De Stad 3/3

 

 

De Stad 3/3

Nauwelijks was de school uit, ’t zij twaalf of vier uur en de gulden vrijheid lonkte je toe ( want van leren kwam niet veel, als er spul was ), dan vloog je in één ren van de Vischmarkt naar de Brink en je dacht er niet aan, dat ze thuis met ’t eten op je wachten.

Voort, naar ’t spul, rennen, hollen. Stond er dan een gewone molen, zoo’n “cents draaimolen”, dan trok je zoo’n ding geweldig aan met z’n openlijke flonkeling van klatergoud, kralendoek, kleurschittering en orgelmuziek.

En die mooie houten paarden sierlijk opgetuigd en de schuitjes of canapé’s met rood fluweel bekleed, ’n wonder voor je ogen. De glanzende koperen stangen trokken je aan, onweerstaanbaar, vooral, als bij avond de olielampen, die rondom in de molen zaten waren ontstoken. Dan was ’t een weelde van felle kleuren, dat daar, zoo maar openlijk te zien, voor je ronddraaide en je van puur genot de adem benam.

Eén of twee cent had je allicht thuis afgeschooid, of eerlijk verdiend met den verkoop van idem zooveel “kuilsen” (knikkers), en met een zekere trots ging je ’t trapje op en kroop je op een paard. In een schuitje was je te min, die waren goed voor de meiden.

En dan zat je daar als een soort krijgsheld, de voeten in de stijgbeugels, boven op zoo’n houten paard, met ogen, “zoo groot als boterhambordjes”, je kostelijke cent te verdraaien, totdat die vuile bel het sein weer gaf,dat het genot gedaan was.

In zoo’n molen diende een oud paard als trekkracht en zoo’n beest liep, uren aaneen, in den treure maar in ’t rond.

Was de molen dan soms erg vol, dan mochten wij het oude peerd helpen; dan pikje een “spullekerel” een aantal jongens op om te helpen duwen aan de stangen om de boel op gang te krijgen. Liep de molen dan goed, dan mochten we verder, “als beloning”de rit voor niks meedraaien, gezeten op de rand van de molen en dat was een genot, waar je de hele wereld voor cadeau gaf.

Stond er een stoomdraaimolen, dan kon je, in ’t najaar als ’t koud was er uren voor staan blauwbekken en je stijfstarenop de matruiten op zij van de entréé waar achter als de lichten( electrisch nog wel) ontstoken waren, de praal en pracht af en toe voorbij flitste en je hoorde met genot de stoomfluit en ’t puffen en dreunen van de machines en de verleidelijke deuntjes van ’t grote, met gekleurde lichtjes versierde “Bomorgel”, en je rook en snoof met welbehagen de geur op van de verwerkte machineolie en je benijdde de menschen die er binnengingen en hun stuiver entréé offerden aan een kolossaal dikke juffrouw, die, stijfgeperst achter een soort fel groen met goud geverfd toonbankje, te midden van licht en kleur, troonde.

Er binnen te zijn, was voor ons een eldorado, ritjes schooien, gescheurde entréé – kaartjes zoeken om er, voor een volgende dag lekker “voor niks”mee te draaien. ( daar we thuis de kaartjes zoo goed mogelijk aan elkaar plakten, zoodat het op een gaaf, nieuw kaartje geleek ) , zie, dat was je fijnste genoegen met de risico en op ’t gevaar af, als ’t ontdekt werd, de kans te belopen, dat je vrij onzacht, bij je kraag werd gepakt dooreen spullekerel en met een allergruwelijkste schop tegen je arme zitvlak, dwars door de kluwen kijkers, buiten de molen werd gesmeten, zoodat je met een vaart tegen ’t huis van Schooneboom de fotograaf aankeilde.

Ha! Dat was dolle pret.

En wat een verscheidenheid van spullen kwamen er al op de Brink.

Zoo herinner ik me nog heel vaag, dat er een “panorama”stond, ’n soort kijkkast in ’t groot, waar je, voor één of twee cent, begeleid door een “jankorgel”, door de kijkglazen, z.g. vergrootglazen kon loeren.

Dan zag je daar de ijselijkste taferelen voor je ogen; moorden, gevechten met leeuwen en tijgers, de schipbreuk van de “Medusa”, episoden uit de Russisch – Turksche oorlog, de Fransch – Duitsche oorlog enz., alles even griezelig. Nog zie ik de hel gekleurde reclameplaat voor de tent hangen waarop een Fransche generaal was afgebeeld met een vuurrode broek aan, gezeten op een steigerend wit paard, en die er, temidden van barstende bommen en granaten zoo rustig in ’t zadel zat, alsof hij thuis zoogezegd “boontjes zat te doppen”.

Ook stond er wel eens een poffertjeskraam, die je een uur in de verte al kon ruiken en waar ik altijd de dikke juffrouw bewonderde, die zoo handig het deeg in de poffertjesvorm vóór haar goot, gezeten vlak bij een bakbeest van een fornuis met een hoofd, zoo rood als een biet vanwege de “hette”, en de kerel, die met een vork, nog handiger, de gloeiende poffertjes uit die vormen oppikte.

Soms stond er een “Hypodroom van Wolff”, waar men in een soort circelvormige manége, op echte paarden kon rondrijden en waar menig, reeds lang de kinderschoenen ontwassen Harderwijker gebruik van maakte. Want dat was vroeger heel gewoon, als om tien uur ’s avonds de zaak gesloten was, met moeder de vrouw naar ’t spul te gaan paardjerijden, om hun hart nog eens echt op jeugdige manier op te halen.

Wat toendertijd ook heel gewoon was, waren kippetjes van de bewoners van de Brink, die zoo maar op ’t pleintje los rondscharrelden en hun kostje ophaalden, soms lepen die beestjes in de straten te kuieren en ‘k heb nog nooit gehoord, dat er één kip overreden is. (Als ’t nu gebeurde, gaf ik voor een heel toom nog geen drie minuten levens ).

En hoe dikwijls stonden we te genieten op de Brink van een formeel vinnig gevecht tusschen twee jaloersche hanen, o.a. tusschen die van Dirksen en van Veldhuizen.

Aan ’t einde van de Brink kwam men toen in een straat, die nu Doelenstraat heet en toen “Achter de Muur” was genaamd. Daar stonden toen allemaal oude, scheefgezakte, kleine huisjes naast elkaar geleund, echte krotten, en er voor stonden mestbakken, vierkante, hoge houten bakken die bij broeiend warm weer stonken “as de pest”en die wij “piano’s”noemden.

Op onderstaande foto ziet U links achteraan nog zoo’n mestbak.

Daar “Achter de Muur”woonde een allergaartje, maar de deftigheid woonde er niet.

We gaan nu naar de Donkerstraat terug en voor aleer verder die straat in te gaan verwijlen we nog eventjes bij een paar zijstegen of straatjes vooraan in de Donkerstraat.

Daar vond men, in de steeg naast van Dalen de tabakszaak een steeg, , donker en nauw en in de Israëlstraat eenige beruchte huizen, “kasten” voor de komende en gaande man en beiden vol met “lieve meisjes”.

Die affaires droegen een weidschen naam, de eene was “De Diutsche Keizer”en de andere heette “De ree van Batavia”, waarvoor schone namen voor die “Holen der liefde”. Als de dames boven voor de open vensters zaten, gekapt en bestrikt, dan gooiden wij hen, uit zucht tot plagen, wel eens met kittelsteentjes en dan werd je onthaald op een prachtserie scheldwoorden, die een dragonder zou doen blozen.

Wat verderop vond men in de Donkerstraat, links, de lapjes en kleerenwinkel van Frank de Jood, dit was nu een speciaal adres voor kleeding “op de pof”, bij ’t kwartaal, voor de gepensioneerden.

Daar tegenover was de “Bank van Wolf”, ook een Israliet; die bank is later meen ik “gesprongen”, wat toendertijd een heel ding was, gezien het “springen”in den tegenwoordigen tijd van zooveel banken.

Naast Wolf was het Postkantoor, waarvan den heer Kok directeur was.

Je vond daar op het postkantoor nog zulke eene ouderwetsche brievenbestellers zooals de ouwe Krielle, die scheve benen van ’t lopen had.

De stadsreiniging was toen bepaald ook niet wat je noemt getuige onderstaande foto, waar de kruiwagen op te zien is. Op deze foto is ’t oerduidelijk gedemonstreerd, dat er toen nog geen auto’s waren, maar wel veel onfatsoenlijke paarden. De mijnheer op de foto is als ik het wel heb, “Jan Stap allemachtig”, zoo door ons genoemd vanwege z’n harde stappen met ’t lopen.

Verderop, links woonde de één – armige horlogemaker van Voorts. De muur, rechts in de straat, diende heel dikwijls als tekenbord voor de artiesten onder de schooljongens. Dikwijls stond er met wit krijt, een “reuzenkop”getekend of, wat minder fraai was, waren er soms erge vieze woorden “als koeien zoo groot” op geschreven.

En nu we aan ’t einde van de Donkerstraat gekomen zijn, zien we voor ons de Markt, het middelpunt van de stad waar veel te zien is en te beleven voor ons jongens.

De Markt trekt mij nog wel speciaal, daar ik er heel mijn jongenstijd woonde. U herinnert zich nog wel het koffiehuis, waar op de ruit boven de deur stond “Café du Marche”, O. van Polen. ‘k Heb daar op de Markt heel wat voetstappen liggen, en ‘k wil er aan de hand van de foto’s, in een apart hoofdstuk van vertellen.

Niets ontging me daar, er kon aparts te doen zijn, of ‘k was er met m’n snuit bij, vooraan.

De herinnering van dien tijd op de Markt is me dan ook het sterkst bijgebleven.

xxxxxxxxxxxxxx

Dit bericht was geplaatst in Jeugd herinneringen door W.J. Polen.

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Verplichte velden zijn gemarkeerd met *