De Markt 3/3

 

 

De Markt 3/3

 

Ook had je altijd de primeur als er een dronken kerel opgebracht werd, want ’t politiebureauwas toch ook op de Markt.

Soms was er wat te doen op de Markt, b.v. een stelletje acrobaten. Dikwijls heb ik gezien, zoo in ’t vroege najaar, in de schemer. Dan kwamen er wat mannen en vrouwen, met kleedjes, wat stangen en stoelen meetorsend, op de Markt aan, één van de mannen zette een stoel neer en plaatste daarop een trommel, waarop hij alsmaar roffelde, terwijl de andere de kleedjes op de keien legden, en de stellage opsloeg.

Op het tromgeroffel kwamen de kijkers af, en, waren er veel, dan smeten ze hun jassen en broeken uit en stonden dan in hel gekleurd tricot. Wat ’t al wat duister, dan werden eenige meegebrachte fakkels ontstoken en begon de voorstelling met een toespraak; “Hooggeacht publiek! Grand succes van de beroemde jongleurs en acrobatiek van de Cirque de Bruxelles”.

En dan maakte ze salto’s, vertoonden rappe staaltjes van vlugheid, en wij, die met onze neus vooraan stonden, keken onze oogen uit naar de kunstjes van de kunstemakers.

Als gevolg van zulks, dat we dagen lang probeerden op onze handen te loopen en of we ook over de kop konden, wat je, dien tijd dan, kwam te staan op een geschaafd vel en tal van blauwe plekken. Af en toe ging iemand rond met een bordje of bakje, en viel de oogst mee, dan herhaalden ze hun toeren, maar ach, heel dikwijls bleef ’t maar bij één voorstelling, want scheitig waren de kijkers niet.

Dikwijls lagen er knopen op ’t bordje en ook wel eens een natte tabakspruim, en ja, zeg ’t nou zelf, van knopen en tabakspruimen kan een mensch niet “vreten”, dus was het loon vaak schamel, maar mooi was het dat “kunstenmaken”op de Markt bij walmend fakkellicht.

Wat je ook nog wel eens zag, was een hardlooper. Zoo een bezag ik als een wondermensch, in een verschoten, rose of vuil paars tricot, volgehangen met kleine koperen belletjes, dribbelde zoo,n kerel, steeds dribbelend en dansend aan de deuren, aan één stuk door, hard loopend van huis tot huis. Dat zo’n vent niet moe werd, vond ik heel buitengewoon, maar, zeiden de jongens: “die hardloopers hadden hun milt af laten nemen en dan kon je ’t ook wel volhouden, zonder een stee in je zij te krijgen !”

Ook zag je wel eens een vent, die een koperen hoofddeksel op had, vol belletjes die rinkelden als hij z’n hoofd bewoog, en achter op z’n rugeen trommel die hij door te trappen met zijn rechtervoet, bewerkte, door middel van koorden. En dan blies hij op een doedelzak, een diep, monotoon geluid. Ik voor mij was altijd min of meer bang voor zoo’n “doedelzakker”, dat kwam zeker door dat gebrom uit die zak.

Dan zag je weer een kerel loopen, die met z’n mond allerlei vogels nadeed, en dat kon hij maar wat goed. Ik hoor hem nog, dan deed hij thuis de deur los en zei: “gelijk een nachtegaal”, of “gelijk een lijster”, of “gelijk de eenden”, en dan bootste hij de dieren na en een cent of een halvie was zijn belooning.

Of je zag een aantal Duitsche muziekanten, in uniform gekleed, zwaluwnesten op de schouders, hun meegebrachte lessenaars op de Markt plaatsen en na: “ein – zwei – drei “, klonk een pittige Duitsche marsch van een kompleet muziekkorpsje. Ja, ze speelden mooi, die “Duitsche blaaspoepen”, zoo noemde wij hen.

En dan zag je, maar dat was heel enkel, zoo Zaterdag ’s morgens, op de hoek van de Donkerstraat – Concertzaal een stel staan dat steeds mijn bijzondere belangstelling trok.

Daar stond dan een kerel, die een klein orgeltje draaide, dat rustte op één poot en verder met een riem om z’n lijf stevig vast zat. Bij hem behoorde een andere kerel en een vrouwspersoon. Op een groot bord, dat aan een stok zat, zag je dan een ijselijk moordtafereel afgebeeld in kleuren kakelbont, en verdeeld in verscheidenen vakken. En dan, onderwijl het jankorgeltje de melodie verwerkte, zong de eene kerel het “nieuwe lied op een aangename wijs”, de verschillende details op ’t bord aanwijzend met een stok, “van de verschrikkelijke moord in Raamsdonkveer”, de orgeldraaier zong met een gebarsten stem mee en de vrouw trachtte de liedjes te verkoopen aan de vele omstanders à één cent per liedje.

Ook zag en hoorde je nog wel eens van die Italiaansche orgels op straat, wij noemden ze “piano orgels” en er vóór was altijd een mooie prent achter glas te zien, meestal een veldslag voorstellend.

Zoo was er altijd wat te genieten voor ons en we genooten ten volle.

En nu stappen we van deze genietingen af om er nog weer andere te beschrijven die ook op de Markt voorvielen.

Wat was ’t een feest, als er parade op de Markt was. Deze werd gehouden op twee augustus, de verjaardag van de Koningin – Moeder en na 1898 op 31 augustus. Ik zal trachten U nog zoo’n echte oude parade te beschrijven en daarbij over zoo,n viering van dien feestdag in ons stadje nog wat meer te vertellen.’s Morgens dan, zoo om een uur of elf,traden de schutters aan op het Kerkplein en om half twaalf was ’t afmarsch naar de Markt. Ongeveer tegelijk rukten de kolonialen uit, in groot teneu, de muziek met kapelmeester de Hardt aan ’t hoofd, spelende dat het een lust was. Op de Markt, waar de vensters der huizen door kijkers dicht bezet waren, was ’t middengedeelte vrijgehouden en hadden de dienders ( alle politiemacht was in touw ), de handen vol om de nieuwsgierigen aan de kant te houden. Van Kuik, de Wette, de nachtwachts Brandsen en Klaassen, de veldwachter de Kan, ja, zelfs de diender Smit uit Hierden, waren er tegenwoordig.

En daar kwamen de soldaten aan, uit de Donkerstraat, vooraan de kolonialen, daar achter de schutters.

Ze marcheerden de Markt op en werden opgesteld  in rijen gelid, de kolonialen ter eener zijde, langs Anthonie en de concertzaal, de schutters aansluitend daaraan langs ons huis en geheel rechts, vóór de Wolleweverstraat stelde de muziek zich op.

Onderwijl verzamelde zich op het bordes van ’t Stadhuis de “stedelijke overheid”. Op de hoek van de Donkerstraat had zich een hoornblazer opgesteld om het signaal “geeft acht”te blazen als de Commandant van ’t Werfdepôt met z’n staf naderde.

En alles dan in afwachting was tot het signaal klonk,dan namen de troepen de houding en als een Vorst schreed de “Hooge”, die wij “Jan met de pet”noemden, omringd door andere “Hoogen”, over de Markt naar ’t Stadhuis, tegemoet getreden door de Burgelijke Overheid.

De ontmoeting was altijd recht hartelijk, want er werden vriendschappelijke handjes gedrukt en hevig gesalueerd.

Dan werd gecommandeerd “open de gelederen”, het Wilhelmus werd gespeeld en de stoere “Hooge Oomes”inspecteerden de troepen die de geweren gepresenteerd hadden.

Dat vond ik steeds een deftige vertooning. En bij ’t afzetten der geweren klonk het plaatsen van de kolven als één slag door de kolonialen,wat ik erg mooi vond, maar van de schutters leek het wel alsof er een reuzen kei van een ijzeren trap rolde, zoo ongelijk ging dat, ja, soms viel er wel eens een “spuit” van een schutter uit z’n handen op den grond, wat een eigenaardig kletterend gelud gaf, zoodat “aller oogen gericht waren op Kwatta”, en wij jongens daar direct op reageerden door te roepen: “net zoo goed as een keer in de reparatie!”.

En de arme schutter stond dan, voor ’t front van de heele gemeente voor schut, met een kop nog rooier als z’n “rooie kraag”.

En dan, na twaalf uur, volgde het defilé. De muziek voorop, die naar ‘t midden zwenkte, dan de schutters en volgend de kolonialen, alles in breede gelederen, en voor de trappen van ’t Stadhuis de “Hoogen”.

‘k Zie ze nog loopen in m’n gedachten, de geweren op de schouders,de blanke loopen van de schutters blinkend in de zon. Achter de muziek zwenkte Nijboer, de tamboer van de schutterij mee naar binnen, de muziek speelde een pittige marsch, en “daar ging ’t heen”.

Voor hun afdeling de officieren der schutterij, n.l. de heeren van Triest, van Menk en bakker Klaassen, die een lange baard had, wat hem heel deftig stond en bij de “Hoogen” stond de “baas van de schutters, den heer Kamm, de eigenaar van Hotel Kamm”, fier rechtop in z’n uniform als kapitein der schutterij, z’n grijze knevel opgestreken.

En de sergeant – majoors Meyboom en Drees van de Brink en Hemeltjen zweetten “etter en bloed”als hun secties bij ’t zwenken niet mooi gericht omkwamen.

Maar ’t geheel was prachtig om te zien. Ik vond zoo’n defilé nou net precies een militaire polonaise. En als de parade afgeloopen was,gingen de troepen huns weegs, de kolonialen met de muziek door de Bruggestraat en de schutters van Nijboer aan ’t hoofd de Donkerstraat in. Nog hoor ik de luitenant van Triest commanderen: “Rechts omkeerd de Donkerstraat in, de ouwe schutters weten het wel, marrrrsch!”en de heldenschare kwam werkelijk in de Donkerstraat terecht. En half Harderwijk liep mee. Ja, zoo’n parade was ook een uniek schouwspel.

Die wapperende vederbosschen van haneveren op de sjako’s der officieren, zwarte veren voor de schutterij en hooge, witte pluimen voor de infanterie officieren, de blinkende pompons op de sjako’s der schutters, de rooie kragen en mouwopslagen van hen, het oranje gestres van de kolonialen, de opgepoetste sjako’s van de infanterie van ’t “vaste kader”, die de sjako’s, waarvan men toen zong: “Aan iedere kant een leeuwenkop, citroen met suiker er boven op!”( dit vanwege de gele bal en daarop een witte pompon die men in groot teneu op de sjako droeg ), dit alles was schoon om te zien.

En op de schutters nog even terug te komen, het was een aardig korps, maar een garde – korps was ’t niet.

Hoe dikwijls heb ik ze zomers, om vijf uur in den middag “aan zien treden”op de markt, meestal des maandags. Dan werden de namen afgeroepen en “present”geschreeuwd dat ’t daverde. “Met vieren rechtsom”werd gecommandeerd, Nijboer aan ’t hoofd en “voorwaarts marsch”, daar gingen ze heen, door de Wolleweverstraat en Luttekepoortstraat naar de Bleek, om er te oefenen. En Nijboer sloeg op de trom, dat het een lieve lust was en hij liep eens zoo hard als de troep achter hem, want ’t gebeurde wel, dat Nijboer dapper stappende en trommelde, zóó in z’n tamboerijver opging en er zoo de spat in had, dat hij alleen, moederziel alleen liep ter hoogte van de uitspanning “Het witte Paard”en een heel eind achter hem op de hoogte van ’t pakhuis van Huberts, de troep lachende en grijnzende schutters, zoodat wij jongens hem toeschreeuwden, “dat ie op hol was”. Op de bleek was ’t dan, tot ik meen zeven uur oefenen en dat was alweer iets extra’s voor ons. ’t Meeste werd er op de plaats rust geoefend en dat hadden de schutters gauw door. Af en toe was ‘t “aan de schouder geweer”of “rechts om” of “zet af geweer”, er rolden meer spuiten dan gewoonlijk tegen de wereld, er werd eens een “pruimpje”genomen, nieuwtjes verteld en, zoo keuvelende en een beetje oefenende, was ’t al gauw zeven uur. Verzamelen en weg, naar de Markt terug. “Ingerukt mars”klonk ’t dan en bij Mescher en Anthonie en bij ons laafden de schutters zich aan een biertje om van de warmte en van de vermoeienissen te bekomen, daar op de Bleek opgedaan.

Als ’t geen “schutteren”was, dan werd dat s’maandags kenbaar gemaakt door een roode vlag, die uit de Stadhuistoren hing, maar menigmaal  zag en hoorde ik het  wel, dat er toch wel eens een schutter zoo’n dag om vijf uur op de Markt kwam, een die ’t niet wist, omhoog keek, de vlag zag hangen, “verrek”zei, en uit baloorigheid toch maar een borreltje pakte, want hij was nou toch eenmaal op de Markt, schutter of niet.

Om de paar weken gingen de schutters schijfschieten op de hei, bij de schietbanen. Daar werd het nuttige aan het aangename gepaard, want een biertje ontbrak er niet bij. Hoe dikwijls heb ik zomeravonds kar en paard van de heide zien terugkeeren, de kar geladen met stoelen een bank en een ledig biervat en daar tusschen troonde “Scheele Mina”, die boven op de denderende en hobbelende kar zat en al haar bier door de dorstige kelen van de schijfschietende schutters had zien verdwijnen. En één keer per jaar was er prijsschieten voor de schutters op de heide. Dat was altijd midden in de zomer, als ’t smoorheet was en echt “bierweertje”.

En zoo tegen half zeven ’s avonds kwamen de schutters terug naar de stad, vooraf gegaan door de muziek van ’t werfdepôt, die hen van de hei afhaalde en een drom volk liep mee. De prijswinnaars marcheerden vooraan in de troep, hun geweren versierd met eikenloof en er was over ’t geheel een zéér vrolijke stemming, die ‘k toeschrijf aan de biertjes en ‘k vermoed “de noodige slokjes ook”.

Op de markt aangekomen, stelde de troep zich op met het front naar ’t Stadhuis, de officieren gingen met de prijswinnaars de trappen op en naar binnen om de prijzen in ontvangst te nemen en onderwijl rukte de troep in en was het wachten, van de nieuwsgierigen, welke prijzen er gewonnen waren.

Die prijzen bestonden meestal uit een paar bonte vazen en complete serviezen, twaalf kopjes, een thee en koffiepot, enfin, zoo’n bazaarservies in volle uitrusting. En dan zag je, na eenige oogenblikken een schutter uit ’t Stadhuis komen, een kerel als een boom, in zijn burgerleven een eerzaam landbouwer uit Hierden, met in z’n groote handen geklemd een gebloemd servies op een blad, dat hij balanceerend in evenwicht trachte te houden, zoodat de kopjes rinkelden en meermalen gebeurde het, dat er eenige “kommetjes”eerder van de Stadhuistrappen af waren dan de eigenaar zelf, en als dat gebeurde, ging er uit de menigte een luid en welgemeend hoera op, spontaan aangeheven.

Ja, die schutterij was een “fijne troep”, die ook dikwijls dienst deed bij brand, om ’t publiek op afstand te houden.

We stappen dan nu maar van de schutters af, om verder te gaan en te vervolgen met de viering van de “Koninginnedag”.

Een “volkswedstrijdt”zooals nu gehouden wordt, was er toen nog niet, dat kwam later. Daarvoor was er ’s middags een “Assaut”op de binnenplaats van de kazerne, waar iedereen vrije toegang had. Maar zoo,n assaut was dan ook prachtig. Er was dan op het binnenplein der kazerne een soort verhoging gebouwd van planken, overdekt van boven met een zeildoek. Het bouwsel was versierd met guirlandes van dennengroen en doek in de nationale kleuren en boven in de “tent”prijkte het borstbeeld van de Koningin. Het geheel was dan ook – in onze jongensoogen – aangenaam om te zien. En wat was er véél te zien. Daar werd dan, uitgevoerd, meestal door onderofficieren en korporaals van ’t vaste kader, een “colonne geweer”vertoond, die klonk als een klok, er werd geschermd op de sabel, degen en geweer dat ’t een lust was, alles begeleidt door de muziek van ’t depot en van onze Harmonie, die mooie deuntjes ten gehoore brachten.

Dan werden er gymnastiek – oefeningen vertoond en allerlei standen die aangegeven werden op ’t getik van een stok door de instructeur, die op de achtergrond in een hoek staande, de zaak leidde. Elke oefening of schermpartij werd door een luid applaus beloond door de aanwezigen.

Soms was er wel eens wat extra’s bij, zoo herinner ik me nog goed, dat er een Chineesche dans uitgevoerd werd. Dat was mooi. In zijden kostuums, met zijden calotjes op ’t hoofd, getooid met lange snorren en de Chineesche staart, dansten daar dan een man of acht op de maat van een Chinees danswijsje, door de muziek, onder ’t Hardt, met medewerking van een piano,uitgevoerd. ’s Jonge, jonge, wat was dat mooi.

Op hun hurken huppelden dan de dansers, net als de eendjes achter elkaar de tent rond, hun armen opwaartsch en de voorste vingers van hun handen recht naar boven gestoken, wat, hoe ernstig het ook bedoeld werd, hevig op de lachspieren van ’t publiek werkte, vooral van de jongens, die met hun “snotkoker”vlak vooraan stonden,maar ondertusschen toch maar hun oogen uitkeken naar zzo’n Chineesche dans.

En aan ’t einde van ’t assaut kwam de finale. Dan werd er een mooie stand gemaakt en maakte ze met de geweren een “W” vorm.

De dames Uhl ( die, dochters zijnde van adjudant Ulh, in de kazerne woonden ), stelde zich vooraan op, leunende tegen een soort pilaar, in ’t wit gekleed met oranje sjerpen omgord en ik veronderstel, dat ze “ieder voor zich, doch gelijkluidend”een Nederlandsche Maagd voorstelden.

Achter het plankier stond een mannenkoortje opgesteld, ’t Wilhelmus en ’t Vlaggelied werd gezongen en daarmee was ’t assaut afgeloopen en ieder vond, dat ’t merakel mooi was geweest.

Later werden de assauts niet meer gehouden en kwam ’s middags het volksfeest op de Wei langs de spoorweg en ’t Weiburg. Tonnetjes steken, koekhappen en mastklimmen waren wel de lolligste spelen, maar de clou, het mooiste van alleswas de harddraverij op ’t Weiburg met de paarden.

Dan zag je,halfweg ’t weiburg, een aantal paarden aan de start verschijnen, van die echte landbouwerspaarden, wild springende en koprukkende vanwege de herrie van ’t volk, waardoor de dieren al vooraf geheel uit hun doen waren, gewend zijnde, om ’t geheele jaar door, op hun dooie gemak d’r wagen mest, mangelworteltjes en struisel te trekken, en nu, met een ruiter nog wel op hun paardenrug, zich vreeselijk ontwend en niet thuis voelden tusschen al dat drukke volksgedoe, waarvan de jeugd nog wel het ergste was, door als razenden te fluiten en te gillen en de beesten al op voorhand stapelgek te maken, zoodat ze onder ’t schuim zaten. Dan moest er gereden worden vanaf halfweg Weiburg tot aan ’t einde van de Diepe Gracht en weer terug. En als dan het vertreksein was gegeven, zag je verscheidene knollen, vrijbewerkt door een eindje hout, inplaats van draven,als een tol in de rondte daaien, rare sprongen makend met vier poten tegelijk van de grond springend om dan eindelijk, en nu letterlijk “as een gek d’r tusschen uit te springen en er vandoor te gaan, ’t keerpunt tegemoet onder ’t gegil van angstige moeders met kinderen. En ’t was bekend dat ’t zwarte paard van van Vledderen er niks van maakte as ie Weibursgwaartsch liep, maar dat, as ie stadswaartsch liep altijd ver voor was omdat, zeiden ze, die zwarte van de ouwe van Vledderen dan in de gaten had, dat ie in de richting van de stal ging, zoo’n paard toch.

S’Avonds was op Koninginnedag de feestverlichting aan ’t Stadhuis ontstoken, bestaande uit een “W” boven ’t bordes en tusschen de pilaren een ster van kleine blauwe gasvlammetjes, die zoo aardig aan – en uitwoeien als er wind was natuurlijk.

Er was muziek op de Markt, er werd een teerton gebrand op zee, er was een boel volk op de been en zóó was nu koningendag in ’t grijs verleden.

Wat ik, om nu nog maar even bij de feesten te blijven me ook nog herinneren kan, was het Kroningsfeest in 1898. Toen was alles in de stad prachtig versierd en er was een ware feeststemming. ’s Morgens vroeg gingen er al “herauten”te paard rond en nu ik ’t toch over herauten heb, wil ik wel even een staartje aanhalen dat waar gebeurd is en duidelijk aantoont, dat de echte volkshumor nog leeft.

’t Moet gebeurd zijn lang voor mijn tijd en ik heb ’t dan ook van horen vertellen. Welnu dan, ’t was op de 70ste verjaardag van Koning Willem III en er was dien dag in ons stedeke groot feest, dat eveneens door herauten geopend werd, die te paard, begeleidt door bazuinblazers, overal in de stad den volke een oorkonde zouden voorlezen.

De twee herauten waren Sallie van Menk en Cageling, beiden zaten ze fier te paard en zwierig opgedost in zijde en fluweel, hoge laarzen met sporen aan en breede hoeden met veeren op ’t hoofd, kortom, gekleed zooals het echte herauten betaamd.

En nu is de kijk van het volk uit ons stadje zoo eigenaardig, dat ze, in die herauten, géén herauten zagen, ondanks pluimen en fluweel en aangeplakte snorren en baardjes, maar desondanks van Menk en Cageling bleven zien, die daar te paard zaten.

Nu was van Menk een gezet figuur en Cageling kon bogen op een ietwat grooten voorgevel – ieder mensch heeft zoo wat – en aldus had, het volk een ondeugend liedje gemaakt op de neus van Cageling.

Alzoo zaten er twee goede gekenden op een peerd, die daar in de prillen morgen vanaf de Markt door de Wolleweverstraat reden, zoodat het hoefgeklepper tegen de huizen ketste. Ter hoogte van de winkel van Huberts werd halt gehouden en werd de bazuin gestoken. En op dit geluid, dat tot ver in den omtrek te hooren was, kwam het volk half aangekleed, sommigen zoo uit hun slaap, met ongekamd haar, ongewasschen uit Olie – en de Vuldersstraatjes en de gebuurten aangelopen, om de oorzaak van het bazuingeschal op te sporen. En daar zag de saamgestroonde menigte de herauten te paard staan, bezig zijnde, de voor te lezen oorkonde te ontrollen.

Maar wijl het nog zoo vroeg in den ochtend was maakte de voorlezing op ’t volk niet het nodige effect, ’t viel hun nogal rauw op de nuchtere maag.

Aldus bleef ’t tamelijk stil onder ’t publiek en geen hoera geroep klonk er. En om er nu toch de feeststemming in te brengen verhief Cageling zich  in zijn stijgbeugels en zou hij de stemming er eens oprecht inbrengen. Dus hield hij een daverende toespraak tot de menigte, die rondom hen geschaard stonden, sprak van het schoone feest, ter eere van onze geliefde Koning, wekte hen op tot vreugde en besloot zijn toespraak met de uitnoodiging om ter eere, het “Wien Neerlandsch Bloed” aan te heffen, hij zou de maat wel aangeven – een – twee – drie en spontaan, uit volle borst, werd daar gezongen het schoone lied: “En de neus van Cageling, dat is zoo’n lekker ding!”. Zie dat is nu volkshumor.

Laat ‘k nu verder gaan met het Kroningsfeest na deze korte afwijking. ‘k Weet dan nog goed, dat er, na de parade een aubade was. Kinderen zongen, begeleidt door de Harmonie, vaderlandsche liederen en ‘k weet dat zoo goed, daar ik zelf een van de zangers was. Op de Stadhuistrap stonden de bekende “Hoogen”, de Markt was dicht bezet door ’t publiek, en de kolonialen plus de schutters zorgden voor de afzetting.

Wij, de zangers, vormden een grooten boog waarbinnen de Hardt z’n muzikanten leidde en ook de zang.

Al weken lang hadden we op school gerepeteerd en we kwamen goed beslagen op ’t ijs. Eén van de liederen die we zongen, was het mooie “Kroningslied”, het lied, dat pas bij gelegenheid van ’t veertigjarig Regeeringsjubileum van H.M. deKoningin weer werd gezongen in ’t stadion te Amsterdam. Het begint aldus:

“Weest begroet met jubeltonen,

Wees gezegend groote dag,

Dat het heerlijk feest mag kronen,

Geurend loover, zonnelach!”

Enz.

En ook zongen we ondermeer”’t Is plicht dat iedere jongen”, met ’t refrein, “Hoezee, hoezee, voor Nederland hoezee!” En nu weet ik nog best, dat we met een koppeltje jongens de woorden van de liederen verdraaiden. We zongen, in ’t lied met ’t refrein “Hoezee, hoezee, voor Nederland hoezee”, het volgende, “Hoezee, hoezee, de kokkert van Coljé!”

Flauw zult U zeggen, maar ach, we waren jongens en hadden er met elkaar toch lol om.

S’Middags ging er een allergorischen optocht rond, waar een zeer mooie praalwagen in mee reed, gevuld met jonge dames die de elf provinciën voorstelden, gezeten rondom de Nederlandsche Maagd die werd voorgesteld door mej. Sophie de Hardt, de dochter van de kapelmeester.

Daar liep en reed velerlei mee in de stoet.

Achter de praalwagen liepen, met rinkelende medailles op, een stoet gepensioneerden in stramme pas.

Ook waren er versierde sportkarren. Die sportkarren zag je vroeger zeer veel, ’t waren inderdaad karren, maar met sport hadden ze hoegenaamd niets uit te staan.

’s Avonds was er groot feest en menig huis was beillumineerd door kleurige vetpotjes en ‘k weet nog goed, dat boven de deur van ons huis een groote oranje “W” van hout was aangebracht en waaraan ’s avonds vetpotjes brandden, die houten “W” lag later bij ons op zolder en ‘k bezag het ding altijd met een zekere eerbied aan, vanwege het Kroningsfeest.

Daar zijn voor mij aan de Markt wel duizend en één herinneringen o.a. als de examentroep over de Markt trok naar buiten. Alweer een feest, maar nu niet een, waar ik in mee deed.

Ieder jaar, de laatste schooldag voor de groote zomervacantie trokken de leerlingen van de armenschool, – die school was op ’t Kerkplein hoek Israëlstraat – onder geleide van de meesters en juffrouwen, vooraf gegaan door de Harmonie, naar buiten, naar ’t slingerbosch.

Dit zou men dus een voorlooper kunnen noemen van de schoolreisjes uit dezen tijd. ’s Middags trokken ze uit, vele kinderen voorzien van vlaggetjes, die den stoet een fleurig aanzien gaven, ze zongen en juichten, want was het, – met de muziek voorop – inderdaad niet echt een feest voor hen?

In ’t Slingerbosch werden spelletjes gespeeld, de kinderen werden getracteerd op krentebroodjes en ook op….bier, de meesters en de schooljuffrouwen laafden zich aan een glaasje of wat port, want ’t was warm weer, en dan smaakt zulks opperbest. Zoo tegen zes uur was de pret afgeloopen, en of ’t nu kwam van de warmte of van de port,dat wil ‘k in ’t midden laten maar de meesters en de juffrouwen hadden op de terugweg wel erg roode hoofden en merakel lol. Dit was nu het examen vroeger.

“De lootjesdag”was ook al iets extra’s. De “lotelingen”kwamen al vroeg uit de omliggende dorpen naar de stad, begeleidt door hun vaders en de dorpsveldwachter die een wakend oogje op z’n dorpskudde hield. Ze kwamen per spoor en velen arriveerden met heele clubjes per wagen, zoo’n lange boerenwagen getrokken door twee peerden, de veldwachter naast de koetsier op de bok. De loting was op ’t Stadhuis en begon ’s morgens om tien uur. Dorp voor dorp ging het en dan hoorde je b.v. zeggen, “Elspeet is nu bezig en Nunspeet is om elf uur aan de beurt”. En als de lotelingen dan uit ’t Stadhuis kwamen, was ’t recht lollig. Sommigen vlogen van alle trappen tegelijk af, zwaaiend met hun nummer naar de menigte die zich voor ’t Stadhuis verzameld had.

En dan gingen de nummertjes vóór de pet, zoodat iedereen kon zien of Gaart of Lubbert er aangeloot of vrijgeloot was. Dan trokken ze, luid zingend in troepjes de stad door, in iedere herberg aanpappend, zoodat de stemming al gauw tot kookhitte was en dat gold voor alle lotelingen, want ze waren “er aan”, dan dronken ze uit baloorigheid,en waren ze vrij, dan dronken ze van plezier. Dan zag je jonge kerels soms capriolen maken als kalveren op ’t ijs, trappen en stampen op de straat alsof ze door keien heen moesten, dansend en springend als gekken.

En in de herbergen – die een beste dag hadden aan zoo’n lootjesdag – ,was ’t een lawaai dat hooren en zien verging, daar werd gedronken en gezongen en werd de maat aangegeven door gestamp met hun groote “boerenschoenen”op de houten vloer, dat je ’t in de verte al kon hooren. En tegen den namiddag scharrelde iedere veldwachter z’n dorpsjongens weer bijeen, hielp ze op de wagen hijsen en zoo vertrokken ze weer, de lotelingen naar hun haardsteden terug onder luid gezang.

Ja, zoo’n lootjesdag was wel de moeite waard.

En wat ging ’t vroeger gemoedelijker toe dan thans. Als ik dan aan onze Markt zoo denk, dan herinner ik me, zooals gezegd, heel veel daarvan, vaak soms drukke dingen, zooals ik alreeds verteld heb, maar ook stille dingen, die, juist door hun eenvoud en hun stilte, vastgegrift zijn in mijn gedachten. Dan beleef ik weer een Maandagavond op de Markt, een avond van een mooie zomerdag, die, na de laaiende zonnebrand, zoo’n heerlijke verkoeling geeft en een zoete rust brengt over de menschen en een stemming geeft van tevredenheid.

 

En als dan de schemering verdonkerde, dan gloeiden enkele lichten aan in de winkels en stak Kappers of Kruysdijk de lantaarns op, en de concertzaal straalde door de wijdopen ramen het licht uit over de Markt, want daar was de repetitie van onze Harmonie. Dan gingen de menschen aan hun deuren zitten en op de stoepen voor hun huis, ze zochten gezelligheid bij elkaar, en hun stemmen klonken gedempt door de avond.

En als de muziek een mooi stukje speelde en de klanken door de open ramen van de concertzaal over de Markt ruischten, dan staakten de gesprekken en allen luisterden vol aandacht naar de muziek van “onze Harmonie”, en er was tevredenheid.

Of ik herinner mij de winteravonden, dat ’t buiten vroor dat ’t knapte. Dan zaten we thuis,na tien uur zoo gezellig rond de gloeiende kachel te praten of een boek te lezen en de koude, die daar buiten was, deerde je niet. Dan was ’t doodstil op de Markt, geen mensch kwam z’n huis uit.

En als de omnibus van Kamm of Baars van de laatste trein af kwam en over de stille Markt reed, dan maakte dewielen zoo’n hol geluid over de stenen en hoorde ik nog vader zeggen, dat ’t zoo hard vroor, want de omnibus klonk zoo over de Markt en ook zie ik nog, dat vader voor ’t naar bed gaan, z’n pet opzette, ’n emmer haalde en water ging halen aan de pomp op de Markt, de pomp die z’n dikke winterkleed aan had in de vorm van een aantal bosschen stroo die er rondom waren aangebracht en ‘k voel nog de kou die telkens binnen kwam als de deur openging en de huivering bij de gloeiende kachel vanwege de ijselijke daden van Perrol met de Roode Hand, uit het boek “de Schaapherder”, waar ik in verdiept was.

Ook zie ik nog de dikke Seyfriedt met Theresia en de ouwe Folhaben over de Markt naar huis komen, tweemaal in de week. Zoo ’s avonds tegen zevenen, wijl er dan “café chantant”was n.l.een stukje piano en vioolmuziek en een liedje van de “chanteuse” de dikke , mollige Theresia.

Veel later, toen dit café chantant opgedoekt was, herinner ik me nog, dat de ouwe stumper Folhaben, ’n oude Limburger, die indertijd nog als trompetter bij de Dragonders had gediend, met z’n viool muziek maakte langs de huizen, “om aan de bik te blijven”en dat hij in Nijkerk in een gesticht, waar hij later is opgenomen, gestorven is.

En wat de schoone Theresia betreft, die is heel, heel oud geworden en gelukkig en arm, en in Putten, waar ze moederziel alleen in een kamer woonde, nog maar kort geleden, half verbrand daar uit gehaald en stervende naar Harderwijk vervoerd, alwaar ze is begraven. “Sie transit Gloria”.

En nu gaan we de Markt verlaten, om wat meer over de stad te vertellen.

xxxxxxxxxxxxxx

 

 

 

 

 

Dit bericht was geplaatst in Jeugd herinneringen door W.J. Polen.

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Verplichte velden zijn gemarkeerd met *