoenmakerij is, tegenover Huberts ).

Naast ’t Stadhuis, naar de kant van de Wolleweverstraat, was het café van de oude Juffrouw Mescher, daarnaast de barbiers en sigarenzaak van Hartman en daarnaast de winkel van Karssen “de kleine Bazar”.

Op de hoek van de Wolleweverstraat – Markt woonde Werkhoven, die een boek en kunsthandel dreef, daarnaast was de achterkant, van van Zalingen, wiens winkel in de Wolleweverstraat was.

Dan kwam ons huis “Café du Marche”en vlak naast ons “de Boterlap”, daar weer naast woonde Kapitein Garjeana, verder de Apotheek “Greidanus”, de zadelmakerij van Jochem Karssen, dan de “Stadwaag”, die door ons gepacht was van de Gemeente, en dan had je ’t Politie – bureau, waar commissaris Boombergen z’n bureau in had, daarboven was de concertzaal, beheerd door een zekere Willemsen, later door Poptie en daarna door ons.

Aan de overkant woonde de Gemeente – secretaris, die, naar ik vond, zoo’n buitengewone naam had, de Vidal de St. Germain, maar kortweg mijnheer Vidal genoemd werd, daarnaast de “Stadsherberg”van Anthonie, dan de winkels van Harp, ten Broek en Berends en aan de overkant een café’tje van een pool, wiens vrouw “de dikke Wanda”genoemd werd en waar later Klaas van Straalen z’n groentezaak in vestigde. Daarnaast kwam de manufacturenwinkel van Plat en nu zijn we ’t rondje afgegaan.

’s Woensdagsmiddags stonden op de Markt de vrachtwagens van Timmer uit Hierden en Bakker uit Ermelo en de waschwagen van een wasscherij uit Vaassen.

Wat ook nog zoo echt uit die tijd was, n.l. het “wieden”van de Markt. Dan zag je een paar weken lang, zoo in de zomer, als ’t zoo heet was dat de kraaien van ’t dak vielen,een stuk of drie menschen, meest oudjes al, “als brandrekels” over de grond kruipen, met een oud stuk mes het gras tusschen de keien uitpeuteren.

Had ik ’t daarnet over de stilte op Zondag, daarmee bedoelde ik niet, dat een gewone “door de weeksche dag”zoo bijster druk was. Integendeel, dan was ’t niet zoo stil, maar de gewone dagen muntten ook niet uit door bijzondere tierigheid. Van s’Maandags tot Vrijdagsavonds was de ééne dag gelijk aan de andere.

’s Morgens om negen uur zag je altijd de ouwe van Soest sjouwen met z’n wagen met groenten en Voges met z’n petroleumkarretje.

Als de scholen aan – en uitgingen was ’t even wat drukker op de Markt.

Dan zag je ook vaak, zoo in de middag Drees van de Brink over de Markt trekken, duwende voor zich uit een lege of volle petroleumton, dan kwam hij van zijn baas Hulsman in de Schoenmakerstraat, door de Wolleweverstraat en ging hij schuin de Markt over voortrollende de ton of liever gezegd het vat, die hij met een eind hout vooruit duwde en verdween hij de Donkerstraat in. Wat ik zoo bewonderde was, dat hij met het vat zoo netjes in een rechte lijn kon lopen, zonder dat het naar rechts of links afweek, wat in de regel toch wel een eigenschap is van rollende vaten. Waar van de Brink die vaten heen bracht, weet ik nu nog niet, maar wel zie ik hem nog lopen, een blauwe voorschoot om, en ik hoor nog de holle klanken van z’n hout tegen ’t vat, dat hij voor “Gart Smeer”, zoo noemden we Hulsman, wegbracht.

En als des zomers of in ’t voorjaar het zonnetje lekker scheen kon je Ko van Raalten altijd zien staan, iederen dag maar weer aan tegen de gevel leunende van ’t Stadhuis, vlak bij de Hondegardstraat. Dan stond hij fijn in ’t zonnetje z’n rug te warmen tegen de steenen en rookte hij, aan een stuk door z’n pijpje, ’n steenen neuswarmer. Was ’t koud, dan liep Ko als maar rondjes, Donkerstraat, Kerksteeg, Kerkstraat, Bruggestraat, Markt, enz.

’t Was een eigenaardig man, al op leeftijd, vodderige kleeren om ’t lijf en een pet op “waar je soep van kon kooken”. Steeds liep hij maar in zichzelven te preeken, soms heel druk oreerende met z’n handen. ’t Was een echte zielige stakker en een man, die niemand kwaad deed, wij jongens waren ook niks bang voor hem en plaagden hem ook niet.

De meeste drukte brachten wij jongens teweeg op de Markt. De Markt was van ons en tusschen twaalf en twee en na vieren, als de school uit was, was de Markt ons vaste speelterein. We hadden onze verschillende tijden van speelen, zoo was er een knikkertijd, een hoepeltijd, een tollentijd, een pijl en boogentijd en zoo meer.

Vooral een knikkertijd gaf buitengewoone levendigheid op de Markt. Met een koppeltje “op een ruutje”knikkeren, of een gewoon spelletje met een “kuultje”, kuultje gooien en slaan waren onze diverse spelen met de “kuilsen”. Soms puilden je zakken uit van de voorraad knikkers en dan werd je door de andere jongens beschouwd als een Crouses, een rijkaard, maar ook dikwijls verloor je ineens alles weer en voelde je je zoo arm als Job.

En we hadden ons eigen taaltje bovendien in het knikkerspel. Als we telden, dan klonk ‘t, drie – zes – negen – richels, en richels beteekende, dat uit was en won. Kwam er een jongen naar je toe, met in open hand twee of vier knikkers en zei hij tevens “twee bij” of “vier bij”dan verstond je dat opperbest, en je ging dobbelen.

Was je, na afloop van een spelletje niets rijker in aantal knikkers, of had je dan je winst weer verlooren, dan zei je “ik schei er uit, ‘k ben aan m’n zoetje”en dat was een stille afspraak om uit te scheiden, die altijd aanvaard werd.

En we hadden ook onze speciale winkels waar we ons speelmateriaal kochten. Bij Nelletje Karssen kreeg je voor twee en een halve cent zoo’n fijne albasten knikker “allebakkesen”noemde we zoo’n ding,je kon er extra goed mee werken en je was er wat trots op als je zoo’n knikker bezat. Ook kochten we daar de “glazige kuilsen”, grootere knikkers van glas met kleuren er in gewerkt.

De beste tollen kon je krijgen bij de ouwe van Dijk in de winkel in de Wolleweverstraat en bij Kok de timmerman wiens winkel was gevestigd over het café van Toon Bronsveld aan ’t einde van dezelfde straat.

Kok z’n tollen waren beroemd,eigengemaakt vakwerk, en ’t waren echte “pikkertjes”, die heel lang staan bleven. Een zuivere Piktol kocht je bij Karssen, maar dat was een ding, waar je niet zoo graag mee tolde, aangezien die groote dingen de neiging hadden om op ’t onverwachte door een ruit te vliegen als je ‘m flinke tik gaf met je zweepje.

Beste houten hoepels kocht je bij Jongeneel, de kuiper in de Groote Poortstraat en een ijzeren met een haak bij de ouwe Kluiver de smid.

Vliegers, van die kleintjes van vijf cent, haalde je bij Karssen of Tromp.

Pijl en boog maakte je zelf, de boog sneed je meteen in ’t bosch, liefst eikenhout, want die spande zoo goed en je sneed meteen takken van de vlierstruik, om “nukjes”van te maken, die boven op het rietje kwamen te zitten ter verzwaring van je pijl, zoodat deze weer op ’t nukje op de grond weer terugkwam vanuit de hoogte.

Riet sneed je in de moddersloot in de Wellen of de weibeek, daar maakte je peilen van.

En wat hadden we een verscheidenheid van spelletjes.

Daar was dan “petjesbal”, tegen de Boterlap aan; “Vader gaat allenig uit”; “stompwerkje spelen; “kakuil schelingen”, dit laatste was een spelletje, wat je alleen kon doen in den tijd, dat de mandenmakers “twiegt schide”, dat is de twijgen van hun bast ontdoen door ze, één voor één door twee geklemde ijzeren stangen te halen, zoodat de bast eraf gescheurd werd. Van de schillen, die we altijd met handen vol tegelijk kregen, maakten we een soort cirkel met een eind schil er aan en dan was ’t de kunst wie ’t hoogste zoo’n “kakuilscheling”in de hoogte kon gooien, na eerst een wijsje gezongen te hebben: “kakuilscheling, kakuilscheling van één twee drie!”.

Of we speelden soldaatje op den loop, een blokje om; soms deden we “pierewietsen”;  “hakmes – lepel – bril of schaar”; of “piejeejen”, allemaal spelletjes, die we ons nog zeer goed herinneren.

Of we deden “vangertje”op en om de trappen van ’t Stadhuis, maar daar maakte de ouwe Smink meestal een einde aan.

En als we een dolle bui hadden, dan gingen we “plukharen”wat wel eens op een vechtpartij uitliep.

En dat alles speelde zich af op de Markt, dit plein was voor ons en de gekende vriendjes, daar kwam geen andere jongen uit een of andere buurt aan te pas.

Vaak ook trokken we naar buiten, over ’t spoor, om in de bosjes “roovertje”te spelen, of we gingen naar het strand, “modderkuilen”maken of naar de “Brug”om te zwemmen, of de hei op, “een hut bouwen”, of meikevers vangen “mulders”noemde we die, of stekelbaarsjes vangen in “’t Zilverbeekje”, al naar den tijd of het seizoen het aangaf.

En als we dan, zoo tegen den donkeren, in een klubje huischwaarts trokken, broederlijk bijeen, dan zongen we, meerstemmig, het schoone lied:

“Mijn vader is een rijer,

Een rijer zooals ik,

Hij draagt een blanke sabel

Een sabeltje van blik.

Hij met z’n kwast opzij,

Hij maakt de meisjes blij,

Maar, o wee, maar o wee, maar o wee,

Wij zijn de jongens van de Harderwijker zee”.

Dat ’t kaatste tegen de huizen en we waren welgezind en goedsmoeds en tevreden over den mooien dag.

Wat een tijd, wat een schoonen tijd was tochdie jongenstijd en als ik er nu nog aan denk, kan mij ’t water uit den mond loopen.

Feitelijk speelde zich meest van wat er alzoo voorviel, op de Markt af. Was ‘t “looten”, dan gebeurde dat op ’t Stadhuis, het keuren van de toekomstige soldaten was ook in het Stadhuis, op die “keurinsdagen”en “Lotingdagen”kon men er altijd twee vinden, die hevig in actie waren tusschen de lotelingen en hun verwanten, en die handig en gewiekst profiteerden van “des menschen domheid”, ze waren genaamd Jesaje en Bilderbeek.

’t Kantongerecht hield toendertijd ook zitting, op ’t Stadhuis, en bij ons zaten dan zoo’n dag veldwachters en de bekeurde boertjes broederlijk bijeen, onder ’t genot van een biertje, druk redeneerende, dat die bekeuring voor ’t stroopen een eerlijke bekeuring was, totdat ze aan de beurt waren om voor te komen, en, als de boete mee viel,er nog een slokje aan te besteden, vanwege de goede afloop.

En als “de schutters”uitrulden naar de Bleek, om te oefenen, was ’t verzamelen op de Markt.

xxxxxxxxxxxxxx

 

Dit bericht was geplaatst in Jeugd herinneringen door W.J. Polen.

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Verplichte velden zijn gemarkeerd met *