De Oldebroeksche tienden.

 

 

 

De Oldebroeksche Tienden.

Door P.Duijs.

 

De tiendverkooping.

( Een tiende ( tiendrecht en tiendenrecht) is een vorm van winstbelasting, waarbij men een deel van de opbrengst dient te betalen. Oorspronkelijk bedroeg dit een tiende deel; uit de middeleeuwen zijn echter ook andere fracties bekend.)

    In het jaar 1572 bevonden zich, in de herberg de Zon te Elburg, vele ingezetenen dier plaats en uit de omtrek vereenigd. Men zag er zoowel aanzienlijken met kostbare stijve kragen, korte mantels en zwaarden op zijde, als mindere burgers en ambachtslieden en boeren in grove wambuizen. De kastelein had het druk met het bedienen der gasten, en onophoudelijk hoorde men het geklepper der bierkannen, vergezeld van een dof gemompel als het gonzen van een bijenzwerm.

Het tiendregt onder Oldenbroek, dat aan Willem graaf van den Berg behoord had, was, toen deze zich aan de zijde van zijnen zwager, den prins van Oranje, gevoegd had, door den koning verbeurd verklaard, en zou nu bij afslag publiek worden verkocht.

“ Is dan het eigendom van den muiteling geen geld waard?” riep de gecommitteerde van den stadhouder Hierges ontevreden uit, toen reeds tot een prijs ver onder de waarde was afgedaald. Hij noemde telkens een lagere som en maakte dan een lange pauze eer hij nog lager kwam.

“ Mijn!” riep eindelijk een der aan de tafel gezeten heeren, een man van middelbare jaren, wiens bedaarde, scherpe gelaatsuitdrukking weinig gevoel en hartstogt, maar des te meer koele berekening aanduidde.

Alleer blikken rigtten zich op de kooper. Deze was Willem Sanders, burgemeester van Elburg, voormalig rentmeester der nu verkochte tienden van den graaf. Een misgenoegd gemompel, dat zich hier en daar liet hooren, duidde aan, hoezeer velen de daad van Sanders afkeurden. Geene gelukwenschen dan die van den gecommitteerde werden tot hem gerigt. Hij scheen zich echter, naar den glimlach der voldoening, die om zijne lippen speelde, te oordeelen, weinig om de algemeene afkeuring te bekreunen. Nadat de schriftelijke bewijsstukken waren geteekend, verliet hij de herberg en begaf zich naar zijne woning, waar zijne vrouw en dochter hem reeds met het middagmaal wachtten.

Vergenoegd zette hij zich aan tafel. Allegonda, zijne huisvrouw, zag hem eenigzins verwonderd aan, want zijn anders stroef en peinzend gelaat vertoonde zelden eene opgewektheid als op dit oogenblik, nu zijn oog schitterde en een licht rood de gewone bleekheid zijne wangen had gekleurd.

Sanders gebruikte weinig van de opgedragen moesgroenten, boonen en varkensvleesch. Zijn geest was blijkbaar te vol van gedachten. Noch Allegonda noch zijne dochter Geertruida hadden het tot hiertoe gewaagd, hem naar de oorzaak zijner blijdschap te vragen; want zij waren niet gewoon, dat de heer des huizes, die zijne plannen altijd alleen ontwierp en uitvoerde, en, waar het de behandeling van zaken gold, steeds met minachting op vrouw en dochter nederzag, zonder haar zijne berekeningen en overleggingen mede te deelen. Ditmaal echter scheen hij van zijne hoogheid een weinig tot haar te willen nederdalen. De blijdschap maakte hem openhartig.

“ Geertruida,” zeide hij, “ haal mij wijn; van den oudsten uit mijn kelder; want ik heb een goeden dag gehad: wij zijn ten minste dertig duizend guldens rijker geworden!”

Met de verwondering op het gelaat zagen de vrouw en dochter hem aan.

“ Dertig duizend gulden rijker!” riepen beiden te gelijk op den toon des ongeloofs uit, terwijl Geertruida de wijn vergat.

“ Zoo als ik zeg,” antwoordde Sanders; “ maar haal eerst den wijn, Geertruida, dan zal ik u verhalen wat er gebeurd is.”

Toen Geertruida met eene steenen kruik was terug gekomen, en deze op tafel had gezet, schonk hij voor vrouw en dochter, en daarna voor zich zelven, een beker vol in, en den zijnen opheffende, sprak hij met een glimlach:

“ Ik drink op de welvaart, die ons de tienden van den graaf mogen aanbrengen, welke ik voor tien duizend gulden heb gekocht, en die veertig duizend waard zijn.”

“ Hoe! Heb gij die gekocht?” vroeg Allegonda, niet zonder schrik en verbazing.

“ Verwondert u dat zoo?” antwoordde Sanders; “ waarom zoude ik die niet zoowel koopen als een ander?”

“ Omdat…” hernam zijne vrouw beschroomd…” omdat gij ’s graven rentmeester zijt geweest….Zoude het wel behoorlijk zijn, dat gij…dat wij ons met zijne verbeurd verklaarde goederen verrijkten?”

“ Welk een dwaze bedenking, Allegonda. Ik heb vroeger over ’s graven tienden het opzigt gevoerd, en hij heeft mij betaald: daarmede staan wij gelijk, zoodat ik niet zou weten, waarom ik niet van zijn verbeurd eigendom zou mogen koopen, wat toch een ander voor nog minder prijs zou gekocht hebben. Daarboven, de graaf is in opstand tegen zijnen koning, hetgeen ons van alle vrienschappelijke gezindheid omtrent hem ontslaat. Er was nu toch ook geen hoop meer, dat de tienden immer weer zijn eigendom zouden worden.”

“Maar de graaf zal zeer vertoornd zijn,” bragt Allegonda in; “ en als de Nassauschen ook hier eens binnen rukken, gelijk in verscheidenen steden van Holland en Zeeland, dan zoudt gij dien koop duur betalen kunnen.”

“ Die opstand zal spoedig gedempt worden,” antwoordde Sanders. “ In de eerste opgewondenheid mogen sommige steden, door het voorbeeld van andere medegesleept, de zijde van den prins hebben gekozen – het zal spoedig anders worden, als de koning meer troepen afzendt. Het is dwaasheid, te meenen, dat eenige in opstand gekomen steden, met een prins zonder land aan het hoofd, het tegen den magtigen koning van Spanje op den duur zouden kunnen volhouden. Het zal de heethoofden berouwen, die de zijde van Oranje hebben gekozen: de verstandige Katholijk houdt zich aan de zijde van de wettigheid, de kerk en de magt; zoowel de pligt, als het eigenbelang, moet daartoe aansporen. Ook hier zijn echter dwazen en rebellen, die zich door het eerste geluk van Oranje laten verblinden en – dit is juist ons voordeel geweest,” besloot hij glimlagchend.

Zelden had Sanders zoo veel woorden gebruikt, om een daad voor zijne huisgenooten te regtvaardigen. Het scheen wel, dat hij daar thans behoefte aan gevoelde; misschien werd hij door een geheime stem van zijn geweten daartoe gedrongen, want zulke daden, die wij zelven niet geheel kunnen goedkeuren, regtvaardigen wij gaarne luide voor anderen.

Geertruida had alle eetlust verloren. Een wolk van droefheid verdonkerde haar regelmatig schoon gelaat.

“ En gij zegt niets, Geertruida,” ging Sanders voort, met haar met een scherpen blik aanziende. “ Verblijdt gij u niet om het voordeel, dat ons is te beurt gevallen?”

“ Neen, vader,” antwoordde zij vrijmoedig, de blaauwe oogen opslaande, op bedaarden, vaste toon. “ Slechts de heerschappij der Spanjaarden kan ons genot van dit voordeel verzekeren, en ik hoop niet dat die blijft voortduren, want dan is het vaderland diep ongelukkig. Bovendien doet de omstandigheid, dat gij ’s graven rentmeester zijt geweest, mij die koop onbehoorlijk schijnen. Gij hadt daardoor nader betrekking op den graaf, dan een ander.”

Toornig rimpelde zich het voorhoofd des vaders.

“ Trotsche, waanwijze deerne!” sprak hij met dreigende blikken, “wilt gij wijzer zijn dan ik, en durft gij wenschen, dat de oproerlingen en ketters zegevieren? Waag het niet, zulke woorden te herhalen. Als gij meer eerbied hadt voor uwe ouders; als onze veiligheid en het belang der heilige kerk u ter harte gingen, zoudt gij zulke onbehoorlijke gedachten en wenschen niet kennen, zulke woorden niet spreken.”

“ Ik antwoordde slechts op uwe vraag, vader,” hernam het meisje, “ en het komt mij voor, dat eigen veiligheid en belang niet het rigysnoer onzer handelingen zijn moeten; wij behooren toch ook aan hey algemeene welzijn des vaderlands te denken, dat door die vreemde Spanjaarden wordt vertrapt; en de kerk heeft van Oranje niet te vreezen. Ik ben ook eene getrouwe katholijke, maar zoude met gerustheid den prins zien zegevieren, overtuigd als ik ben, dat hij ieder in zijne godsdienstige overtuiging zal beschermen, en ook ons, Roomschen, God zal laten dienen naar onzen wil. Wat eenige woeste watergeuzen gedaan hebben, verfoeit hij even sterk als wij.”

“ Ha!” sprak Sanders kalm, maar bitter en toornig: “ ik weet, hoe gij aan die oproerige denkbeelden komt – ik zal er een eind aan maken; de stadhouder Hierges heeft gelijk: zij verleiden en stoken onophoudelijk – zij moeten magteloos worden gemaakt – het is mijn pligt als magistraat.”

Geertruida verbleekte en sprak geen woord meer. Allegonda, die bij de gehouden woordenwisseling angstig hare dochter had aangezien, waagde het ook niet, bemiddelend tusschen beiden te komen. In haar hart was zij het met hare dochter eens; maar zwak en vreesachtig als zij was, durfde zij nimmer tegen haren echtgenoot optreden, maar eindigde altijd met hem bij te vallen, of te zwijgen. De maaltijd liep af in eene onaangename drukkende stilte.

Na de dankzegging verliet Sanders zwijgend de kamer, en nam Geertruida de schotels en borden van Delftsch porselein, het linnen amelaken en de bekers van de tafel, en borg het overgeschoten eten in de spinde, die zich in het bruine met snijwerk versierde beschot bevond, waar boven eene schilderij van Jan Schoreel prijkte. Daarna verliet zij de kamer en begaf zich naar een achter het huis gelegen tuin, waar zij eenige bloemen beschouwde die hare eerste knoppen ontwikkelden; deze beschouwing scheen echter meer werktuigelijk dan met aandacht en genoegen te geschieden, want een paar tranen uit hare blaauwe oogen bedauwden de even blaauwe Flora’skinderen, en na onrustig een paar malen door het tuintje te zijn op en neer gegaan, bleef zij peinzend staan en trad een oogenblik daarna weer het huis binnen. – Aan het einde van den gang bevond zich een deur, die tot de kamer van den burgemeester toegang verleende, en toen zij deze wilde voorbijgaan, zag zij een open brief op den grond liggen. Zij nam hem op, en wierp er een blik in; doch naauwelijks had zij eenige regelen gelezen, of zij verbleekte van schrik: het was een brief van den stadhouder Aegidus van Barlaimont, heer van Hierges, aan den magistraat te Elburg, en hield den last in, om allen, die door gesprekken of daden zich oproerig tegen den koning toonden, gevangen te nemen, en bepaaldelijk zekeren Maarten Walendonk, die, zoo als men hem berigt had, de persoon was, die in Elburg brieven van de prins ontving, en door wiens tusschenkomst deze met zijne aanhangers in die plaats, door middel van een groot snebbeschip, dat den Rijn en IJssel bevoer, gemeenschap onderhield.

Het papier beefde in Geertruida’s handen. Maarten Walendonk, de bierbrouwer, was door de innigste liefde aan haar verbonden, doch daar hij Lutheraan en prinsgezind was, bestond voor hunne liefde weinig hoop. – Nu ging haar een licht op over ’s vaders bedreigingen aan tafel.

“ Heilige mmagd!” mompelde zij ontroerd bij zich zelve, “ als het hier eens gaat als te Deventer, waar de verborgen gemeenschap met den prins was ontdekt en, op last van Pacieco, verscheidenen burgers zijn onthoofd en gevierendeeld! O, Maarten! Ik moet u redden!”

Zij legde het noodlottige papier weer op de plaats waar zij het gevonden had, snelde met zachte schreden voort, klom den trap op en ging naar haar slaapkamertje, waar zij zich op een stoel nederzette en, hare kalmte en geestkracht terug roepende, bedaard begon te overleggen, wat haar te doen stond, om Maarten en zijne vrienden te beveiligen. Zij kwam tot het besluit, om het ontdekte geheim zorgvuldig in haar binnenste besloten te houden en ook hare al te zwakke moeder er niet mede te bezwaren; maar als de avond viel, zou ze trachten onbemerkt uit de woning te sluipen, om in persoon Maarten te waarschuwen, daar zij niemand die taak durfde opdragen. Den geheelen namiddag verkeerde zij in de grootste gejaagdheid en spanning; want hoewel zij een sterken geest bezat, was de angst, dat zij te laat mogt komen, te groot om haar de kalmte te doen bewaren. Haar onrust scheen ook Sanders op te vallen. Een paar malen zag hij haar opmerkzaam aan. Met schrik had hij bespeurd, dat hij den brief des stadhouders in den gang had laten vallen, en nu deze omstandigheid met Geertruida’s blijkbare onrust in verband brengende, begon hij een sterk wantrouwen tegen haar te gevoelen, hetgeen hem tot een besluit bragt, haar niet uit het oog te verliezen; want hij kende de betrekking die haar aan Walendonk hechtte, en wist zeer goed, dat, hoewel zij elkander niet meer ontmoetten, zijn tegenstand slechts hunne liefde te sterker had doen ontbranden. Door Walendonk gevangen te nemen was hij nu in de gelegenheid, om het gevaar af te wenden; wat dan ook ’s jongelings lot mogt worden – verbanning of de dood – hij had dan slechts zijn pligt als magistraat gedaan, een pligt, dien hij veel levendiger zich zelven voorhield, dan vóór hij de tienden gekocht had; want alles drong hem nu om geheel Spaanschgezind te zijn, zoowel de stem van eigenbelang, als de zucht om zijn aankoop voor zijn eigen geweten te regtvaardigen. Hij verwijderde zich dien namiddag niet uit zijne woning, en hield zich meest in het woonvertrek op, van waar het zijn oog niet ontgaan kon als iemand het huis verliet.

Met angstig verlangen wachtte Geertruida op de schemering. Trager dan anders scheen de zon haar loop te volbrengen, en langzamer dan gewoonlijk schenen de wijzers der torenklok voort te kruipen. Eindelijk daalde de zon en kleurde met hare laatste stralen de bruine paneelen in het kamertje, waar zij zich had heen begeven, met bloedig rood. Zij nam nu hare zwart greinen huik van den kapstok en hing die over haar hoofd, zoodat slechts een weinig van haar bevallig gelaat uit dat sombere hulsel zigtbaar was. “ Nog een weinig geduld,” mompelde zij; “ ’t is nog te licht, men zou mij kennen, maar ik brand van ongeduld: ieder oogenblik kan de gevangenneming bevolen worden en dan is hij verloren.” Door een blik op de ledig wordende straat wilde zij zich overtuigen dat er nog niets verontrustens gebeurd was, toen plotseling haar kleur verschoot en zij een luiden kreet van schrik liet hooren: daar verlieten eenige gewapende dienaren van het geregt hare woning. Zij had hen niet zien binnenkomen; waarschijnlijk had haar vader, om geen opzien te wekken, hen door de achterdeur ingelaten en hen nu zijne bevelen gegeven, die het haar niet moeijelijk was te raden.

images

“ Groote God!” riep zij uit, “ geef dat het niet te laat zij!” en, als door een stormwind voortgejaagd, ijlde zij de trappen af om de afgezonden gewapenden nog voor te komen en Maarten te waarschuwen. In den gang gekomen, welke reeds, daar de kleine, groene, in lood gevatte ruiten boven de deur aan het weinige schemerlicht geen genoegzamen doortogt verleenden, geheel donker was, liep zij bijna een gestalte omver, die haar, toen zij de deur wilde openen, in den weg trad.

“ Waar wilt gij zoo laat heen, Geertruida?” klonk de welbekende stem van haar vader, koel en gestreng.

“ Laat mij door, vader,” smeekte zij vreeselijk gejaagd, begrijpende, dat elke minuut toevens Maartens vrijheid zekerder prijs gaf: “ laat mij gaan, het is om een dringende boodschap, die grooten haast heeft.”

“ Geenzins, Geertruida,” antwoordde hij, haar bij den arm vattende, “ het geeft geen pas en is weinig geraden dat eene juffer zoo laat alleen op straat zwerft in deze onrustige tijden. Ga dadelijk naar uwe moeder: ik versta in geen geval, dat gij het huis verlaat.”

“ Vader!” riep het meisje, door wanhopigen angst gedreven, aan zijne voeten neervallende, “ om Gods wil, spaar Walendonk!  Als hij gevangen en gedood wordt, doodt gij ook mij.”

“ Ha! Was dat uw plan, eervergeten dochter?” beet hij haar toe: “ gij wildet uwen vader de volvoering van zijnen pligt beletten, en een rebel en ketter tegen hem beschermen? Gij hebt dus mijn brief gelezen?”

“ Ja, vader, ik heb dien gelezen, en ik kon hem, die ik lief heb en die niets schendigs deed, niet prijs geven aan een waarschijnlijke dood. Ach, erbarm u om mijnentwil! Herroep het gegeven bevel; ik zal van alle betrekking op hem afzien; ik zal hem nooit weer spreken.”

Zoo hevig was hare ontroering, zoo vast hield zij zijne knieën omklemd, dat hij een oogenblik bewogen werd; maar de gedachte aan het belang dat hij er bij had, om zulk een gevaarlijken prinsgezinde, als Maarten was, te verwijderen, en aan de gelegenheid, die hij vóór zich zag, om aan Geertruida’s liefde, waarvan hij nu meer dan ooit de kracht had leeren kennen, den bodem in te slaan, deed hem dat gevoel onderdrukken.

“ Ik wil en mag, om strafbare minnarijen, mijn pligt niet te kort doen,” antwoordde hij koel. “ Ik beveel u: ga aanstonds naar uwe moeder.”

“ Dan,” antwoordde zij, met fierheid opstaande, daar zij niet langer smeeken wilde, en dit ook vruchteloos achtte, “ dan moogt gij zijn lot verantwoorden, vader, en mijne rampzaligheid daarbij!” en in sombere vertwijfeling ging zij naar de woonkamer, waar zij op een stoel nederviel, en hare moeder te vergeefs pogingen aanwende om haar te troosten.

Sanders had zich naar zijn kamer begeven en hield zich daar onledig met het beantwoorden van den brief des stadshouders; hij gaf hem berigt, dat hij Maarten Walendonk had doen gevangen nemen, en daarbij de verzekering dat hij de overige oproergezinden in het oog zoude houden. Toen dit werk was afgeloopen, begaf hij zich naar het woonvertrek, om den avondmaaltijd te gebruiken, die intusschen was opgedragen. Geertruida zat steeds in stomme smart op den grond te staren, en worstelde met al hare krachten tegen de aandoeningen, die haar overmeesterden. Zij was niet in staat mede aan te zitten, maar maakte aanstalten om zich naar haar kamertje te begeven. De vader, die de deuren had gesloten en de sleutels bij zich droeg, liet haar begaan, en juist wilde zij het vertrek verlaten, toen haar angstig luisterend oor getroffen werd door een verwijderd gedruisch op de straat, als van vele voetstappen en menschenstemmen. Sidderend luisterde zij nog scherper. “ Mijn God!” dacht zij, “ hij is reeds gevangen, hij wordt nu weggeleid, en dit doet de menigte uit de huizen komen.” Daar naderde een geluid als van haastige voetstappen, doch slechts van een paar personen. Een oogenblik daarna werd er met zulk een geweld op de deur geklopt, dat ramen en ruiten beefden en rinkelden. Sanders liep naar voren, niet begrijpende waarom de geregtsdienaren, die hem de kondschap van de gevangenneming van Maarten kwamen brengen, zulk een zeldzaam gerucht maakten. Het kloppen bleef onverminderd aanhouden, tot hij den grendel afschoof en het slot omdraaide. Naauwelijks was de deur geopend, of de beide geregtsdienaren – want zij waren het –  riepen hem bijna ademloos toe: “ Heer, de Nassauschen naderen de stad, de bezetting vlugt reeds, alles is in rep en roer, wij hebben hem niet durven opligten. Haast u, als gij zelf geen gevangene wilt zijn”;  en ijlings vloden zij van daar, om voor eigen veiligheid te zorgen. Een oogenblik stond Sanders verschrikt en verbijsterd. Het gevaar riep hem echter tot bezinning. Hij snelde naar zijn kamer, wierp haastig de korten mantel om, stak een som geld bij zich en keerde toen naar vrouw en dochter, om van haar afscheid te nemen. “ Allegonda en Geertruida,” sprak hij zoo kalm mogelijk, toen hij binnen trad, ‘ ik moet eenige dagen van huis: de Nassauschen komen; voor het oogenblik zoek ik mijne veiligheid in de vlugt.”

Beide vrouwen uitten een kreet van verbazing en ontroering. Geertruida viel een verpletterende angst van het hart; want zij begreep, dat Maarten gered was; maar te gelijk bestormden haar vreeze en angst voor het lot van haar vader. Allegonda begon luide te weenen.

“ Ach,” klaagde zij,” hadt gij die tienden maar niet gekocht, dan hadt gij thans minder te vreezen.”

“ Het beteekent weinig,” antwoordde hij; “ ik begeef mij naar Kampen, een sterke en aan den koning getrouwe stad, waar ik veilig ben, tot het oproer in deze streken onderdrukt is en de benden van den prins verdreven zijn – en dat zal niet lang uitblijven. Gij beiden zijt veilig want men heeft geen reden u te vervolgen, en gij, Geertruida, moogt u verheugen,” besloot hij bitter, “ nu uwe vrienden komen en uw vader vlugten moet.”

“ Vader, vader, spreek zoo niet!” zeide het meisje weenende; “ ik heb u lief, en ben diep bekommerd om u; ach, kon ik u beveiligen, hoe gaarne zoude ik alles voor u opofferen!”

Op zulk een toon van gevoel en opregte droefheid werden deze woorden geuit, dat zij Sanders een weinig verzoenden. Hij omhelsde zijne klagende vrouw, en reikte Geertruida, doch eenigzins koel, de hand. “ Vaarwel,” sprak hij. “ ik schrijf spoedig”, en wilde zijn huis verlaten, toen driftig de voordeur werd geopend en haastig een persoon de kamer binnentrad. Het was een blond jongman, met levendige bruine oogen, en van een ranke maar krachtvolle gestalte; de breedgerande beverhoed, met een pluim versierd, stond eenigzins schuin op het hoofd; een zwaard hing aan zijne zijde.

Sanders verbleekte. Allegonda riep op den toon van schrik: “ Heilige Jozef!” Geertruida werd vuurrood en beefde. “ Maarten!” klonk het onwillekeurig van hare lippen.

“ Wat moet gij hier?” vroeg Sanders, zich herstellende, op barschen toon.

“ Heer Sanders,” antwoordde de jongman, “ ik zal openhartig met u spreken. Gij hebt het zeker al gehoord, dat eene afdeeling der troepen van den graaf van den Berg de stad nadert; gij weet, dat ik met hart en ziel een geus ben, en heb ijverig mijn best gedaan, om hier de zaak van den prins en van de vrijheid te bevorderen. Ik juig in mijn hart, dat Gelderland zoo allengs geheel den Spanjaard wordt ontrukt, maar bij u zal dit anders zijn; gij hebt ook al te veel reden om den graaf te vreezen, vooral na hetgeen gij heden hebt gedaan; binnen een half uur zijn zijne troepen hier, en als gij in hunne handen valt, hebt gij alles te vreezen. Aan ontkomen is niet meer te denken want alle poorten zijn door onze partij bezet; ik kan u alleen redden, en ik wil het doen; hier is een huismans- gewaad, waarin gij u vermommen kunt: trek dit dadelijk aan en ik zal u uit de stad geleiden.”

“ O, ik dank u, Maarten, dat is edel! Dat is braaf van u! Haast u, vader!” sprak Geertruida diep ontroerd.

Sanders stond een oogenblik roerloos. Schaamte, bitterheid en toch ook eenige erkentelijkheid worstelen in zijne binnenste. Bij het edele in Maartens handelswijze, van hem tot wiens gevangenneming hij een uur geleden bevel gegeven had, gevoelde hij zich diep vernederd. Maarten wist zeer wél, dat de geregtsdienaars op hem waren afgezonden; maar hij zweeg hiervan; ook wilde hij thans aan Geertruida’s vader geen goedkeuring van zijne liefde afdwingen: hij zou het misbruik geacht hebben van Sanders toestand. – Deze kon zich niet lang bedenken: hoe zwaar het hem viel, moest hij de aangeboden hulp wel aannemen: zijn leven stond op het spel.

“ Ik had die hulp van u niet verwacht, Maarten,” sprak hij; “maar ik neem ze aan, en ik zal u, als ik weergekeerd ben, uwe belooning niet onthouden.”

“ Eene belooning,” antwoordde de jongman ontevreden, “ zoek ik niet voor een daad, die ik verrigt uit mededoogen en omdat gij Geertruida’s vader zijt, en die verraad aan mijne partij zoude zijn, als ik er ooit belooning voor aannam.”

Vergeef dat woord, Maarten,” zei Allegonda smeekend; “ wij weten wel, dat gij uit edeler beginselen handelt.” Ook Geertruida zag hem met een smeekende blik aan. Sanders zweeg en verwijderde zich om zich te verkleeden terwijl Allegonda hem volgde.

“ Haast u, als uw leven u lief is,”riep Maarten hem na, en trad naar Geertruida toe.

“ Lieve vriendin,”zeide hij op geroerden toon, en drukte hare hand: “ hoe droevig, dat partijzucht en haat ons dus lang hebben gescheiden. Onze harten behooren immers elkander als vroeger, Geertruida?”

“ Hoe kunt gij dit vragen, Maarten?” antwoordde zij, hem met een blik vol liefde aanziende; “ zoo mogelijk zal ik u nog meer beminnen, nu gij mijn vader zoo edelmoedig hebt behandeld; ach, hij heeft zoo geheel anders jegens u gedaan; maar ik bid u, zorg toch dat hem geen kwaad ontmoette, dat hij de uwen niet in handen valle. Ach, wat zoude ik mij met u verheugen over den gunstigen loop van de zaak der vrijheid, indien mijn vader er niet door in gevaar kwam.”

“ Weest gerust, Geertruida, ik zal hem beveiligen; hij is immers uw vader! Ik hoop dat de zaak van den prins nu spoedig zal zegevieren en de Spanjaard gedwongen worden het land te verlaten; Holland, Zeeland en Gelderland heeft hij grootendeels reeds verloren en het overige zal wel volgen, en dan, Geertruida, zullen er betere dagen aanbreken.”

“ Doe dat en ik zal u zegenen en beminnen,” antwoordde het meisje, – “ en Maarten,” ging zij voort, “ kom hier niet aan huis gedurende vaders vlugt, want ik kan het denkbeeld niet verdragen, dat op zijn ongeluk het geluk van ons zamenzijn zou gebouwd zijn.”

“ Ik zal u gehoorzamen, Geertruida, als gij mij nu en dan maar een vriendelijke blik toewerpt – en nu vaarwel, me lieve, ik hoor uw vader komen.”

Eene omhelzing, die hen schadeloos stelde voor lange scheiding en sterkte tegen nog langer ontbering des zamenzijns, bezegelde op nieuw hunne min. Sanders verscheen in een eenvoudig boerengewaad gehuld, een lakensche hoed diep in de oogen getrokken, en verliet, nadat hij nogmaals afscheid van de zijnen had genomen, zijne woning.

Maarten bragt hem gelukkig door de poort, die zich gereedlijk voor hem opende, toen hij te kennen gaf, de Nassauschen te gemoet te willen gaan. Niet lang nadat de burgemeester Sanders was vertrokken, zag men de Nassausche voetknechten, met hunne lontroeren op den schouder, met doffen, gelijkmatigen tred, de poort naderen, en zonder tegenweer te ondervinden, trokken zij Elburg binnen.

Het beleg.

    Toen verscheidenen Hollandsche steden onder het beleid van den graaf van der Mark tot de zijde van den prins van Oranje overgingen, trok deze naar Braband om Alva te bestrijden, en zond zijnen zwager, Willem graaf van den Berg, om eene onderneming in Gelderland en Overijssel te doen. Zutphen, Doetinchem en Doesburg werden door dezen bezet; zijn bevelhebber, Zacharias, nam Oldenzaal en Goor in, benevens Harderwijk, ’s Heerenberg, Hattem en Elburg; doch het gelukte den graaf niet, Deventer te veroveren, dat eene sterke bezetting had, en ook Zwolle en Kampen hielden nog de Spaansche zijde.

In laatstgenoemde stad had Willem Sanders een toevlugt gezocht, eendeels omdat hij er tegen de Nassauschen veilig meende te zijn, daar de regering Spaanschgezind was en de volrijke stad, door stevige bolwerken beschermd en van krijgsvoorraad voorzien, geen overval had te vreezen, en ten andere dewijl hij er wel gekend en gezien was, ook bij de magistraatpersonen, en er een neef had wonen, bij wien hij eene welwillende opname had gevonden. Bovendien liet de nabijheid van Elburg hem gelegenheid om, door een vertrouwd persoon, met zijn gezin de gemeenschap te onderhouden en bevelen te geven omtrent het bestuur zijner zaken. Toen hij eenige dagen in zijne ballingschap had doorgebracht, stelde het hem niet weinig gerust, te vernemen, dat de zijnen van de Nassauschen geen overlast leden en zijne bezittingen niet waren aangetast of beschadigd. Met een opmerkzamen geest volgde hij den loop der krijgsgebeurtenissen. Hoewel hij met eenige onrust hoorde, dat de Nassausche in den omtrek van Deventer gestroopt, vele burgers gevangen genomen en molens in brand gestoken hadden, vervulde het hem goede hoop, toen hij vernam, dat zij, bij een rooftogt onder de muren van Zwolle, door het kanon der stadswallen met verlies waren verdreven. Hij twijfelde niet, of het geluk van den graaf van den Berg in die streken zou spoedig een einde nemen, want Deventer was toch steeds een sterk punt der Spaansche magt, de bezetting – hij had dit uit eene goede bron vernomen – zou nog met 350 Duitschers versterkt worden, en de hertog van Holstein was met zes vaandelen boeren en vier vaandelen schutters in aantogt, om buiten de stad op de Nassauschen een wakend oog te houden. Zwolle en Kampen waren ook te magtig en de regeringen te goed gezind, dan dat de graaf het wagen zoude, een aanval of belegering dier plaatsen te beproeven, en nu deze drie voorname steden zich nog in handen der Spanjaarden bevonden, was, naar hij meende, hetgeen de graaf gewonnen had van weinig betekenis, want spoedig zoude wel een afdeeling van het leger van Alva uit Braband komen opdagen en, bij het eerste verschijnen, de Nassauschen uit de kleinere plaatsen, als Elburg en andere, verdrijven. Dan kon hij veilig terugkeeren, zich verheugen in zijn vermeerderden rijkdom en in het verstandig besluit, zoo bepaald de Spaansche zijde te hebben gekozen, terwijl het velen bitter berouwen zoude, zich door het geluk van ’s prinsen partij te hebben laten verblinden. Doch de menschen, meende hij, hechtten gewwonlijk te zeer aan den schijn van het oogenblik; aan verstandige en schrandere lieden voegde het, tot het wezen der zaken en gebeurtenissen door te dringen en de toekomst niet uit het oog te verliezen. Zoo had hij zelf gedaan en hij had er geen berouw over: de uitkomst zou hem regtvaardigen, en bewijzen, dat het voordeliger was aan de zijde van een magtigen koning te staan, dan aan die van een onbeduidenden prins, wiens magt slechts op den bijval van eenige oproerige gewesten was gegrond – en, wat de tiende betrof, niemand kon hem kwalijk nemen dat hij zijn voordeel had behartigd. – Zoo had hij dan in deze onrustige tijden in ieder opzigt verstandig en wèl gehandeld en kon met goed vertrouwen de uitkomst afwachten. Dit was de slotsom van Sanders dagelijksche overwegingen.

Nu en dan dacht hij wel eens met eenige onrust aan zijne dochter en aan Maarten, en verontrustte hij zich een weinig over de vrijheid, die zij nu genoten, niet twijfelende of zij zouden dagelijks elkander ontmoeten; doch hij troostte zich dan met de hoop dat, als de Spanjaarden weer in deze streken meester waren, Maarten naar elders zou moeten vlugten om zich te beveiligen, en waarschijnlijk nimmer zoude durven terug keeren.

Zoo waren verscheidene weken voorbij gegaan. Het was op den 9 Augustus. Sanders ging in den namiddag met zijnen neef Simon Glauw de Veenepoort uit, met het oogmerk om zich naar eene aan dezen toebehoorende weide te begeven, waar men met hooijen bezig was en de brandend heete zomerdag menigen zweetdroppel der nijvere maaijers op het welige gras deed nederdruppelen. Bijna hadden zij de weide bereikt, toen Simon eenklaps bleef stilstaan.

“ Zie eens, Willem- neve,” zeide hij, met uitgestrekte hand regt voor zich uit wijzende, “ wat zou die stofwolk beteekenen, welke in de verte oprijst?”

Sanders staarde in de aangewezen rigting en zag nu ook eene zware uitgebreide wolk boven het geboomte van den weg opstijgen.

“ Die wolk,” antwoordde hij, “ moet ontstaan door eene talrijke drift ossen of eene bende krijgsvolk. – Zoude het Spaansche bezetting zijn, die Kampen wil binnentrekken?” vroeg hij met eenige onrust.

“ Dat is niet denkelijk,” meende Simon; “ want de raad der stad heeft bepaald aan den stadhouder te kennen gegeven, dat de stad geen bezetting noodig had.”

“Dan kunnen het geen krijgslieden zijn, want de Nassauschen zullen geen nuttelooze poging op Kampen wagen. Ik houd mij verzekerd, dat het een troep ossen is, die misschien voor het leger zijn opgekocht.”

“ Neen, neen! Zie eens dáár tusschen die boomen door, daar glinstert het als zilver; dat zijn helmen en wapenen.”

Op hetzelfde oogenblik kwamen een paar lieden met de grootste snelheid en met blijkbaren schrik den weg afrennen. Simon herkende hen spoedig, den een als een aanzienlijk burger der stad, den ander als een monnik uit het Minderbroeders klooster.

“ Wat jaagt u zoo, mijnheeren?” riep hij hen te gemoet. “ Wie zijn het, die daar komen?”

“ De Nassauschen, met den graaf van den Berg aan het hoofd,” antwoordde de monnik: “ er zijn ruiters en voetknechten, kanonnen en schanskorven; blijkbaar willen zij de stad belegeren.”

“ De Nassauschen – de graaf!” mompelde Sanders verbleekt: “ vervloekte rebellen,” ging hij voort, “ wat veroorzaakt gij mij een onrust!”

De monnik en de stadsburger waren reeds voortgesneld, om de tijding in de stad te brengen.

Kaart-Utenwael-K000016_700

“Haasten wij ons, Willem- neve, naar de stad terug!” vermaande Simon den verschrikten Sanders, en ook zij spoedden zich naar de poort, waar de schrikmare reeds de grootste opschudding onder de wacht had te weeg gebragt: de wachtdoende burgers grepen naar de wapenen, de poort werd gesloten, de trom geroerd, een bode naar het stadhuis gezonden – en binnen weinig tijds was de geheele stad in beweging. De burgers stroomden allen de huizen uit naar straten, poorten en wallen; de brandklok verkondigde alarm en nood; op verschillende punten klonk het tromgeroffel; luide bevelen en geschreeuw weergalmden van alle zijden; magistraten, hoplieden, ritmeesters en schutters liepen door elkander; amunitie en steenen werden vervoerd naar de bolwerken, en toen een uur verloopen was, had men zooveel orde gesteld, dat men ten minste een eersten aanval zoude kunnen weerstaan. Ook had men dadelijk een ijlbode te paard afgezonden, die het gevaar der stad aan den stadhouder Hierges en aan de steden Zwolle en Deventer berigten en den noodigen bijstand inroepen ging.

De meerendeels katholijke regering der stad Kampen hield dus de Spaansche zijde, wel niet uit ingenomenheid met het Spaansche bestuur, – want meer dan eens had zij moedig tegen Alva moeten optreden om de stadsregten te verdedigen – maar eendeels uit eene zekere huivering om zich tegen het in haar oog wettig gezag te stellen, en ten andere uit overgroote zorg voor de veiligheid der stad, welke zij vreesde aan de herovering van Alva bloot te stellen. Deze bezorgdheid maakte haar bekrompen en deed haar te zeer het algemeen belang des vaderlands uit het oog verliezen. De bevolking stemde voor een groot gedeelte met deze zienswijze in, doch een ander gedeelte was òf openlijk òf in het verborgen de zaak der vrijheid en van den prins toegedaan.

Weldra verscheen de graaf zelf, op een fraaijen schimmel, in de nabijheid van den uitersten wachttoren bij de Veenepoort, en werd de stad in naam des prinsen opgeëischt, doch Sanders, die zich met andere burgers op den wal had begeven, hoorde met genoegen, dat de regering ten antwoord gaf, dat zij de stad voor den koning wilde verdedigen.

Willem van den berg

Den volgenden dag nam reeds de strijd een aanvang. Van drie zijden werd de vesting aangetast en fel beschoten; doch van de wallen werd het vuur met gelijke levendigheid beantwoord, en zelfs eene batterij der belegeraars tot zwijgen gebragt. Roeibuizen, door Sonoy over de Zuiderzee gezonden, verschenen op den IJssel, maar werden door het geschut der stad teruggedreven; een bres werd geschoten, nabij de Havenpoort, doch door den ijver der gewapende burgers weer gevuld. Willem Sanders had ijverig aandeel in de verdediging genomen, want de regering, overtuigd hoeveel belang hij er bij had om den vijand buiten de stad te houden, had hem, op zijn verzoek, gaarne het opzigt over de verdediging van eene der poorten opgedragen.

Den 11 Augustus was de vesting nog niet aanmerkelijk beschadigd, en de magistraat, die reeds vroegtijdig op het stadhuis was vergaderd, volhardde in zijn besluit, om haar te blijven verdedigen. Sanders bevond zich vol moed op zijnen post aan de Geertspoort; hij hoopte dat de vijand spoedig uit eigen beweging zou aftrekken, of daartoe, door opdagend ontzet van den hertog van Holstein, zou worden gedwongen. Op eene bank in den noordelijken wachttoren der poort gezeten, gaf hij zich aan zijne bepeinzingen over. Hij bedacht, dat het hoog tijd was voor het maaijen van het koren, waarmede men onder Oldenbroek waarschijnlijk reeds zou begonnen zijn; hij berekende, of het voordeliger zijn zou, de tiendegarve zelven te laten dorschen, dan ze op het land te verkoopen. “ De toestand dezer streken zal wel spoedig veranderen,” zeide hij bij zich zelven, “ en dan pluk ik de zoete vruchten van welberaden overleg…” Hier werd hij in zijne overdenkingen gestoord door haastige voetstappen, die zich op den steenen trap deden hooren, en een oogenblik daarna stond zijn neef, Simon Glauwe, hijgend voor hem.

“ Willem- neve!” riep hij op ontrusten toon uit: “ spoed u van hier, want er is groot gevaar.”

“ Gevaar?” vroeg Sanders ontsteld: “ de vijand dringt toch niet in de stad?”

“ Nog niet,” was het antwoord, “ maar ik vrees, dat hij spoedig zal binnen trekken. Denk eens: ik kom daar van de Oude straat. Voor het stadhuis waren alle prinsenvrienden zaamgestroomd, en eischten van de regering de overgave. Alle tegenstand was vergeefs: “ Wij willen niet strijden tegen de prins! Als wij vechten zal het tegen den Spanjaard en zijne vrienden zijn!” riepen zij dreigend. De burgemeester ten Boecop zocht hen nog te weerhouden; doch daar ontrolde een hunner een groot Oranjevaandel, en zwaaide het boven het hoofd, uitroepende: “Naar de poorten! Vivat de prins!” en, als of er een stormwind losbrak, werd die kreet van alle kanten herhaald, en volgde hen eene talrijke gewapende schaar, waaronder de aanzienlijkste burgers, ook velen van wie men zulk een gezindheid niet vermoedde. Ten Boecop, ziende dat alles was verloren, snelde hen na, en bood aan, om de stad aan den graaf over te geven, maar wilde eenige voorwaarden bedingen. Gecommitteerden der regering hebben zich daarop naar de Havenpoort begeven, en spoedig verwacht ik nu de overgave.”

“ Heilige Jozef! Dat is een kwade kondschap!” riep Sanders uit, met verbleekt gelaat zijne neef aanstarende; “ waar vlugt ik heen, Simon- neef?”

“ Niet naar mijn huis, want dáár zal men u het eerst zoeken. Ik zal u naar het Minderbroeders klooster brengen; de pater- guardiaan is mij bekend; hij zal u wel een schuilplaats verleenen, en daar de eerwaarde vaders natuurlijke vijanden zijn der ketters en prinsgezinden, hebt gij dáár geen verraad te duchten en kunt gij veilig de gelegenheid afwachten, om uit de stad te ontkomen.”

Aan dezen verstandigen raad gaf Sanders gehoor, en een half uur later bevond hij zich reeds in het klooster, in eene verborgen cel, welker ingang door eene kast was bedekt.

Intusschen was, na korte onderhandeling, de stad overgegeven. Nadat de Overeenkomst was geteekend, werd de versperring uit de Havenpoort weggeruimd, en deed de graaf onder het schetteren der trompetten, die het “ Wilhelmus van Nassauwen” deden weergalmen, en onder het juichen der prinsgezinden, met een aanzienlijk gevolg en twee vaandelen voetvolk, zijn luisterrijken intogt.

 

De gevolgen van den koop.

 

Het was avond geworden. De burgers hadden de wapenen neergelegd, alle posten waren door de Nassausche krijgslieden bezet. Allengs keerde de rust in de straten terug. Geene kalmte heerschte echter in het hart van Willem Sanders. In zijne benaauwde cel, waar hij door een klein luchtgat het uitzigt had op de straat, had hij met ontsteltenis de Nassausche benden zien binnen rukken. Het viel hem zwaar, te moeten erkennen, dat hij in zijne berekeningen had gefaald en nu in groot gevaar verkeerde; want hij besefte, dat, als de graaf zijne aanwezigheid in de stad vernam en hem in handen kreeg, geen redmiddel voor hem overbleef.

Daar klonk een eentoonig geroep tot hem door. Het was de stadstromper, die met luide stem iets aan de bevolking bekend maakte. Niet ver van het kloostervenster bleef hij staan, en nu verstond Sanders duidelijk de langzaam uitgeroepen woorden: “ Namens den graaf van den Berg, bevelvoerder van het leger van Z.H. den prince van Oranje, wordt kond gedaan aan een iegelijk binnen deze stad, dat hij die den persoon van Willem Sanders, burgemeester van Elburg, in huis of hof opneemt, met den dood zal gestraft worden.”

Sidderend week Sanders een schrede terug. “ Mijn God!” riep hij uit,” zoo weet hij dan dat ik mij in de stad bevinde, en die dreigende uitroeping bewijst genoeg, dat ik alles heb te vreezen.”

Moedeloos viel hij op een stoel neder, en de wanhopige uitdrukking op zijn gelaat kon getuigen van den angst die hem bezielde. Aan de smartelijkste gedachten ten prooi vervloekte hij voor het eerst den noodlottigen koop der tienden, en kwam zijn vermeende wijsheid hem als dwaasheid voor.

Niet lang had hij over zijn toestand kunnen nadenken, toen de deur zijner cel werd geopend, en de langere magere gestalte van den guardiaan voor hem stond.

“ Heer,” zeide deze, met schrik en ontsteltenis in zijne stem, “ alle heiligen mogen u beschermen, maar gij moet van hier; want de kettersche bevelhebber heeft laten rondroepen…”

“ Ik weet het al,” viel Sanders hem eenigzins wrevelig in de reden, “ en ik vermoedde ook, dat de monniken zelfs geen moed zouden hebben, om een getrouwen zoon der kerk, nu er gevaar aan verbonden is, te beschermen. Zeg mij maar, of gij mij behulpzaam kunt zijn, om van hier de bolwerken te bereiken.”

“ Dat kunnen wij, mijn zoon,” was het antwoord; “ hoewel ik het geheele klooster, waarop de kettersch graaf voorzeker reeds een kwaadwillig oog heeft geslagen, niet aan zijne wraak mag blootstellen, wil ik toch alles voor u doen, om u te redden. Wij zullen u door den kloostertuin in een achterbuurt brengen; van daar kunt gij het IJsselbolwerk gemakkelijk bereiken. Wij zullen nog meer voor u doen. Een mijner biechtkinderen, een onvervaarde visscher, zal, op mijn verzoek, u met zijne schuit wel over den IJssel willen brengen. Het komt er maar op aan, dat gij ongezien het bolwerk bereikt, en u van daar laat afzakken.”

“ Dat is een kostelijk aanbod, eerwaarde vader,” hernam Sanders, wien nieuwe hoop het gelaat verhelderde. “ Vergeef mij mijn verwijt, ik ben u wel dankbaar voor de zorg en trouwe hulpe, die gij mij wilt bewijzen.”

De pater ging, liet den visscher ontbieden, sprak met hem, en vond hem bereid, om voor eene soede som het stuk te wagen.

Toen het donker genoeg was geworden, verliet Sanders, door een der jongere monikken vergezeld en van stevig touw voorzien, het klooster. Met behulp van een ladder werd hij over den muur geholpen, en sloop in den donker, door achterstraatjes, onbemerkt naar het IJsselbolwerk. Hij bevestigde het touw om een der op den wal staande lindeboomen, en liet zich toen langs hetzelve van den muur afzakken. Tot hiertoe was hij door niemand bespeurd. Wel hoorde hij den afgemeten stap van een schildwacht in de nabijheid, maar deze scheen hem niet bemerkt te hebben, althans, zonder verhindering zette hij den voet op de IJsselkade buiten den ringmuur. Tot zijne groote blijdschap zag hij juist op eenige afstand den donkere omtrek eener schuit naderen en tegen den oever aanleggen; het was ongetwijveld de schipper, want hier was de afgesproken plaats waar hij zich zoude bevinden. Reeds achtte hij zich gered, toen plotseling een luid en forsch “ werda!” van den schildwacht als een donderslag hem in de ooren klonk. De krijgsman had waarschijnlijk de schuit zien naderen, en die aangeroepen. Toen geen antwoord volde, loste hij zijn musket in de rigting van het vaartuig, op welk geluid de schuit oogenblikkelijk weer van wal werd gestooten, en nu stond Sanders alleen aan den IJsseloever, radeloos en niet wetende, wat te beginnen. Een oogenblik dacht hij er aan, om zich in de rivier te werpen, doch niet kunnende zwemmen, hield de overtuiging, dat hij een zekeren dood te gemoet ging, hem terug. In vreeselijke spanning luisterde hij naar het luidruchtig spreken en roepen der soldaten op den wal en aan de poorten, waar alles door het gevallen schot in opschudding was gebragt. Toen begreep hij, dat er slechts geringe kans tot redding meer overbleef: hij greep het touw, waar langs hij was afgedaald, en klauterde met groote inspanning – d– wanhoop gaf hem krachten – met zijne voeten tegen den ruwen muur telkens een steunpunt zoekende, naar de wal terug. Hij hoopte onbemerkt, gelijk hij gekomen was, weer in de stad terug te sluipen, en zich in het klooster te kunnen verbergen, tot hij op nieuw gelegenheid zou vinden om te ontkomen. Reeds had hij de kruin van den wal bereikt en wilde hij dien aan de andere zijde afdalen, toen een stem hem op dreigenden toon toeriep: “ Sta, of ik schiet u neer!”

“Jezus Maria!” stamelde de doodelijk verschrikte vlugteling en zag tegelijk twee musketten op zich gerigt door twee krijgslieden, die de brandende lonten in de hand hielden. Zij hadden het touw op den wal ontdekt en daarbij post gevat, terwijl anderen de poorten waren uitgegaan om langs den oever te zoeken. Toen zij beweging aan het touw hadden bespeurd, hadden zij zich stil gehouden, in afwachting van ’t geen er gebeuren zoude.

“ Wie zijt gij?” vroeg een der krijgslieden.

“ Een burger van deze stad,” antwoordde Sanders, zich geweld doende om bedaard te schijnen: “ ik had mijne visschersboot buiten liggen en moest die naar een andere plaats brengen; ik vreesde dat men mij niet door de poorten zou laten, en liet mij daarom langs dit touw afzakken. Mijn knecht is nu met de boot weggeroeid, en ik heb denzelfden weg, dien ik gekomen was, gebruikt, om in de stad terug te keeren.”

“ Gij liegt, kerel,” graauwde de soldaat hem toe: “ slechts een verrader, die kwaad in het schild voert, kiest zulk een weg; voor zooveel ik in de schemering kan zien, hebt gij het voorkomen van een visscher ook niet; doch het zal zich ophelderen. Vooruit naar de wacht!”

vischpoort kampen

En Sanders, nu geheel vernietigd, stapte tusschen de beide soldaten voort, naar den naasten wachtpost aan de Vischpoort. Hier werd hij aanstonds voor den bevelvoerenden hopman gebragt, en naauwelijks had deze hem beschouwd, of hij riep uit:

“ Waarachtig, hij is het, de schelm; ik zag hem voortijds meermalen in Elburg, den verrader, die zich met het verbeurde goed van zijnen meester heeft verrijkt, en nu tegen den prins heeft gestreden”, en verachtelijk duwde hij hem voort naar een hoek der wachtkamer, waar de ongelukkige wanhopig op het stroo neerviel en door een paar soldaten werd bewaakt.

Aanstonds werd aan den opperbevelhebber van de wigtige vangst kennis gegeven, en diezelfden avond nog werd Willem Sanders naar de stadsgevangenis overgevoerd.

 

Twee dagen later was bijna de geheele bevolking van Kampen uit hare woningen gestroomd. De wallen nabij de Vischpoort, de IJsselkaden, de lange brug waren als met menschen bezaaid; mannen, vrouwen, kinderen van allerlei stand, landlieden uit de omliggende dorpen, allen liepen in bonte mengeling door elkander, om van een vreeselijk drama getuige te zijn.

Buiten de Vischpoort stond een planken gevaarte van zes voeten hoogte opgerigt, en daarop een man van herculische gestalte, die op een breed zwaard leunde en van tijd tot tijd een blik naar de Vischpoort wierp, als of hij van daar iets verwachtte. Rondom het schavot had een afdeeling Nassausche ruiterij post gevat en hield met blank zijdgeweer de menigte op eerbiedigen afstand.

Een dof gesuis en gebrom steeg op uit de ongeduldig wachtende duizendtallen. Hier en daar hoorde men het luide schreeuwen van kinderen, die werden gedrongen of vertrapt, en nu en dan kwam eene beweging onder de onafzienbare hoofdenmenigte, als op een korenveld, dat golvend door den wind wordt bewogen.

“ Het duurt lang!” zeide een hopman bij het schavot tot een andere; “ hij zal toch geen genade erlangen?”

“ Geenzins,” was het antwoord; “ hij heeft vruchteloos herhaaldelijk verlangd den graaf te spreken; te vergeefs hebben ook de aanzienlijkste inwoners der stad voor hem genade gevraagd.”

“ De graaf heeft gelijk, dat hij den verrader een kop kleiner maakt; er moet een afschrikkend voorbeeld zijn voor de Spanjaardsvrienden; dat zal onze zaak in deze streken bevorderen. – Ik heb gehoord, dat zijne dochter zoo even in de stad is gekomen; misschien wil het arme kind haren vader nog zien. Men zegt, dat zij zeer schoon is.”

Terwijl de beide hoplieden dus in gesprek waren, wandelde de graaf van den Berg in het huis, waar hij zijn intrek had genomen, de voorkamer op en neder. Juist had hij bevel gegeven, dat de teregtstelling van zijn voormaligen rentmeester onverwijld zou plaats hebben en waren eenige krijgslieden heengegaan, om hem uit de gevangenis naar het schavot te voeren. Eenige onrust was op ’s graven gelaat te lezen. Hij vroeg zich zelven af, of hij niet aan de voorspraak van zoo vele aanzienlijken had moeten gehoor geven en Sanders het leven schenken; maar bij de gedachte aan de koop der tienden, kende zijn gramschap geen palen meer en voelde hij zich met den genomen maatregel volkomen bevredigd.

Daar hoorde hij een luide woordenwisseling voor de deur; het scheen alsof de schilwacht binnentredende personen wilde terugwijzen. Een oogenblik daarna vloog de kamerdeur open en een jong, schoon meisje, door een forschen jongman geleid, viel, met teekenen van den grootsten angst en de hevigste droefheid op het bleeke gelaat, voor zijne voeten op de knieën.

“ Genade, heer graaf!” riepzij uit, “ genade voor mijnen vader, Willem Sanders. Hij deed te voren niets tegen den prins noch tegen u!”

“ ’t Is te laat, meisje!” sprak van den Berg, “het vonnis is uitgesproken en met de voltrekking reeds een aanvang gemaakt.”

“ O, schors het, heer!” smeekte Geertruida, de handen vouwende; “ hij heeft u vroeger trouw gediend; slechts hebzucht verleidde hem de tienden te koopen, en toen werd hij ijverig Spaanschgezind uit vreeze en belang. Heb medelijden met zijne vrouw en zijne dochter, wij zijn ’s prinsen zaak van harte toegedaan.”

“ Het kan niet meer, meisje,” antwoordde de graaf getroffen, haar oprigtende; “ ik heb medelijden met u, maar aan verandering valt niet te denken…”

“ Heer,” viel de jongman hem in de reden, “ ik heb reeds veel voor de zaak der vrijheid gedaan, mijn naam zal u niet onbekend zijn, ik heet Maarten Walendonk; thans wil ik een groot feit bestaan ; het bezit van Vollenhoven is voor u van veel belang; binnen drie dagen lever ik het slot in uwe handen, als gij Willem Sanders teregtstelling schorst – ik zweer het u!”

“Bij den Hemel, het ware een kostelijke zaak, zoo gij volvoeren kondt wat gij zoo stout beweert,” zeide de graaf levendig.

“ Ik kan het, heer! Ik heb in het slot betrekkingen aangeknoopt; Met gevaar van mijn leven zal ik binnen dringen en u de poorten openen. Spaar tot zoo lang Sanders leven. Volvoer ik niet wat ik beloof, dan kunt gij het vonnis doen voltrekken; maar, volbreng in mijn belofte, dan schenkt gij hem genade.”

De graaf bedacht zich een oogenblik; toen greep hij haastig een stuk papier en schreef: “ Schorsing der teregtstelling van Willem Sanders! Willem graaf van den Berg.”

“ Vlieg nu naar de Vischpoort!” zeide hij, Maarten het papier overreikende: “het is misschien nog tijd.”

“ God dank!” zuchtte Geertruida, en daar snelde de jongman heen, en het meisje hem na, als door furiën gezweept; want zij kon niet achter blijven, nu het leven haars vader op het spel stond, en misschien van ééne minuut afhing. Angst, hoop, kinderliefde, dreven haar als een stormwind voort; hoe snel Maarten ook voorspoedde, zij bleef digt achter hem. Buiten de poort gekomen, drong hij, het papier hoog opgeheven, en roepende: “ Genade!  Genade!  Houdt op!” door het volk, dat vol verbazing en in gespannen verwachting dat opgewonden en gejaagde paar zag verschijnen, en het plotselinge berigt hoorde, dat nu van mond tot mond ging en als een electrieke schok op de menigte werkte, zoodat een gedruisch ontstond, dat zijn geroep verdoofde. Met moeite drong hij voorwaarts; doch reeds zag hij van verre Sanders neerknielen op het schavot. De scherpregter wierp een verwonderden en ongerusten blik op het in beweging gekomen volk, dat luide en verwarde kreten liet hooren, waarvan hij de beteekenis nog niet begreep, maar die hem deden vreezen, dat misschien de Spaanschgezinden zich tegen de uitvoering van het vonnis wilden verzetten.

Daar zag Walendonk, terwijl hij nog voorwaarts drong en voortging te roepen, den scherpregter den arm opheffen. Het breede lemmet flikkerde als een bliksemstraal – en het hoofd van Willem Sanders viel door ééne slag.

De jongeling uitte een kreet van schrik, en hoorde te gelijk achter zich een schellen hartverscheurenden gil, die het rumoer des volks overstemde. Zich omkeerende, zag hij dat Geertruida bewusteloos door eenige toeschouwers werd weggedragen. Hij snelde haar te hulpe, en bragt haar in de naaste woning.

Geertruida had, op het vernemen der tijding dat haar vader gevangen genomen en zijn doodvonnis zoo goed als zeker was, dit voor hare moeder verborgen, en zich, van Maarten vergezeld, naar den graaf gespoed, om, zoo mogelijk, uitkomst te verschaffen. Onder weg viel het den jongeling in, dat hij misschien den vader zijner vriendin zou kunnen redden, door de belofte, de belangrijke sterkte Vollenhove, waar hij bekenden had en reeds werkzaam was geweest voor de goede zaak, den graaf in handen te leveren. Op dien voorslag stelde hij te meer vertrouwen, daar het hem bij geruchte bekend was, dat de graaf veranderlijk en zwak was van aard, en daar hij vermoede, dat slechts toorn en wraakzucht over de lage handeling van Sanders diens vonnis hadden bewerkt, hoopte hij dat de graaf ook ditmaal, gelijk hij zoo dikwijls gedaan had, op een genomen besluit zou terugkomen, te meer nu dit een belangrijk voordeel kon aanbrengen.

Toen Geertruida, na het vreeselijke tooneel dat hare oogen hadden aanschouwd, den volgenden dag in deerniswaardigen toestand te Elburg terug kwam, verviel zij in eene zware ziekte, die haar lange tijd aan haar leger kluisterde; de kracht der jeugd weerstond echter den schok en zij herstelde. De tijd, en de liefde van Walendonk, met wien zij door den huwelijksband werd vereenigd, verzachtten allengs hare smart, en openden haar gemoed voor het zoete geluk des huiselijke levens.

Allegonda, die, bij het vernemen der schrikmare, eenige dagen luid had gelammerd, had er echter minder onder geleden, dan hare dieper gevoelende dochter, en vond in het huis harer schoonkinderen voor haren ouderdom eene rustige haven. In de onrustige tijden die nog volgden, bleef het door liefde verbonden gezin voor groote rampen gespaard, en heeft Geertruida’s echtgenoot, de wakkere Maarten, nog menige dienst aan de zaak der vrijheid bewezen.

Geldersche Volks- almanak 1859.

hendrik van grietjen

 

 

 

 

 

 

Dit bericht was geplaatst in Verhalen bundel.

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Verplichte velden zijn gemarkeerd met *