De Stad 1/3

De Stad 1/3

 

Alvorens we de stad in gaan, Staan we even te kijken bij de twee witte huisjes van de Smeepoortstraat en ineens ontdekken we een oude man, die een soort zak van jute als een voorschoot om z’n lenden gegord heeft.

We lachen eens tegen hem en roepen hem goedendag,”dag Rik!” Prompt direct daarop antwoordt hij:”Ah, tido, tido les wie”, knikt eens vriendelijk terug en als we verder gaan, nog eens met onze arm naar hem zwaaien, hooren we’m nog – le swiejen – .

’t Was een brave ouwe ziel, Rik Smit genaamd, een knecht bij de firma Huberts en hij liep heel veel met een grote lange mand aan den arm waarin flessen gedestilleerd, om bij de klanten te bezorgen.

Wat dat soort Fransche taaltje betekende,wat hij altijd zeide, daar ben ik heden ten dage nog niet achter kunnen komen; wij noemden hem dan ook “tido”. Wie hem nog ens zien wil, helaas, – tido – is allang voorgoed van dit aardsche tranendal verdwenen.

We zijn nu genaderd bij de “Boompjeswal”, nu de Plantage genoemd. Links en rechts, ter

Boompjeswal

afscheiding met de weg waren witte paaltjes met ijzerdraad, waar we steeds op schommelden, totdat ’t draad als een touwtje zoo slap hing. Rechts , waar nu “Westerholt”is, woonde toen de commandant van ’t Kolonial Werfdepôt, overste Krul, later overste Roers.

Ook was er toen op de “Boompjeswal”, achter het huis van Jan Everts, een café,”Het groene woud”geheten.

Op de “Boompjeswal”stonden toendertijd, aan de zijde van de”Diepe Gracht”, enkele banken en als ik mij goed herinner was er één van die banken halve maan vormig.

Die stond op een open plek, met er achter eenige magere struiken, was nogal tamelijk groot en zoo geplaatst, dat je zittende daarp het uitzicht had op de gracht bij de Harmonie wat toendertijd Sophis badhuis heette. Deze bank was vooral de uitverkorene van diverse gepensioneerde, “Oostgangers”.

Bij lekker zomerweertje kon je ze daar altijd vinden,vier of vijf broederlijk naast elkaar, pruimende, pijpjes lurkende en ze koesterden hun oude botten in ’t zonnetje, onderwijl kletsende als Brugmans, hun verhalen illustreerend door met hun wandelstokken figuren in ’t zand voor hen te griffen.

Maar ook dikwijls zag je er zitten, broederlijk zich – dronkend – drinken aan een flesch jenever, zoo maar rauw weg, zonder glaasje, totdat de flesch leeg was en in de gracht gekeild werd, waarna ze, met omlaag gevallen hoofd op de borst, hun jeneverroes uitsliepen, snurkten als ossen, en een uur in de wind stonken naar de jenever. Maar dit waren dan ook de bekende drankorgels onder die menschen.

De Smeepoortstraat zijn we genaderd en we gaan deze even bekijken alvorens verder te gaan. Die straat was wel, als je tenminste van drukte wilt spreken, de drukste van onze stad.

Alles, wat van en naar het station ging, passeerde hier; de landbouwers, die op het blokhuis woonden, zeulden hun kruiwagentje struisel of mest door de smeepoortstraat, daar hun land langs de Spoorweg lag.

Tegen de middag, omstreeks twaalf uren, zag men dan de kinderen des landsmans het prikkie middageten naar ’t land brengen.

In die Smeepoortstraat waren toen, vooral links, eenige café’s welke in dien tijd bij hopen waren in ons stadje, zeker met ’t oog op de felle dorst der kolonialen.

Het eerste huis links, was een volkslogement, een tijdelijk toevluchtsoord voor de zwervers, zonder vaste woon – of verblijfplaats zijnde. Deze affaire werd gehouden door een zekere van den Berg en ’t droeg den eigenaardige naam:”de Halve Maan”.En daar zijn vele vermoeiden van het gaan in en uit getrokken en zomeravonds zag je bij mooi weer, de onguurste menschentypen op de stoep zitten. Die Halve  Maan stond op een plank boven de deur geschilderd en er onder stond, zeer toepasselijk: “Wie vermoeit is van het gaan, komt hier in de halve maan”.

Daar vlak naast was het café van Jets en daar naast weer een café “Paragaaf II”gedoopt, en gedreven door een zekere Jaeger, een Duitscher, die een flinke struische rossige wederhelt had, die”de rooie muis”genoemd werd, en ook in ’t bezit was van een zeer schoone, mooi gevormde dochter, en, omdat er Duitsch gesproken werd, een drukke klandizie had van de duitschers onder de kolonialen.

De winkels, die men er nu vind,waren er toen nog geen van allen.

Rechts, bij of naast de pomp, waarvan er een flink aantal in de stad verspreid stonden( daar de waterleiding er nog niet was), was de manufacturenzaak, annex lapjeswinkel van Samson, een “zoon van het oude volk”.

De slagerswinkel van Pfrommer was er toendertijd ook al, en waar nu de bakkerszaak van ten Broek is, was toen de bakkerij van Bronsveld.

En dan was er, iets verderop, de kazernevan het Koloniaal Werfdepôt, dezelfde, waar nu het 7e R.I. in gelegerd is. Daar was altijd wat te zien.

Elke middag zoo tegen een uur of twee, stond er altijd een klein legertje fotograven, kleer –en schoenmakers voor de kazernepoort te azen op klandizie. In de poort stond veelal adjudant Uhl, een wakend oog houdend op ongerechtigheden.

Mochten de kolonialen sávonds om zeven uur de stad in gaan, dan zag je, dat de sergeant van de wacht, voor hun uitgaan, iedere koloniaal man voor man zijnkleren aftastte, of er geen bijzondere wapens, messen of iets dergelijks meedroegen, dit, voortspruitende van veel vroeger, toen er wel eens flink gevochten en gestoken werd, ter voorkoming van onheil, maar de maatregel was volkomen overbodig, want de menschen gedroegen zich volkomen rustig in de stad en trokken kalm naar de hun bekende café.

Elke Dinsdagavond negen uur, was ’t voor ons jongens een feest. Dan wachtte inderdaad, daar voor de kazernepoort half Harderwijk, want dan was er iets extra’s, n.l. de taptoe.

Dit was een muzikale rondgang door de muziek van ’t depot, onder kapelmeester de Hardt,door de stad en naarmate het winter was of zomer, met of zonder fakkellicht.

Dat was een lol! Men toog uit en direct volgde, achter de muziek, een grote menigte, meest, en vooral de jeugd onder hen, hossende en duwende en dan ging het door alle mogelijke straten en stegen.

En als dan de muziek, waar je Buuser of van Buren bovenuit kon horen op zijn tubahoorn of piston, een populaire marsch speelde, dan zongen wij jongens de melodie uit volle borst mee met de woorden, die wij desnoods zelf gemaakt hadden op die melodiën.

Dan klonk het van:”En moeder e pap is aangebrand”of “En we eten bruine boonen zonder zout”, “Kachelhout is van de zomer pas getrouwd”, of “O, wat een schande, schande voor Engeland!”of ”En Toekoe – Oemar die moet hangen, hiep – hiep – hiep – hoera!, of “Op de Amsterdamsche brug!”, enfin, iedere jongen uit die tijd herinnert zich nog wel die mooie hartverheffende liedjes, minstens even mooi als nu, “Houdt er de moed maar in”, of “Waar de meisjes zijn is ’t bal”, gezongen worden.

In dien tijd was hier ook een vinnig politie inspecteurtje, die aardig kon aangaan achter de taptoe om de orde er onder te houden en er juist het tegendeel mee bereikte. We noemden hem “Chamberlain”, omdat hij enigsinds leek op Chamberlain, de Engelsche agitator uit de Engelsch – Transvaalsche oorlog.

Als dat inspecteurtje dan weer eens erg druk deed en achter de taptoe van links naar rechts vloog, zoodat zijn lorgnet op z’n spits neusjewiebelde, en de muziek, juist toevallig ( of ’t zoo zijn moest ), een ons bekende marsch speelde, dan zongen wij, jongens, daarop de zelf gemaakte woorden dubbelhard mee: “Chamberlain moet zakjes plakken, hi ha hoe!”, dan werd hij woest en wij hadden extra pret.

Ja, ’t was daar altijd een echte “pan” achter de taptoe, wat al klompen en petten zijn er verloren geraakt.

Je had ook nog soorten van taptoe ook, de “zingende”, dat was als op de markt stil werd gehouden en de Duitschers, de moffen zooals wij ze noemden, “Die wacht am Rhein”zongen, wat natuurlijk beantwoord werd door de aanwezige Hollanders met het “Wilhelmus” zoodat ’t geheel een demonstratie werd wie ’t hardst schreeuwen kon, de Duitschers of de Hollanders.

Dan was er nog de “staande” taptoe, dat was hier en daar stilstaan om een deuntje marschmuziek te geven.

O!, ’t Was allemaal heel aardig,waarlijk, heel fraai. Kwart voor tien was de pret afgelopen en daalde de zoete rust weer over ons stedeke.

Ja, bij de kazerne was veel te beleven en een sterk aantrekkingspunt voor ons, en die muziek, je reinste genot. Vaak trok de muziek ’s morgens uit met de troep en bracht deze dan weg tot buiten de stad, om tegen twaalven dezelfde troep weer op te halen.

Hoe dikwijls liepen wij mee, als de school uitging om twaalf uur en we ’t net fijn troffen, dat we juist de muziek, nu niet spelende, de Luttekepoortstraat in zagen gaan. Dan werd er halt gehouden op de Hierdenscheweg,vlak tegenover het witte huisje, een oud tolhuisje, even buiten de stad, en ‘k meen, dat toen de diender van Kuik daar woonde.

Er werd gewacht, tot de troep van uit de richting Hierden nederbij was gekomen en dan ging ’t stadswaarts, naar de kazerne; wij jongens vóór de muziek uitlopend,meefluitend de marschen.

Elke morgen zag je ook de “keuring” naar ’t hospitaal gaan, met soms lange troepen burgers, candidaten voor ’t koloniale leven, om gekeurd te worden.

Wordt vervolgd.

 

Dit bericht was geplaatst in Jeugd herinneringen door W.J. Polen.

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Verplichte velden zijn gemarkeerd met *