De Stad 2/3

 

 

De Stad 2/3

 

Ook zag je dikwijls, voor een tranportvertrek Zaterdags, op Vrijdagochtend het detachement met muziek kerkwaarts gaan.

Soms was er wel eens een militaire begravenis. Dan zag je de muziek van de Hardt, later toen deze muziek opgedoekt was, die van de Koloniale Reserve uit Nijmegen, voorafgegaan door eenige tamboers met omfloerste trommels; daar achter de lijkkoets, daar voor het vuurpeleton, dan volgde het begeleidend detachement en tot slot de rijtuigen met familieleden van de overledene, en deze lange stoet, die altijd vanaf het hospitaal vertrok, was omstuwd door driekwart van de Harderwijkers. Zoo trok men dan door de Schoenmakerstraat, door de Luttekepoortstraat, de Hierdenscheweg op naar ’t kerkhof. Onderwijl roffelden dof de trommels en speelde de muziek treurmarschen en men liep heel langzaam met lange pas.

Ik voor mij vond dit allemaal bar plechtig en wij jongens liepen dan ook zeer stillekens mee; zoo rumoerig wij anders waren, zoo stil waren wij nu.

Op ’t kerkhof werd halt gehouden en langzaam schreed de stoet tot bij ’t graf. Hier volgde een korte toespraak, er klonk koraalmuziek, het vuurpeleton vuurde boven ’t graf, “wat ik erg eng vond”, ook al vanwege de “pang”, en ’t was gebeurd. Soms herinner ik me, ging de muziek, maar dit was heel lang geleden, spelende terug met vrolijke marschmuziek, maar dit gebeurde later niet meer, ik vond het ook wel een beetje raar.

En nu nog evenonze herinneingen laten gaan over die koloniale tijd in ons stadje.

Met die kolonialen viel of stond vroeger Harderwijk, alles draaide daarom, want ’t was de eenige bron die wat opleverde. Soms waren er weinig, en dan was het slap in de nering, en soms waren er veel, en dan groeiden en bloeiden de zaken en de café’s.

Wie herinnert zich nog niet de “Lomboktijd” en later de “Atjehtijd”, toen krioelde het van kolonialen en werd er grof geld verdiend in Harderwijk.

Er waren twee soorten van kolonialen, “Oostgangers”, die naar Oost – Indië gingen, en “Westgangers”, die naar West – Indië gingen.

De “Oostgangers” hadden in groot teneu een tuniek aan met vijf oranje tressen, oranje biezen, blauwe uniformen en een helm op; hun uitgaans – teneu was zonder tressen en met een kwartiermutsje op, oranje gebiesd voor de infanterie met achter twe, zwarte lintjes; de artilleristen en cavalerie was rood gebiesd en de artilleristen hadden een vuurrode band om de muts en die noemden we daarom ook “roodbanders”.

De “Westgangers”waren eveneens in ’t donkerblauw gekleed met lichtblauwe biezen en geheel geen tressen. Die hadden als hoofddeksel een hooge pet, ’n vreemdeling, ’n soort ouderwetsche omgekeerde brandemmer, met een enorme, glimmende klep.

Onder de kolonialen had je met recht “vogels van diverse pluimage”. Er waren, buiten de Hollanders dan, die er ’t meest waren, Duitschers ( die waren er ook veel ) , Belgen, Oostenrijkers, Zwitsers, ja, zelfs Russen en Franschen en die allen “teekenden” voor de Oost. Zelfs kwamen hier, die hun buitenlandsche uniform nog aan hadden, zoo zag men soms Duitsche matrozen met hun stijve marinemuts; Duitsche ulanen of huzaren; Fransche infanteristen met de roode pantalon.

Wat ik mij nog herinner is, dat ik ras – echte Afrikanen, pekzwart, met dat dikke kroeshaar, hier als koloniaal gezien heb.Die kwamen terug uit Indië en vertrokken, na een tijdje hier geweest te zijn, weer naar hun heet vaderland, ergens bij de Congo of Zanzibar in Afrika.

Wat waren dat een typen in hun uniform, die zwarte soldaten. Nog zie ik zoo’n exemplaar door de stad sjouwen, omringd door een drom kinderen, waarbij velen aan z’n arm hingen. Luid zingende trok men rond en bij iedere snoepwinkel kocht hij zakken vol “lekkers” en wierp dit ten grabbel voor de juigende schare en de roetmop stond er dan bij te grijnzen van de leute.

In den regel waren we anders wel een beetje bang voor die zwarten, want hun oogen draaiden zoo raar,zoo dat je veel wit te zien kreeg en ’t gerucht ging onder ons,dat, als ze ergens bloed zagen, ze “wild” werden, en, maak dan maar benen. Vlak tegenover de kazerne weet ik nog, dat daar het Leger des Heils z’n tenten had opgeslagen. Als jongen ben ik daar zelf nooit in geweest, maar wel stond ik er zoo ’s avonds, als nieuwsgierige, vele malen vlak voor om te kijken, wat er alzoo gebeurde. Als de deur openging, zag je een diep, slecht verlicht locaal, een menigte volks zittende in een ietwat rokerige atmosfeer en hoorde je een soort samenzang van een stichtelijk lied. En, dit moet gezegd, niet ter eer van de Harderwijkers, dezen beschouwden toendertijd het Leger des Heils als iets, waar ze naar hartelust mee spotten konden.

Ze, en dat waren meest van die opgeschoten bengels, gingen er binnen en bleven dan achter in ’t locaal zitten, vlak bij de deur. Werd dan de zang aangeheven, dan maakten ze allerlei dierengeluiden: katten gemiauw, hanengekraai en dies meer. Dan stoven ze, met daverend geluid van klompengeklos naar buiten, bulderend van ’t lachen. Of ze smetenelkaar tegen de deur, zoodat deze met een ruk openvloog, of men wierp petten naar binnen of bonsde op de luiken, zoodat deze later werden voorzien van spijkers, de punten naar buiten, om ’t bonzen te keren.

Gezien de mooie instelling, die het Leger des Heils is, was ’t een schande, dat men zoo te keer ging, dit leidde op den duur er toe, dat het Leger des Heils hier verdween, Harderwijk was niet bij te brengen het nut van eze instelling.

In het gebouw werd nu gevestigd het Duitsche logement van Merz. Die Duitsche logementen had men er nog twee zoo in de stad, n.l. van de Voogt en Wütrich.

Daar wachten de Duitschers, die goed gekeurd waren voor de Oost, op hun papieren “aus der Heimat”en ze wachten soms wel en verbleven in hun logement een zes á zeven weken, zoodat “der Herr Kostbaas” met ’t meeste van hun F 200,-  handgeld ging strijken, want alles, eten, slapen, rooksel, biertjes, ging op “de pof”, in afwachting van de grote pluk.

Schuin over de kazerne was ’t café “Transvaal” van Balder, en een paar huizen nog meer terug naar de Donkerstraat, was het fotografisch atelier van Ziegler.

 

Er waren vele kolonialen, die zich lieten fotograveren, netjes in groot teneu aangekleed, eenwit boordje en manchetten om, de helmhoed op een tafeltje, leunend op een grote sabel en voor hun voeten een bordje, waarop stond “tot weerziens”of “Auf wiedersehn”. En dan het de foto’s liefst in kleur, alles buitengewoon smakeloos en voor een prijs om rijk bij te worden. En ’t vreemde is, dat er geen der fotograven alhier hun leven als rentenier geëindigd zijn, integendeel.

En nu gaan we de Donkerstraat in.

Op de hoek van die straat was toendertijd een boekwinkel. De bocht, tegenover de slagerij van Pfrommer,was toen lang niet zoo gevaarlijk als nu,want rijwielen waren er sporadisch en auto’s waren er nog niet.

Wie toendertijd een rijwiel z’n eigendom kon noemen werd beschouwd als én een halve millionair én als een waaghals. Ze waren peperduur en op geen stukken na zoo gemakkelijk te berijden als nu. ’t Waren toendertijd héél hooge vehikels: een verbazend groot voorrad en er achter een héél klein wieltje en de bestuurder zat wel een paar meter boven de begane grond.

Luchtbanden waren er niet om, de banden waren van ijzer of van harder gummi en de dingen hoorde je een uur in de verte al aankomen.

Het rijden op zoo een fiets werd toen algemeen beschouwd als een soort poging tot zelfmoord.

Verderop, links in de Donkerstraat was de sigarenwinkel van Götgens, en daarnaast een drogistenzaak van Müller, ’n ouwe man met een heele lange grijze baard. Als je bij Müller eens wat voor thuis moest halen,’t zij laurierbladen of drop, dan was je huiverig om er binnen te gaan, want stond je in de winkel, dan rees daar als een spook, de ouwe Müller van achter een soort houten hokje en hoorde je een bromstem vragen wat je hebben moest. Die man maakte je altijd aan ’t schrikken als hij oprees als een duveltje uit een doosje en je zag die sinterklaasbaard en je hoorde die grafstem.

’t Is mij wel gebeurd, dat ik van schrik de winkel uit holde. Voor het raam van Götgens was voor ons ook iets bijzonders te zien. Hoe dikwijls hebben wij er met volle aandacht staan kijken ’s avonds, zoo tegen de schemering, als Götgens er, temidden van zijn sigaren, achter de toonbank en dicht bij ’t raam, met een blauwe bril op zijn neus, gloeikousjes prepareerde voor ’t gebruik. Dat vonden wij bijzonder interessant, want gloeikousjeslicht was er nog maar heel zeldzaam, (’t meeste licht was gaslicht z.g. vleermuisbranders en petroleumlicht), en hij zat daar uren achtereen te knutselen en wij staarden onze ogen blind op de fel wit – blauwe gloed van dat nieuwe licht.

Op de hoek van de Smeepoortenbrink was de kruidenierswinkel van v. Dalen en er tegenover de tabakswinkel van een andere v. Dalen, die tevens buksen en kogeltjes verkocht. Dan vond men, nog steeds in ’t begin van de Donkerstraat, er de winkel van Schriever, die schoenmaker was en tevens galanteriën verkocht, ’n echte “manusje van alles”. Iets verder was de spuitwater en limonadefabriek van van der Vlugt en daarnaast het Duitsche logement van de Voogt, die tevens een winkel in optische artikelen had. Daar voor in de Donkerstraat zag men toen ook nog die grote, ouwerwetsche heerenhuizen, met beelden boven de brede deur.

En nu gaan we, alvorens we de Donkerstraat verder in gaan, even terug naar de Smeepoortenbrink.

Daar was somtijds heel wat te beleven voor ons, en die Brink was dikwijls een zeer sterk aantrekkingspunt voor jong en oud, maar voor jong vooral.

Wat was ’t een feest, als daar een “spul”stond, een draaimolen of een poffertjeskraam, of een “panorama” of iets dergelijks, want alles noemde wij een “spul”.

Het betekende voor ons jongens een zee van vermaak, een bron van velerlei genietingen.

Wordt vervolgt.

XXXXXXX

Dit bericht was geplaatst in Jeugd herinneringen door W.J. Polen.

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Verplichte velden zijn gemarkeerd met *