De slag op de Zuiderzee.

 

De slag op de Zuiderzee.

1

Het water is ons element,

De zee bruischt onze glorie!

 

’t Is met volken en staten als met personen en gezinnen. Allen staan onder dezelfde leiding, allen worden door dezelfde hand bestuurd en gevoerd tot dat punt, waarheen zij ter bereiking van het groote doel gebracht moeten worden. Vandaar dat zich somtijds de eene ramp op de andere schijnt te stapelen; maar vandaar ook, dat niet zelden de eenen zegen de wegbereider schijnt te zijn voor den anderen.

’t Laatste gedeelte van ’t zoo merkwaardige jaar 1573 gaf daar treffende bewijzen van. Nauwelijks was van Alkmaar de victorie begonnen of de zee voerde ons nieuwe lauweren toe. Lauweren, die voor de toekomst van niet minder gewicht waren, dan ’t verdrijven van den Spanjool van Alkmaars veste.

Alva

Te lang reeds had de hertog van Alva verzuimd te doen, wat hij, indien hij beter met land en volk bekend geweest ware, zeker zou gedaan hebben. Hij, de grootste veldheer van zijne tijd, had aan eene zaak vergeten zijne aandacht te schenken en toch was hij reeds meermalen in de gelegenheid geweest om te ontdekken dat daar de kracht van ons volk in gelegen was. ’t Was onze zucht voor zeevaart.

De Briel was hem door de zee afhandig gemaakt. Vlissingen, Veere, Enkhuizen, Hoorn en Medenblik, aan zee gelegen, waren met andere plaatsen van hem afgevallen en konden omdat de zee telkens weder nieuwe krachten tot verdediging aanvoerde, den hardnekkigen kamp volhouden, zoolang hij er niet voor zorgde, dat hij de zee in zijne macht kreeg. Van Antwerpen uit had hij dat bij Vlissingen en de Zeeuwsche zeegaten tot nog toe te vergeefs beproefd. Beter zou dat gaan op de Zuiderzee, want Amsterdam, die machtige zee- en handelstad, hield altijd nog zijne zijde en zou hem in ’t vooruitzicht van tijdelijk voordeel, dat zijne gunst haar aan kon brengen, ook zoo spoedig niet verlaten. Daarom, dit wist Alva wel, zouden de Amsterdammers hem ook gaarne behulpzaam zijn in zijn plan om de Geuzen uit de Zuiderzee te verdrijven. Gelukte dit, dan waren ook Monnikkendam, Hoorn, Enkhuizen en Medenblik spoedig in zijne macht en de opstand in Noordholland zou als geeindigd te beschouwen zijn, dewijl men dan Alkmaar zou kunnen uithongeren. Zoo waren de plannen van duc d’Alva; anders waren ze dáár Boven! ’t Zou hem niet gelukken, hoe goed de zaak ook overlegd scheen.

’t Bevel over de vloot werd gegeven aan Maximiliaan de Hennin, Graaf van Bossu, die als onderbevelhebber Frans Boshuizen, Admiraal van Holland had, terwijl Jan Sijmons Rol een smaldeel er van gebood. Alle drie, waren Nederlanders, alsof Alva ’t wel wist, dat hij, om iets ter zee uit tevoeren ook Nederlanders noodig had.

Bossu1

Al scheen het, dat Bossu, toen Stadhouder van Holland en Utrecht, aan de Rotterdammers in 1572 zijne wrake reeds gekoeld zou hebben, toch trachtte hij naar eene gelegenheid om te doen blijken, dat hij de Watergeuzen niet vreesde en dat hij wel degelijk de man zou zijn om hen tot staan te brengen; en dat Rol verlangde zijn schande, vroeger beloopen, in den strijd tegen Treslong, door een groot voordeel, dat hij met zekerheid meende te behalen, uittewisschen, laat zich lichtelijk denken.

Er werd in Amsterdam ijverig, maar in stilte aan het uitrusten der vloot gearbeid.

Toch kregen de Watergeuzen er de lucht van. Waarschijnlijk door de verstandhouding, die zij in Amsterdam met eenige hervormden hadden. Spoedig was het besluit genomen om zoo mogelijk het uitzeilen dier vloot te verhinderen. Aan dadelijk verzet was, uithoofde van de sterkte van Amsterdam, niet te denken. Men besloot dus om ’t vaarwater, dat naar de Zuiderzee voerde, onveilig te maken, en liet daartoe zooveel oude schepen als men kon missen,zinken. Dit was te dier tijde zonder veel moeite te doen, daar zich van Naarden tot aan Diemerdam, de ingang van het Y, noordwaarts een zandbank uitstrekte, het Muiderzand geheeten, die de zee voor schepen van eenige diepgang onbevaarbaar maakte, terwijl ten noorden van Durgerdam tot aan ’t eiland Marken toe zich een dergelijke zandbank bevond. Tusschen deze twee zandbanken was over eene lengte van bijna twee gaans eene geul, die op sommige plaatsen niet meer dan 15 à 20 minuten gaans breed was en waarin te nauwernood zooveel water stond, dat bij hoog water een geladen koopvaardijschip er door kon. Meestal moesten de koopvaardijschepen evenwel gelicht worden, wilden zij in ’t Y kunnen komen. Deze vaarweg en de ondiepe plaats er in werd het Pampus genoemd. ’t Bleek evenwel later dat deze belemmering niet voldoende geweest waren om den vijand het uitzeilen te beletten.

't Y

Al spoedig was de Spaansche vloot in orde. Sommige schrijvers, onder anderen van Meteren en Hooft, zeggen, dat zij dertig, anderen dat zij achtien zeilen sterk was. Van achtien schepen zijn de namen en die der bevelhebbers bekend, ’t is mogelijk dat de overige schepen transportschepen waren; in allen gevalle waren het weluitgeruste schepen, die en door grootte en door bemanning niet te vergelijkenwaren met de vier en twintig scheepkens onder bevel van Cornelis Dirkszoon, burgemeester van Monnikendam, Cornelis Dirkzoondie in verhouding tot de groote oorlogschepen van Bossu slechts visscherschuiten genoemd konden worden. De bemanning der Spaansche vloot telde minstens 1500 koppen, terwijl de Watergeuzen, wier schepen in den regel slecht bemand waren, ter nauwernood de helft daarvan telde.

’t Schip, waarop Bossu het bevel voerde, droeg den naam van de Inquisitie. ’t Was of men ’t er op toegelegd had, om ook door den naam reeds indruk te maken. Dit schip alleen voerde 380 man. Boshuizens schip heette de Heilige Geest, een naam allerminst passende aan het doel door ’t gebruiken van dit schip zocht te bereiken. De overige schepen hadden meestal namen van dieren; Valk, Raaf, Koe, Aap, Exter, Haan, enz., terwijl alle bevelhebbers, blijkens hunne namen, Nederlanders of Vlamingen geweest zijn.

De namen der schepen van de Watergeuzen zijn niet bekend gebleven en van de bevelhebbers slechts zij, die door hun aandeel aan den slag wel in ’t geheugen moesten blijven. Dat alles strekt ten bewijze voor de kleinigheid en zwakte der schepen, waarover zij te gebieden hadden.

In ’t begin van October, waarschijnlijk den 1sten of 2 den stak Bossu in zee, of liever wilde hij zulks doen, maar de versperring in ’t Pampus dwongen hem een hooger tij aftewachten, wilde hij zonder verhindering kunnen doorzeilen.

Intusschen was de beweging der Spaansche vloot aan de Watergeuzen geenszins ontgaan en twijfelden zij niet of de vloot zou te eeniger tijd de hindernissen te boven en in ’t ruime sop komen. Daarom belegde de Admiraal Corn. Dirksz. Krijgsraad en vraagde het oordeel der bevelhebbers omtrent de plaats, waar men de vijandelijke vloot zou aantasten. Of ’t beter ware haar te gemoet te gaan en op het Y aan te vallen, dan of men haar op de opene zee zou af wachten. ’t Laatste vond algemeen bijval en nu besloot men met de schepen terug te gaan en ’t Pampus tot bij Marken over te varen. Nauwelijks heeft Bossu dat terugtrekken ondekt of hij waagt een aanval op de schans te Schellinkwoude aan de Noordelijken oever van het Y. De bevelhebber dier schans, Broeckhuysen, ziende , dat de vloot wegzeilde en niet in staat om alleen met een hand vol volks de schans te verdedigen, trekt met zijne soldaten af naar Edam en Monnikendam en laat zijn post den vijand over, die daar op zijn Spaansch met de arme dorpelingen huishoudt.

De buit, dient de Spanjaarden hierbij maakten, was te grooter, omdat de overste Broeckhuysen de bevolking gerust gesteld had omtrent hunne goederen, dewijl hij dacht, dat de Watergeuzen indien zij met de Spanjaarden slaags raakten, dit zeker in ’t Y zouden doen, dan zou er nog altijd tijds genoeg over geweest zijn om te bergen, wat men bergen wilde; nu was men in éénen overrompeld geworden en verloor bijna alles bij de plundering. Alsof hij van plan was om zich in deze schans eens degelijk te handhaven, liet Bossu de batterijen versterken en geschut aanvoeren, terwijl hij met eene gerustheid en zekerheid zijne bevelen daartoe gaf, alsof hij reeds te voren de overtuiging met zich omdroeg, dat hij voor ditmaal ten minste de Geuzen eens zoo gevoelige les lezen zou, dat zij ’t niet weêr zouden wagen, de kusten der Zuiderzee te naderen.

 

De slag op de Zuiderzee.

 

Deze zege verontrustte de Noord- Hollanders in geene deele. Integendeel, nu men bespeurde, dat Bossu ook van plan was om op de kust aan te vallen, begreep men te eerder de noodzakelijkheid om zich in geduchten staat van tegenweer te brengen en besefte men te beter het voordeel dat men zou hebben, indien het aan hunne vloot gelukken mocht den vijand te water bezig te houden en zoo mogelijk te verdrijven. Maar om dat doel te bereiken, moest de zoo zwak bemande vloot beter van ammunitie en manschap voorzien worden. Al dadelijk was men te Hoorn en te Enkhuizen daartoe bereid. In Hoorn werd het besluit genomen om een gedeelte der schutterij naar de vloot te zenden en om eenige kleine schepen, waterschepen genoemd, te gebruiken om de gemeenschap der vloot met den vaste wal te onderhouden. Gelukte dit, dan kon men op den duur door toevoer van levensmiddelen en manschap de vloot steunen. Men lootte derhalve, om te weten wie er naar de vloot zou gaan en wie tot verdediging in de stad zou blijven. Dan spoedig oordeelde men het beter te zijn om de helft der bezetting, als meer geoefend in den krijg, naar de vloot te zenden en de schutterij tot verdediging der stad binnen te houden. De wakkere Ruichaver, die buiten Alkmaar had moeten blijven, werd nu met het bevel over deze troepen belast en begaf zich met zijne kloeke manschap aan boord van het schip van den Admiraal Cornelis Dirksz.

geuzen

’t Weder was stormachtig en de zee stond vrij hol. Voor de kleine Noord Hollandsche schepen, gaf dat weinig gevaar, maar voor de groote zeekasteelen der Spanjolen, was zulk weder alles behalve wenschelijk, daar deze door hunnen grooten diepgang allicht aan den grond konden geraken. Voor hen was dus groote voorzichtigheid noodig en Bossu begreep dat ook zoo goed, dat hij alvorens verdere stappen te doen, zich nog eens naar Amsterdam begaf om met den Hertog van Alva te raadplegen over ’t geen hun verder te doen zou staan.

“t Schijnt dat in deze bijeenkomst besloten werd, de zaak krachtig en spoedig door te zetten. We zien Bossu ten minste reeds den 3den October weder op de vloot en twee dagen later brengt hij haar bij hoog water over het Pampus heen. Hij zelf ging met zijn schip de andere voor en scheen er van overtuigd te zijn, dat de verschijning van zijn reuzenschip alleen reeds voldoende wezen zou om de notendoppen der Watergeuzen tot de vlucht te noodzaken. Hij had zich evenwel deerlijk misrekend.

Nu wordt op de schepen der Watergeuzen alles tot den strijd gereed gemaakt. Zijn hunne vaartuigen zwak en klein in vergelijking van die des vijands, ze zullen door persoonlijken moed trachten te vergoeden, wat hun aan uitwendig krachtbetoon ontbreken mocht.

’t Algemeene plan is: zoo weinig mogelijk te schieten. Buskruit en kogels willen zij sparen, dewijl de voorraad schaarsch is en ’t voorbeeld van Alkmaar heeft hen geleerd, dat men ook zonder kogels den vijand den weg kan wijzen; ze zullen, evenals de Alkmaarders, pekkranzen en kokend kalkwater hunnen vijand op den kop storten; maar dan moeten ze zich ook in zijne nabijheid bevinden. Dan moet er geënterd worden. Daarop zal men ook alles aanleggen. Met den bodem onder den voet en de bijl in de hand, durven ze den ongelijken kamp wel te wagen; de zegen moet van Boven komen! Zij zullen werken en bidden.

Maar hun wachten baat hun weinig. Bossu heeft heel andere plannen. Hij zal den aanval uit de verte doen. Zijn zwaar geschut zal hunne scheepkens op zulk afstand reeds verbrijzelen, dat ze hem met hunne gotelingen en draaibassen niet bereiken kunnen.

Niet lang duurt het dan ook of de Spaansche kanonnen branden los. Men laat hun schutgevaarte niet onbeantwoord, maar in plaats van er voor te wijken, zet men alle zeilen bij om dicht bij de vijand te komen. Dat is het niet, wat deze verlangt; hij gaat dus telkens terug, wanneer een der schepen te dicht aan zijn boord komt. Hij wil zich niet laten aanklampen.

slag a

Zoo wordt er twee dagen lang gezocht om den strijd aan te binden en twee dagen lang gelukt het den vijand dien te ontwijken.

Eindelijk dwalen een paar van de vijandelijke schepen een eindweegs van de vloot af en dadelijk zijn de Noord Hollanders er op bedacht deze aan boord te klampen. Zooals de havik op zijn prooi valt, zoo snijden ze met uitgespannen zeilen de golven, en vliegen op schepen aan. ’t Geschut schijnt hun niet te deren; ze zeilen tegen de kogels in, en, eer men het vermoedt, zijn de boegsprieten door sterke kabels omgeworpen en trekken ze zich naar hunnen vijand toe, vlak tegen de geschutspoorten in. Nu werpt men de enterhaken uit en de schepen zijn aan elkander verbonder. Zoo valt Jacob van Til het jacht de Aap, waarop de zwager van den vice Admiraal Boshuizen, Artus van Schuylenburch, ’t bevel voerde aan. Wat moeite de Aap ook aanwendt, hij kan zich aan ’t scheepken, dat hem vastklemt, niet ontrukken. Nu zal het moeten blijken, wie een hart in ’t lijf heeft. Het zeevolk van van Til grijpt kabels en touwen en rondhouten en spillen en zoekt zich op ’t vijandelijke dek te begeven. Dan de vijand slaapt ook niet. Tot tweemalen toe worden worden de Noord Hollanders teruggesmakt; maar eindelijk, ten derde male, gelukt het hun het dek van ’t vreemde schip in te houden. Moorddadig wordt nu de strijd. Al spoedig is ’t dek glibberig van bloed, de meeste vijanden zijn afgemaakt en Schuylenburch wordt met zeven van zijne manschappen gevangen naar Hoorn gezonden met een waterschip, dat dezen dienst bewijst en tevens de zwaar gewonden en dooden met zich voert. ’t Schip te houden is evenwel niet mogelijk; men is te zwak van manschap om het behoorlijk te bezetten, daar van Til met twintig der zijnen gekwetst zijn, ofschoon hij slechts het verlies van twee man aan dooden te betreuren had. Men besluit daarop het veroverde schip van zijn geschut te ontdoen en ’t dan, zoo mogelijk, te behouden. Niet lang duurde het evenwel of de vijand bespeurde in welk een toestand het jacht zich bevond en veroverde het weldra weer.

Te gelijker tijd had Dames Frederiksz. van Monnikendam een ander jacht des vijands aan boord geklampt en zich daartoe tot onder ’t geschut van de Inquisitie gewaagd. Bossu deed hem nu de volle laag geven, waardoor op eenmaal vijftig soldaten en matrozen op ’t schip van Frederiksz. buiten gevecht gesteld en ook zijne enterdreggen en enterhaken losgeschoten werden. Woedend weerde de manschap zich en menigen Spanjool moest met zijn leven boeten, voor ’t verlies, dat Frederiksz. geleden had, maar toch was het hem niet mogelijk om het schip weder in zijne macht te krijgen. Het Spaansche schip was ook zoo wel bezeild, dat het niet lang duurde of ’t was uit het bereik van ’t aanvallende schip verdwenen.

Men had evenwel aan dit voorspel kunnen zien, wat men te wachten hebben zou, indien de zaak eens voor goed eenen aanvang nam en de Spanjaards waren door deze eerste proeve inderdaad niet aangewakkerd geworden om de Geuzenscheepkens in hunne nabijheid te laten komen. Meer dan vroeger werd er besloten om ’t gevecht door ’t kanon te laten beslissen en al ’t mogelijke te doen om zich de schuiten met hunne “ houten kanonnen” zooals men spotterderwijze ’t geschut der Noord Hollanders noemde, van ’t lijf te houden. Deze dag was evenwel voor de Noord Hollanders niet gelukkig. ’t Aantal gesneuvelden en gekwetsten, onder welke laatsten zich ook de Admiraal Cornelis Dirksz. bevond, was zeer groot; ’t geen voor hen, die reeds zoo karig van koppen voorzien waren, nadeeliger was, dan voor de welbemande Spaansche schepen.

 

De slag op de Zuiderzee.

3

 

Bossu vond dan ook geene reden om over den uitslag van dien dag ontevreden te zijn. Hij meende, dat met een weinig geduld en voorzichtigheid de overwinning nog ontwijfelbaar aan zijne zijde zou wezen. Wat hem daartoe ook aanleiding gaf was het schijnbare aftrekken der Noord Hollandsche vloot. Doch dit had eene andere oorzaak. Den sterke ZuidOosten wind noodzaaktte de schepen noordelijk te houden en eindelijk bij Neck, niet verre van Hoorn, het anker te laten vallen, wilden zij niet geheel afdrijven. Daardoor waren de vijandelijke schepen op dezelfde plaats gekomen, die vroeger door hen was ingenomen. Deze omstandigheid kon nu wel aanleiding tot de gedachte van een terugtocht geven, maar bewees toch niet stellig, dat dit zoo was. Bij de uitkomst zou ’t duidelijk blijken, dat vrees hier ’t allerminst in ’t spel was geweest.

Bossu had hoop, dat zij nu ’t gevecht niet zouden durven hervatten; maar Rol zeide, dat hij zich hierin bedriegen zou, want “ dat dapperheid van hen, die van zijn lansaart waren, hem al te wel bekend was, dat het een volk was, bij de zee opgewiegd; een volk, dat gevaar noch arbeid schroomde en dat de Admiraal hunne dapperheid nog wel zien zou;waarom hij, wilde hij voordeel op hen behalen, alle voorzichtigheid te werk moest stellen, zijnde het minder moeite zulk een vijand te verachten, dan te overwinnen!” Bij ’t hooren dezer woorden barstte Bossu in een verachtelijk lachen uit. Ook dat zou hem wel vergaan.

Inquisitie

Zooals reeds gezegd is, was de wind geheel in ’t voordeel des vijands. Vijf dagen lang bleef die in denzelfde hoek en indien daar moed genoeg geweest ware zou men geen beteren wind kunnen verlangen, om de kleine vloot aan te vallen, dan dien, welke men toen had.

Bossu had reeds aan zijne vrienden, die Alkmaar belegerden, geschreven om den brand in de Waterlandsche dorpen te steken, om vlootelingen, die meestal schippers en visschers uit de naburige dorpen waren, den moed te doen ontzinken, wanneer ze hunne buizen in rook en vlam zagen opgaan.

Ook hierin bedroog Bossu zich. ’t Was waarlijk geen gevolg van lafhartigheid of vreeze dat ze schijnbaar de zee aan hun vijand gelaten hadden, maar alleen het gevolg van den wind, die hun tegen was. Ware de wind in hun voordeel geweest, ze zouden met den aanval op Bossu’s schepen, al hadden deze ook de dubbele grootte gehad, niet gewacht hebben. Nu was dit evenwel onmogelijk voor hen.

’t Schutgevaarte, dat zoo vijf dagen aanhield, zonder tot eenig gevolg te leiden, had voor onze Noord Hollanders een dubbel nadeel. Zij verloren daardoor tijd en kruit. Van het laatste waren zij zoo slecht voorzien, dat het geschapen stond, dat zij onmogelijk een uur lang een geregeld gevecht zouden kunnen volhouden. En te land had men daarvan ook zoo weinig, dat men hen onmogelijk helpen konden. Zelfs had men daar te weinig om voor eigene verdediging behoorlijk te kunnen zorgen.

Dat was metterdaad een groote ramp, die te ernstiger was, omdat de vijand daarvan zeker kennis droeg.

Dit gebrek aan ’t noodzakelijkste verdedigingsmiddel was eene der oorzaken, waardoor men tot het besluit kwam, om, het mochte kosten, wat het wilde, den vijand aan te vallen.

De Admiraal gaf dan ook op de 11de October bevel tot eenen algemeene aanval. Langer verwijl zou de zaak onmogelijk gemaakt hebben, omdat er dan geen buskruit van eenig aanbelang meer zou te vinden geweest zijn. De vijand had tot dien dag toe ’t gevecht kunnen ontwijken, omdat de wind in zijn voordeel geweest was. Nu was de wind eenigsinds gedraaid en dadelijk werd er besloten den aanval te wagen.

De Koninklijke vloot scheen er in ’t minst niet op gerekend te hebben om thans een bezoek van de geuzenschuiten te ontvangen. Als naar zijne gewoonte, had Bossu eenen goeden maaltijd besteld en de tafel was behoorlijk gedekt en gereed, toen hem de onverwachte tijding gebracht werd: de Geuzen komen op ons af!

slag op de Zuiderzee

Aan land had men groote vreeze voor de kleine Noord Hollandsche vloot en de anders zoo onversaagde Sonoy begreep te recht, dat het behoud van Noord Holland van ’t behoud der vloot afhing. Werd de vloot vernield, dan lag het gewest open en verloren was alles, wat men ten koste van zooveel strijds en bloeds verkregen had.

Daarom zond hij aan Cornelis Dirksz. Eenen brief ten einde hem tot voorzichtigheid te vermanen, terwijl hij hem raadde zich nog enkele dagen van een zeeslag te onthouden, in de hoop, dat men in dien tijd gelegenheid vinden zou om buskruit te bekomen.

Dan dat strookte geenzins met de plannen van onzen burgermeester- admiraal. Hij had geleerd, hoe weinig er op beloften te vertrouwen viel en vond het maar beter de gelegenheid, die zich nu scheen aan te bieden te gebruiken en te zien wat het geven mocht. Ook was ’t zeevolk jeukende naar den strijd; allen verlangden om met den Spanjool handgemeen te worden. Deze goede gezindheid zijns volk, waar van niemand den duur bepalen kon meende hij ook niet te mogen laten voorbij gaan, en om aan alle wijziging in zijn plan den bodem in te slaan, verbrandde hij den brief, liet de zeilen heischen, gaf elk schip zijnen man, dien hij te bestrijden had, koos zelf het Admiraalschip en vloog nu met volle zeilen op den reusachtigen vijand in.

’t Was eene gewaagde onderneming. De zaak was vooral in de omstandigheden, waarin men zich bevond, niet gering te achten en alles bewijst, dat het onzen zeelieden van voor driehonderd jaren niet mangelde aan dien moed, die iets groots voor ’t Vaderland durft bestaan. Zeelieden waren zij, maar in de krijgskunst hadden ’t slechts enkelen hunner tot op eene zekere hoogte gebracht. Persoonlijke moed en zucht naar vrijheid voor zich zelven en voor hun medeburgers gaven hun de kracht om dingen te bestaan, die men in onze dagen voor ongeloofelijk houden zou, waren ze niet op onwederlegbare wijze door de historie geboekstaafd geworden. “ Romeinstucken” noemt Hooft ze, maar ze waren meer dan deze, omdat bij den Romijn geen hooger gevoel dan eerzucht en vergrooting van de macht zijns volks aanwezig was, hier daarentegen waren edeler drijfveeren, die van Godsdienst en Vaderlandsliefde, bij de meesten werkzaam.

De stijve Oostenwind dreef onze wakkere schepelingen alras naar den vijand, die nu den slag niet ontwijken kon of hij moest tegen de kust aan op het droge komen en dan ware het met zijne zware schepen spoedig gedaan geweest.

De scheepkens vallen midden in de vijandelijke vloot en zijn dus van alle kanten aan de kogels hunner vijand blootgesteld, maar daarop achten ze niet. Ze hebben geen ander doel dan om, midden door den kogelregen heen, hunnen vijand aan boord te klampen, en man tegen man hem het recht der zee te betwisten.

Vreeslijk was ’t gedonder van ’t vijandelijk geschut. De kanonschoten dreunden Noord Holland door en honderden vlogen naar de kust om te helpen als de nood aan den man kwam of om met den rook en de vlammen, die zij zagen opgaan, hunne gebeden ten hemel te doen stijgen.

Maar al die rook en al dat schieten deed den Noord Hollanders hun doel niet missen. Elk schip zocht zijnen tegenstanders, ondanks al het gewoel en al de verwarring, die er heerschten, op.

 

De slag op de Zuiderzee.

4

 

Bossu maakt zich gereed tot den strijd. Zijne 30 stukken hebben reeds verwoesting en vlammen om zich heen verspreid; maar zij zijn eerst aan het begin van hun werk; slechts de geheele vernietiging der Geuzenmacht zal hun het eind doen vinden van hun werk. Dapper als hij is, heeft hij zijne welvoorziene tafel verlaten, zich ’t harnas aangegespt en staat nu voor de groote mast op het dek om zijne bevelen te geven. Daar komt een der scheepkens rechtstreeks op zijne Inquisitie af. Wat het van plan is, is licht te raden. ’t Zeilt tegen zijne kanonnen in, zonder één schot te lossen. ’t Is ’t schip van Dirkszoon. Hij geeft zijnen stuurman bevel recht op het Admiraalschip aan te houden. Zoolang de afstand nog te groot is om de sterke manschap en de kracht van ’t zeegevaarte te aanschouwen, geeft deze gehoor aan ’t bevel en zeilt er recht op in. Maar hoe nader de schepen bij elkander komen, hoe meer de stuurman ziet, dat de kans al te ongelijk zal zijn. Het is niet mogelijk, zoo denkt hij, om dat kasteel ten onder te brengen, en, beducht voor verlies van schip en leven, draait hij de roerpen en wendt van den vijand af; maar, spoedig bemerkt een der schepelingen die vlaag van lafhartigheid, vliegt naar ’t roer, stoot den stuurman ter zijde, neemt zelf den helmstok ter hand en zet het schip nu met volle vaart op den tegenstander aan.

De geschiedenis heeft den naam van dien wakkeren matroos bewaard. ’t Was Jan Floriszoon, die zoo doende de eer van zijn schip bewaarde en den moed ook bij de bemanning staande hield. De Noord Hollanders zullen Bossu thans eenen anderen maaltijd opdisschen, dan dien, welken hij zooeven verlaten heeft; maar hij, die uit wankelmoedigheid hem daarvan verschoond zou hebben, zal niet medehelpen om hem dien te bereiden; de bloode stuurman ter zijde van zijn lafhartig verlaten roer staande, was de eerste, die vanaf de Inquisitie af doorschoten werd, en Jan Floriszoon vergenoegde zich met zijn lijk terzijde te schuiven.

Bossu begreep al dadelijk, dat de oostenwind hem naar de kust voeren zou en, vreezende daar op de ondiepte te vervallen, gaf hij bevel om het anker uittewerpen ten einde voor dat gevaar bewaard te blijven. Maar zijne bestrijders bespeurden nauwelijks zijn plan, of zij wisten het anker, toen ’t nog niet ter halverwege de bodem bereikt had, te kappen al geschiedde dit ook onder de wanden van ’t vijandelijke schip met het grootste levensgevaar.

Slag

Bossu steunde evenwel op zijne groote overmacht en besloot zich kloekelijk te verdedigen. Hier was ’t nu niet tegen de overmacht, maar wel tegen den overmoed, dat hij te strijden zou hebben. Zijn geschut hielp hem tegen ’t schip, dat hem nagenoeg aan boord lag, niets; de schoten vlogen er over heen. Maar men deed van Bossu’s schip alle mogelijke pogingen om van nabuurschap van zulk eenen lastigen en brutalen vijand bevrijd te worden. Dirkzoon daarentegentrachtte zich hoe langer hoe vaster aan ’t schip van Bossu te hechten. ’t Geen hem, hoewel ten koste van menige doode en gewonde, eigenlijk zoo goed gelukte, dat beide schepen één geheel schenen uit te maken. Nauwelijks bemerkte men op de Geuzenvloot, dat Bossu’s schip aangeklampt was, of dadelijk gingen er nog drie schepen op los om mede hun deel aan den strijd en aan den roem van den dag te hebben.

Kapitein de Boer kwam van achteren tegen den Spiegel bestoken; Pieter Back en Jacob Trijntjes legden zich aan weerszijden van zijn schip en maakten zich daar, evenals hun Admiraal, vast. Zoo lag de Inquisitie tusschen vier vuren, maar de kracht van deze vier was niet opgewassen tegen ’t eene schip, dat men wilde overmeesteren. Bossu beseft het gevaar, waarin hij verkeert en tracht zich te ontdoen van zijne bespringers. ’t Gelukt hem slechts bij een er van om zijn doel te bereiken.

Kapitein de Boer kon aan de achterzijde bij den spiegel geene gelegenheid vinden om zijn schip vast te hechten. Evenmin gelukte het hem het sterke roer van Bossu’s schip onklaar te maken en nu deed Bossu zulk eenen geweldigen aanval op dat scheepken, dat het eindelijk, wilde het niet ten gronde geschoten worden, moest afhouden en den spiegel van ’t Admiraalschip vrij laten.

Nu ontstond er een hevige strijd. De Noord Hollanders deden wat zij konden om op ’t dek van den Spanjool te geraken en deze deed zijn uiterste best om hen van daar verwijderd te houden. ’t Was een vreeselijke worsteling. Weinig kruits werd er verschoten, maar des te meer bloeds geplengd. De schepelingen van Bossu vochten met leeuwenmoed en verdedigden de boorden van hun schip zoo hardnekkig, dat het ook den dappersten Watergeus vooreerst niet gelukte om op het dek te komen. Bij Bossu was bijna alle man boven en van deze omstandigheid maakten Dirkzoon en zijne helpers gebruik om uit de marsen hunner schepen kalkwater en brandende pekhoepels op de manschappen te werpen, waardoor velen deerlijk gekwetst werden en anderen er het leven bij inschoten.

Terwijl de strijd met het Admiraalschip zoo heftig was, werden ook de andere schepen niet met vrede gelaten. Zeer spoedig was het gevecht algemeen; maar meestal schip tegen schip, zonder dat er van een algemeen plan van aanval of een algemeen beleid van den slag sprake kon zijn. Maar bij de Geuzen deden mes en enterbijl en sabel en koevoet meer dienst dan roer of kanon. Velen hunner trachtten van de hoeken der raas af potten met vuur of brandend pek op de vijandelijke schepen te storten om zoo mogelijk het touwwerk te verbranden en de verwarring onder de manschappen te vergrooten.

’t Zij deze wijze van oorlogvoeren hin vreemd was; ’t zij ze zich bij het zien der onverschrokkenheid, waarmede de Noord Hollanders hen aanvielen, zwak gevoelden, eene zaak is zeker, de angst was den Spaanschgezinden om ’t harte geslagen.

Nergens schenen zij stand te durven of te kunnen houden.

’t Was ook of de Watergeuzen de kanonnen als niets telden en er even veilig tegen invoeren, alsof men hen met eereschoten begroet had. En, zooals ’t altijd gaat, de angst van den vijand vergrootte de moed der aanvallers. Met hunne schuiten liepen zij op ondiepe plaatsen bijna geen gevaar, terwijl de vijand zich daar, in den letterlijken zin des woords, wenden nog keeren kon.

Zoodra een der Noord Hollandsche scheepkens het op een oorlogschip aanzette, trachtte dat te ontkomen, maar moest tevens voorzichtig zijn, om bij dat wijken te zorgen, dat het niet op de zandgronden verliep; dit nu gelukte niet allen; want nauwelijks bespeurden een der andere schepen, dat het Spaansche schip de droogte zocht te ontwijken of ’t kwam ook van de andere zijde er op aan en zoo werd het gedwongen den weg te nemen, die onvermijdelijk tot zijn verderf moest voeren.

Zoo nam de moed der aanvallers meer en meer toe. Hadden ze beter zeil kunnen maken, ze zouden meer schepen in ’t diepe water besprongen hebben. Nu gelukte dit slechts, behalve met met de Inquisitie, met nog een schip, dat omzeild en aangevallen werd. Na eenen korten doch hevigen strijd, waarbij het schip vreeselijk toegetakeld werd, gaf het zich over en zonk, nadat de nog levende manschap en het geschut er uit geborgen waren. Vijf andere schepen, kleiner van stuk dan ’t vorige, waagden zich te dicht aan de kust en bleven spoedig in de droogte steken. Niet lang duurde het of allen werden door hunne tegenstanders omringd; men dreigde in al deze schepen, indien ze zich niet overgaven, den brand te steken, en het werpen met verschillend vuurtuig deed maar al te duidelijk zien, dat men het in dezen niet bij bedreigingen zou laten, maar dat men tot de daad zelve zou overgaan, indien men met de overgave draalde. De nood drong en men gaf zich over.

 

De slag op de Zuiderzee.

5

 

De schrik op de vijandelijk vloot was nu zoo groot geworden, dat ook bij hen geen enkel bewijs van samenwerking meer te vinden scheen. Elk schip zocht zich uit de klauwen der verwoede aanvallers te redden zoo goed het maar kon, en toen men zag dat vijf schepen te gelijk genomen werden, werd de vlucht bijna algemeen. Hun eigen onderadmiraal Rol scheen hun daarbij den weg te wijzen, naardien hij regelrecht koers zette naar Amsterdam.

Door bijna alle andere schepen werd hij daarin gevolgd. Allen lieten het Admiraalschip in den steek, hoewel zij zeer gemakkelijk nog eene poging hadden kunnen aanwenden om het te hulp te komen; want de Noord Hollanders, op den behaalden buit verhit, begaven zich in de overwonnen schepen en roofden daaruit wat ze konden. Hierdoor werd den overige schepen gelegenheid gegeven om te ontkomen, hetgeen het geval niet zou hebben kunnen zijn, indien men ze dadelijk vervolgd had.

Maar zulk een haast maakten de vluchtelingen, dat zij hun geschut zelfs overboord wierpen, om des te gemakkelijker over de ondiepten te kunnen geraken.

In de wijze van strijdvoeren was er eene gunstige verandering gekomen. Het voeten spoelen was niet meer algemeen. Slechts bij hen, die zich brutaal verzetteden, werd het nog toegepast; de anderen nam men gevangen. Het aantal gevangenen beliep daardoor ook ver over de drie honderd.

Gelukkig dat de strijders zich in ’t Hoornsche Hop niet ver van de stad bevonden. Toen zij eenmaal aan ’t winnen waren, verkregen zij telkens nieuwen toevoer van volk en werden zij van hunne dooden en gekwetsten evenals van hunne gevangenen ontlast door de waterschepen.

Boeren en handwerkslieden brandden van verlangen om aan boord te gaan en te helpen in den strijd. Ook had de mare van Alkmaars victorie hun oor reeds bereikt en hun moed aangewakkerd. Men had gezien, wat er met Gods hulpe gedaan kon worden en gedreven door de vreeze, zoowel als door de hoop op overwinning wilde ieder zijne krachten inspannen om den dubbel gehaten vijand van den vasten bodem af te houden.

Nog zouden enkelen het gewaagd hebben den vluchtenden vijand na te zetten ware het niet tegen de avond geweest, toen dezen hunnen admiraal lafhartig in den steek lieten. Deze zag zich spoedig van al de zijnen verlaten en nu overgeven aan de willekeur van zijne, door de overwinning overmoedig geworden, talrijke vijanden. De kans was nu gekeerd en de overmacht aan onze zijde. Maar toch wilde Bossu nog van geene onderwerping weten. Met het lage tij drijft men in zee. Door ’t woelen en strijden zijn ze Hoorn voorbij geraakt naar eene plaats op de hoogte van eene zandplaat Neck geheeten, niet ver van Wijdenes. Alle krachten doet Bossu inspannen om van zijne belagers verlost te worden. Met het zwaard in de vuist dwingt hij menigen Hollander in zijn schip terug en ofschoon de duisternis begint te vallen, denkt men er van weerszijden nog niet aan den strijd te staken. Integendeel de Geuzen verdubbelen hun vuurwerk en lichten met hunne pekkranzen hunne makkers voor. Dood en verderf woeden op het dek van Bossu. Reeds zijn meer dan honderd van de zijne buiten gevecht gesteld, gedood of gekwetst. De waterschepen brengen kokend kalkwater aan en als een stortvloed wordt dat uit de marsen en van de ra’s der schepen op het dek der Inquisitie geworpen. De duisternis van de nacht vergroot de akeligheid van het tooneel. Midden op het kalkachtige dek vallen de gebrande en gekwetste Spanjolen neder en kermen van pijn of geven door vloeken en verwenschingen hunnen spijt en hunner jammer lucht. Eindelijk is het op dek der Inquisitie niet meer te houden en bossu gelast zijn volk naar beneden in ’t ruim te gaan. Slechts hier en daar wordt een luik opengelaten; maar wee hem, die het wagen durft om over te springen. De lange spaansche spies doorboort hem of ’t wel gerichte vuurroer werpt hem dood aan de voeten zijner vijanden. Alles schreeuwt en woelt en slaat en brandt. ’t Getier van aanvallers en afweerders mengt zich ondereen; terwijl ’t gekletter der stalen wapenen de eentoonigheid van ’t geschreeuw gedurig afbreekt. ’t Is een ontzettend schouwspel, dat ook gedurende den donkeren nacht niet eindigt.

Eindelijk daagt de morgen weder; de morgen, die maar al te duidelijk doet zien, hoe de bekalkte planken van het dek met het bloed van vriend en vijand rood geverfd zijn.

Hij moet zich overgeven! Zoo schreeuwt men van Dirkzoons boord en Ruichaver moedigt zijne manschappen aan om met geweld het dek des vijands in te krijgen; maar te vergeefs. Al wagen ’t ook velen om over te springen; al herhalen zij telkens het doodelijk spel; ’t helpt niet; ze moeten terug en kunnen ’t op vijandelijken bodem, waar ze telkens van onderen af bestookt worden niet uithouden. Alle aanmoedigingen zijn vruchteloos; niemand waagt zich meer aan ’s vijands boord!

Niemand? Ja, één is er nog, die ’t waagt; maar dat is er ook een, die eenige maanden geleden een geheel vendel Spanjolen alleen op den Waterlandsche dijk heeft tegen gehouden tot zijne makkers in staat waren zich uit de voeten te maken en die zich toen door een koenen sprong in ’t water aan de handen zijner vijand wist te onttrekken en behouden en wel te Monnikendam aan te komen. ’t Is Jan Haring van Hoorn.

Wat, denkt hij, zouden deze booze Spanjolen ons nog langer ophouden, ik zal ’t hun laten zien, dat zij het onderspit gedolven hebben, door hun de Admiraalsvlag van de steng te halen.

Geen Spanjaard durft zich op het dek te vertoonen. Hij grijpt een loshangend touw en slingert zich van het boord van zijn schip in het want bij den vijandelijken grooten mast, waarop hij de Admiraalsvlag ziet waaien. Snel als de wind en grijpende met hand en voet takelt hij zich naar de duizelingwekkende hoogte. Daar beneden hem is alles in rook en vlammen, in getier en gewoel, en men bespeurt niet, dar daar één man naar boven sluipt. Spoedig heeft hij den top van de mast bereikt. Met den linkerarm omklemt hij het dunne rondhout en rukt en scheurt met de rechterhand de vlag van de steng. Victorie! Zoo roept hij, slingert zich de vijandelijke vlag om de lenden en daalt weder den touwladder af naar beneden.

Maar door de opengebleven luiken hebben de soldeniers van Bossu hem bespeurd. Eéne gedachte bezielt allen: dat zal hij met den dood bekoopen en twintig busroeren zijn te gelijker tijd uit het ruim van ’t schip op hem gericht; zij worden losgebrand; een kogel treft hem in de borst en nogmaals victorie! Stort hij uit het touwwerk dood voor de voeten zijner vijand neder, die wel juichen in zijnen dood, maar den moed niet hebben hunne vlag weder op hare plaats te brengen.

’t Was eene stoute daad van Jan Haring. Zij doet ons zien, welk eene mate van doodsverachting er in die dagen bij onze strijders moet geweest zijn. Maar toch bejammeren we het, dat hij, om zoo luttele eere zijn leven, dat het vaderland nog in zoovele opzichten nuttig had kunnen zijn, waagde en wegwierp.

’t Had ook vooralsnog op Bossu en zijn volk niet de uitwerking, welke men er van zou hebben kunnen hopen, ware de afloop anders geweest. Nu, integendeel, werd hun moed nog meer aangevuurd en besloten zij hun leven ten duurste te verkoopen.

 

De slag op de Zuiderzee.

( Slot. )

 

Bossu en zijne manschappen zijn vast besloten ’t schip niet over te geven, dan nadat het blijkt, dat het onmogelijk is het verder te verdedigen. Al verdubbelen de aanvallers hunne slagen, in ’t schip komen ze niet; telkens worden ze met bebloede koppen afgewezen. Acht en twintig vreeselijke uren van inspanning en verbittering. De dag heeft hen samengebracht, maar de nacht scheidt hen niet. Integendeel de verbittering neemt toe en tandenknarsend ziet Bossu zijn manschap dunnen, terwijl de aanvallers telkens versch volk ontvangen. Hij blijft pal staan en, gedekt door zijn stalen harnas, is hij de eenige, die zich nog gedurig op het dek vertoont. Met uitgetogen zwaard in de rechterhand en het beschermende rondas aan den linkerarm staat hij daar, zijnen bespringers als ware het uittartende om hem te na te komen. Niemand waagt zich dan ook in ’t bereik van zijn zwaard. Kon hij ’t schip maar vlot krijgen en zich van zijn geschut bedienen, hij zou ’t hun zeker nog lange bezwaarlijk gemaakt hebben om hem gevangen te nemen. Maar hoe hij zich ook verweert, hij is eigenlijk reeds gevangen en een langer volhouden van den strijd kan geen ander gevolg hebben dan het verlies van nog meer menschenlevens. In de verte ziet hij nauwelijks de wimpels van zijne vluchtende schepen meer. Hij is geheel alleen, overgelaten aan ’t lot, dat hem wacht. En dat lot zal vreeselijk zijn, indien hij zijne tegenstanders door langeren tegenweer nog meer verbittert. Ook is daartoe geen mogelijkheid; slechts vijftien van de driehonderd schepelingen zijn ongekwetst gebleven; hoe zal hij daarmede het schip, aan drie zijden aangevallen, langer verdedigen?

Hier is geene keuze meer. Hij moet zich overgeven. Maar, hij zal ’t niet doen, dan op eerlijke voorwaarden.

Hij roept om den Admiraal en den Hopman Ruychaver te spreken. Zij komen boven. De strijd wordt voor een oogenblik gestaakt en Bossu zegt, dat hij zich wil overgeven, indien men zijne voorwaarden wil aannemen. Hij verlangt, dat het leven van hem en van de zijnen gespaard worde en dat hem eene eerlijke gevangenis, zooals die aan een Graaf past, gegeven worde en dat men op krijgmanswijze de gevangen zal uitwisselen.

Ook de Noord Hollanders waren vermoeid en uitgeput van den langdurigen en hardnekkigen strijd en verlangden naar rust. De gelegenheid om roemvol de zaak te eindigen was te schoon om die niet met beide handen aan te grijpen. Men staat de voorwaarde toe en juist op dien oogenblik komt Sonoy zelf van de Noord Hollandsche kust met versch. volk om zijne vrienden bij te staan. Ook hij stemt toe in de gesloten overeenkomst en Bossu wordt met de zijnen op ’t schip van Dirkzoon overgebracht. Zoo ver was de verbittering gekomen, dat een paar Spaansche officieren aan boord van Bossu in den beginne nog weigeren om zich gevangen te geven, dewijl zij niet vertrouwden, dat men aan de gesloten overeenkomst getrouw zou blijven. Dan op de bevestiging hiervan door Sonoy, die hen beloofde, dat hij de goedkeuring der Staten van West Friesland hierop zou verkrijgen, gaven zij eindelijk toe en schikten zich in hun treurig lot.

1573_gevangenhuijs

’t Was voor Bossu inderdaad treurig. Den man, zoo hoog in aanzien, die zich zooveel van dezen tocht had voorgesteld, die de Watergeuzen nog onlangs op de Haarlemmermeer verjaagd had, moest het bitter grieven op zulk eene wijze in de handen zijner vijanden te vallen en dat wel hoofdzakelijk door de ontrouw zijner vrienden. Hij heeft zich voor zeker het meest dapper gedragen van al de bevelhebbers op dien dag. Zijn wijken voor den overmacht was geene schande en allerminst lafhartigheid. Eer moeten wij zijne volharding en dapperheid bewonderen en het beklagen, dat hij zulke edele krachten aan zulk eene slechte zaak als de onderdrukking zijns vaderland gewijd had.

 

En de overwinnaars? Zij hadden alle reden om verheugd te zijn en om God voor deze overwinning te danken. Eene samenloop van omstandigheden had, buiten hun toedoen, hun de gelegenheid gegeven om den vijand te overwinnen. ’t Was ook hier weder te zien, dat de Heer wind en weder gegeven had, om hun het doel, waarna zij streefden, te doen bereiken. En als zij terug dachten aan vroeger, dan moest het hun nog duidelijker worden, dat God de victorie gegeven had. Diezelfde schepen waren toch in den vorigen winter bij Diemerdam in ’t ijs vastgeraakt en zouden eene gemakkelijke prooi hunner vijand geworden zijn, had de Heere niet een wind beschikt, die eene gleuf in het ijs maakte, waardoor zij zich naar Noord Holland konden redden. Diezelde scheepkens hadden nu de overwinning behaald en geheel Noord Holland van den overlast der vijanden bevrijd. Zonder deze victorie te water zou de victorie te Alkmaar begonnen tot niets geleid hebben, want, ware Bossu’s toeleg gelukt, geheel Noord Holland zou weder in de macht der Spanjaarden gevallen zijn. ’t Zal dus niemand verwonderen, dat deze overwinning door eenen openlijke dankdag gevolgd werd. Zelden nog was er een voordeel op den vijand behaald geworden, dat zulke gelukkige gevolgen voor ons land had. De prins van Oranje schreef aan zijne broeders: “ Daar de Heere God, de God, zeg ik, der Heerscharen alleen, ons de zege geschonken heeft, is het billijk Hen alleen er dank voor te weten, met een vast vertrouwen dat het niet de laatste overwinning zal zijn, die Hij ons geeft.”

Dat was het ook niet, zooals ’t vervolg leerde.

De graaf werd nu met de overige gevangenen ten getale van ruim drie honderd aan land gebracht. In Hoorn en Enkhuizen werden zij in verzekerde bewaring gesteld en later tegen onze gevangenen bij de Spanjaarden uitgewisseld.

Bossu werd te Hoorn in ’t Weeshuis geplaatst en naar zijnen rang behandeld. Men had alle moeite om hem bij zijne overbrenging aan de handen van ’t grauw te ontrukken, dat hem te lijf wilde, om hem de Rotterdamschen moord betaald te zetten. Maar eindelijk kon men hem toch veilig in ’t Weeshuis bezorgen, waar men hem eene goede kamer en goede verzorging ten deele viel, terwijl men hem zooveel vrijheid liet, als bestaanbaar was met het belang des lands.

De overige gevangenen werden tegen anderen uitgewisseld en Bossu’s gevangenschap werd middelijker wijze de oorzaak, dat de vriend van den Prins van Oranje, Marnix van St. Aldegonde, die in handen des vijands gevallen was, in ’t leven bleef en later weder vrijgesteld werd.

Drie jaren lang zuchtte Bossu in gevangenschap en nog in ’t zelfde jaar, waarin hij ontslagen was, verliet hij de Spaansche zijde en koos die van den Prins, die hem als Gouverneur over Utercht aanstelde. ’t Volle vertrouwen des volks, dat altijd aan ’t verledene blijft denken en den man wantrouwt wiens beginselen niet op den Godsdienst steunen, is hem echter nooit ten deel gevallen, en hij stierf reeds zes jaren na zijne nederlaag door velen gewantrouwd, en slechts door enkelen geacht.

Zoo zette de Heer het zegel op de victorie van Alkmaar; en, was deze het voorspel van de wijze, waarop wij onze vrijheid zouden verkrijgen, de tweede victorie deed ons zien langs welke weg de grootheid en het aanzien van ons kleine Vaderland bij de volkeren der aarde beteekenis zouden krijgen, namelijk door onze heldendaden ter zee!

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Dit bericht was geplaatst in Verhalen bundel.

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Verplichte velden zijn gemarkeerd met *