De stad Harderwijk A. Aarsen.

 

De stad Harderwijk.

Historische aanteekeningen

Van

A. Aarsen.

 

Wat van vele plaatsen in ons vaderland en haar namen moet gezegd worden, dat geldt ook met volle regt van de oude en eenmaal zoo belangrijke en aanzienlijke Overveluwsche stad Harderwijk: haar oorsprong en haar benaming beiden schuilen in het duister.

Volgens sommige geschiedschrijvers dankt zij haar ontstaan en haren naam aan hare gunstige ligging op een eenigzins verheven, vasten grond, voornamelijk ten opzigte van de vroeger laag gelegene, moerassige landen langs het meer Flevo, de tegenwoordige Zuiderzee. Dit meer kon menigmalen ontzettend hoog zijn. Gaandeweg nam het, zoo als bekend is, in uitgebreidheid toe. Eindelijk werden zijne kusten onbewoonbaar en nu zochten zijne oeverbewoners een veilig toevluchtsoord. Sommige richtten hunnen koers naar het zuiden, tot zij, eindelijk eenen droogen, harden, hoogen grond vindende, daar ook voor goed de wijk namen.

Volgens eene andere lezing zoude Harderwijk eigentlijk Herderwijk moeten zijn. In dien zin zoude de stad zoowel haar ontstaan als haar benaming aan het schaap en zijn geleider te danken hebben, zoo om den hoogen, droogen grond, bij voorkeur dit dier aangenaam, als om de herders die er zich met hun kudden verzamelden. Deze lezing heeft veel voor zich. De wisseling van de e in a is in tal van woorden in onze taal en in onderscheidene plaatsnamen gebruikelijk. Meer afdoend is evenwel de vermelding, dat in een brief van den jare 1312 reeds de benaming Herderwijk voor het tegenwoordige Harderwijk gevonden wordt. Nog zij hier aangemerkt dat de namen van onderscheidene plaatsen op korteren of verderen afstand van Harderwijk, zoo men wil, aan het schaap ontleend zijn. Wij noemen slechts Barneveld ( het barre, woeste veld), Kootwijk, ( kotten – schaapshokken), Putten ( om het drinkwater), Hoevelaken, enz.

plattegrond 2

Nevens dit weinige omtrent de stichting en den naam van de oude herdersstad, zij nu in eenige bijzonderheden, aan de geschiedenis ontleend, den lezer aangetoond dat wij recht hadden Harderwijk in den aanhef van ons opstel eene belangrijke stad te noemen.

Ten jare 1229 deed Graaf Otto II van Gelder ( 1229 – 1271 ) Harderwijk voor het eerst van eenen muur of steenen wal voorzien, waarop hij de stad in 1231 met stedelijke voorsrechten begiftigde. Zijn opvolger, Graaf Reynald I (1271 – 1316 ), vernieuwde deze privilegiën, hoewel onder zekere bepalingen. Zoo bedong hij onder anderen dat, wanneer hij zich op eenen vrijdag te Harderwijk bevond, de ingezetene zijne tafel dan van eenen schotel goeden visch zouden voorzien, en, als hij slechts twee dagen in de stad vertoefde, zij dan voor het voeder voor zijne paarden en het benoodigde stroo te zorgen hadden.

Inmiddels klom Harderwijk door den koophandel en de zeevaart tot eenig aanzien. Zijne eerste bewoners schijnen tot deze takken van bestaan groote neiging te hebben gehad. Immers reeds vóór 1280 dreven zij handel op het Noorden ( Denemarken, Zweden en Noorwegen ), met hunne schepen de Elbe en de kusten der Oostzee bezoekende. In ’t genoemde jaar onstond er tusschen de schippers van Harderwijk en de handelaren van Hamburg een ernstig verschil over ’t verkoopen van granen. De oneenigheid veranderde al spoedig in bloedige gewelddadigheden, en nu traden de schepenen van Deventer, Kampen en Zwolle als scheidsrechters op en brachten den vrede tot stand. Bij dien vrede werd bepaald dat die van Harderwijk aan de Hamburgers als schadevergoeding zouden betalen 200 mark, ieder van 10 schellingen, dat de wederzijdsche gevangenen ontslagen, de genomen goederen teruggegeven zouden worden en in ’t vervolg ieder schipper voor de misdrijven van zijn volk zoude verantwoordelijk zijn. Elf jaar later, in 1291, werd aan de bewoners van Harderwijk en Elburg door Graaf Floris V van Holland ( 1256 – 1296 ) vrijgeleide door zijn graafschap verleend, aan welk gunstig voorrecht zijn zoon en opvolger Jan I ( 1296 – 1299 ) mede zijne goedkeuring schonk, zelfs uitbreiding daaraan gaf.

Omstreeks dezen tijd werd Harderwijk in de Keulsche klasse van het Hanzé – verbond opgenomen, welke opname haar, als handelsdrijvende en de scheepvaart zoezeer aanmoedigende stad, ten volle toekwam. ( Nevens Harderwijk behoorden nog de volgende in Noord – Nederland gelegene steden tot de Hanze. In Gelderland: Nijmegen, Arnhem, Zutfen, Elburg, Venlo en Roermond; in Holland: Haarlem, Amsterdam en Dordrecht; in Zeeland: Middelburg, Zierikzee en Arnemuiden; in het Sticht: Utrecht; in Friesland: Stavoren en Bolsward; in het Nedersicht: Deventer, Kampen en Zwolle; in Groningen: Groningen. ) Hare zeelieden brachten het handelsverkeer tusschen het land van Gelder met Friesland, Oost – Friesland, Engeland, inzonderheid met Denemarken en Zweden tot eene aanzienlijke, ongekende hoogte, hetgeen ten gevolge had dat Koning Erik van Denemarken ten jare 1298 aan de bewoners van Harderwijk tal van handelsvrijheden in zijne staten toestond.

Dat ook Harderwijk de kruistochten ( 1096 – 1291 ) niet met onverschilligheid aanzag, moge blijken uit de stichting van de Commanderie der St. Johannesridders op ’t bij deze stad gelegene Heeren – lo, welke stichting mede van dezen tijd dagteekent.

De twisten tusschen Graaf Reynald I en zijn zoon, later als Reynald II van 1326 – 1339 Graaf van Gelder en Zutfen, moeten ook van nadeelige invloed op Harderwijk zijn geweest. Immers bij een vergelijk tusschen de twistende partijen op de 22ste Januari 1320 werd overeengekomen dat Heer Boudewijn van Avezaeth aan Gerhard van Rossem en de ingezetenen van Harderwijk 700 pond zoude uitbetalen, omdat hij hunne goederen genomen, hen in hun vrijheden bemoeielijkt, in hun rechten gekort had.

Hertog Reijnald III ( 1343 – 1353 ) gaf op Driekoningen – dag van ’t jaar 1348 aan de rechten van Harderwijk eene aanmerkelijke uitbreiding, en schonk de stad het volle bezit van de zoo uitmuntende voorrechten en vrijheden, aan Zutfen reeds vroeger ten deel gevallen. Als blijk van erkentelijkheid voor de hun verleende gunst, vereerden de inwoners den Hertog een geschenk van 2500 kleine penningen, terwijl de stad zelve bovendien zich borg stelde voor eene som van 1227 pond, die hij van Heer Arent van Keppel had opgenomen.

Na den dood van Hertog Reynald III ( 1372 ) koos Harderwijk al zeer spoedig de zijde van zijn door den invloed der Bronkhorsten ten zetel verheven neef Willem van Gulik ( 1372 – 1402 ), onder wiens bestuur de stad zich dan ook stelde en van wien zij vrijheden verkreeg op zoo uitgebreiden voet als immer de meest bevoorrechte plaats des lands te dezen opzichte had mogen genieten.

Deze voorspoed evenwel kwam Harderwijk duur te staan. De verkiezing van Willem van Gulik was zeer tegen den zin der Heeckerens, die liever Machteld, weduwe van den Hertog van Kleef en de zuster van Reynald III, op ’t kussen hadden gezien. Geholpen door den Bisschop van Utrecht, Arnout van Hoorne ( 1371 – 1379 ), en de Heer van Brederode, deden deze nu te harer gunste een aanval op de stad die als van zelve tot eene belegering voerde. Harderwijk moest zwichten. In de macht der Heerckerens gevallen, was zij genoodzaakt Machteld als landvorstinne te erkennen en te huldigen.

Eerst den 24 December 1374 bekwam de stad van haar de bevestiging harer vroegere vrijheden en voorrechten terug, onder zeer vernederende en drukkende voorwaarden. Voor de begane miskenning namelijk moest Harderwijk aan vrouwe Machteld en haar tweeden gemaal, den Graaf van Bloijs, als schadevergoeding dadelijk eene aanmerkelijke som uitbetalen, dan nog 14000 oude schilden beloven uit de opbrengst der accijnsen en ’t eindelijk goedwillig toestaan, dat zes harer burgers, door de Hertogin zelve aan te wijzen, met levenslange verbanning werden gestraft. Maar ook Arnout van Hoorne kwam met zijne eischen, voor de door hem genomen moeite en gemaakte onkosten de som van 25000 oude schilden bedingende. Vrouwe Machteld, tot ’t afdoen van die vordering niet zoo spoedig in staat, gaf nu Harderwijk, Elburg, Hattem en omliggende dorpen aan den Bisschop in pandschap.

Hertog Willem van Gulik bij zijne meerderjarigheid in 1377 door den Keizer van Duitschland, Karel IV ( 1347 – 1378 ), met ’t Hertogdom Gelder en ’t Graafschap Zutfen beleend, verkreeg eindelijk de overhand en werd twee jaar later, volgens een toen gesloten verdrag, ook door zijn tante Machteld als hoofd des lands erkend. Niet zoodra was .t bericht hiervan Harderwijk bekend geworden, of de stad ontsloeg zich van alle onderdanigheid aan de Hertogin en koos weder de zijde van haren vorige heer. Voor dit bewijs van toegenegenheid schonk Hertog Willem den inwoners in 1378 het muntrecht.

Den 28 Mei 1438 werd te Harderwijk eene minnelijke overeenkomst gesloten tusschen eenige Hollandsche steden ter eene, en Deventer en Kampen ter andere zijde, om, ten minste gedurende eenige maanden, wederzijdsche vijandelijkheden op de Zuiderzee te staken.

Ten jare 1442 verkreeg Harderwijk het stapelrecht van de visch, gevangen tuschen Muiden en Kampen, waarover het in grooten twist kwam met Naarden.

Van 1473 – 1543 was Gelderland de oorzaak en het tooneel van hevige beroeringen. Verschillende vorsten, Karel de Stoute, Maria van Bourgondiën, Maximiliaan van Oostenrijk, Filips de Schoone ter eene en Adolf van Gelder, Karel van Egmont, Willem II van Gulik ter andere zijde, betwistten elkander achtervolgens het recht op het bezit van een in zoo vele opzichten voordelig en schoon gewest. Den zoon van Filips de Schoone en Joanna van Arragon mocht het in 1543 gelukken die onlusten te beslechten. In ’t genoemde jaar toch deed Hertog Willem II van Gulik, in het leger voor Venlo, aan keizer Karel V afstand van zijn gezag in Gelder en Zutfen.

Ook Harderwijk gevoelde in deze troebele tijden met nadruk hoe zwaar de oorlog drukte. In 1480 namen de Hollanders verscheidene harer schepen. Ten jare 1503 werd de stad door een fellen brand bijna geheel in de asch gelegd. Twee jaar later veroverde haar Filips de Schoone. Tegen die verovering trok Hertog Karel van Egmont te velde. Eene belegering, in 1507 door hem op de stad ondernomen, mislukte. Nieuwe belegeringen volgden, tot eindelijk in 1511 Hertog Karel overwinnaar was. Vooral tot de verlossing van Harderwijk van ’t Bourgondische juk bracht veel bij de bijzondere krijgslist van Herman van Mel, die ook in 1528 de stad Hattem zeer lang en op de meest ridderlijke wijze tegen de troepen van Keizer Karel V verdedigde.

In 1518 was tusschen den raad en de burgerij van Harderwijk eene hooggaande oneenigheid ontstaan. Niet zoodra was ze Hertog Karel bekend, of hij trachtte haar in der minne bij te leggen. In ’t zelfde jaar rustte hij ook eenige kaperschepen uit, die, op de Zuiderzee schuimemde, aan Holland en het sticht de grootste nadeelen veroorzaakten. De Friesche boer Groote Pier was als kaperkapitein een van Karel’s getrouwste en meest sluwe handlangers.

 

220px-Grutte_Pier_(Pier_Gerlofs_Donia),_1622,_book_illustration

Het oordeel van Groote Pier over de Gelderschen.

“Ick, Groote Pier, Koning van Friesland, Grave van Slooten, Vrijheer van Hindeloopen, Kapitein – Generaal van de Zuiderzee.

Een stuyerman ter doot,

Agt de Hollanders bloot;

Al sijn ze groot van raade,

Zij sijn slap van daade,

Sterck van partijen,

Cranck in ’t strijen,

Hoogh van gloorie,

Crank in victorie,

Maar die Gelderse, sterck van Teeringe,

Slap van Neeringe,

Cloeck in den velde,

Maer dorre van gelde,

Vroom van moede,

Maer cleyn van goede,

Dog onversaget in ‘t strijden,

Dus wilt u verblijden,

Ende den Hollanders niet agte,

Want zy moeten versmagte,

Want zy zouden ’t becoopen,

Waer ’t bestant uytgeloopen;

Tegen mijn danck

Ist zes manden bestant.

xxxxxxx

 

Na de verovering en de bezetting van Hattem en Elburg door het leger van keizer Karel V in den jare 1528, wende zich ook de vijand naar Harderwijk, en wierp eerlang, zoowel op den zeeoever als meer landwaarts in, verschansingen tegen de stad op. Den 28 Juni reeds werd het gebulder van het geschut zonder tusschenpoozen vernomen, en de muren der stad, door een verschrikkelijk kanonvuur op vier zijden gebeukt, werden reddeloos gehavend. Toen het Bourgondische leger gereed stond om over de met puin gevulde gracht de breesen te bestormen, verzocht de raad eene samenkomst, daarbij aanbiedende de stad over te geven op gelijke voorwaarden als nog kort geleden aan Hasselt waren toegestaan. Dit aanbod, door den bevelhebber Floris van Egmond, graaf van Buren, afgeslagen zijnde, had veeleer een verdubbeld vuur van achter de verschansing ten gevolge. De magistraat, nu ten einde raad en geen uitzicht meer hebbende op redding of ontzet, zond eenigen uit de voornaamste burgers tot den vijand met ’t bericht dat de stad zich op ’s veldheers genade zoude overgeven. De belegering nam een einde, en nu moesten de Geldersche soldaten de verregaande vernedering ondergaan, dat zij, ongewapend, naar krijgsgebruik met stokjes in de hand, zich als gevangenen vrijwillig in ’s vijands macht stelden. De graaf van Buren nam nu Harderwijk in bezit en ontving er in ’s keizers naam de huldiging.

Nog in ’t zelfde jaar evenwel kwam de stad bij verdrag weder aan Hertog Karel van Egmont, die er toen, volgens zeker schrijver, niet weinig den baas speelde. Gedurende het tijdvak van den worstelstrijd onzes land met Spanje ( 1568 – 1648 ), is de historie uiterst karig met bijzonderheden omtrent Harderwijk, en toch moest ook deze stad het knellende Spaansche juk torschen. Ten jare 1572 werd zij door graaf Willem van den Berg, den schoonbroeder van Prins Willem I, daarvan verlost. Voor korten tijd evenwel want, daar de graaf aan zijne veroverde veste niet de hand hield, kwam de stad op nieuw weder in de Spaansche macht. Nadat de stad tot de zijde der Staten was toegetreden, deed de zijn vaderland ontrouw geworden, Graaf Hendrik van den Berg, de plaatsvervanger van Spinola, in 1629 nog eene vruchtelooze poging om haar voor Spanje te herwinnen.

In Juni 1672 werd Harderwijk veroverd door de Franschen, die, na er tal van verwoestingen te hebben aangericht, de stad in ’t volgende jaar weder verlieten.

plunderende Fransen

Ook gedurende de achtiende eeuw ontbrak het, als in zoo vele steden, ook in Harderwijk niet aan tooneelen van volksgisting en verwarring, tooneelen, die, na den dood van den Koning – stadhouder in 1702 ontstaan, volkomen aan de latere dagen der Patriotten en Prinsgezinden gelijk waren. Van de oproerige beweging, die in de historie onzes lands de plooierij genoemd wordt, is ook Harderwijk niet vrij gebleven, evenmin als Arnhem, Tiel, Bommel, Nijmegen en Lochem. Ten jare 1704 had de plooibeweging te Harderwijk plaats. Als altijd ontstond zij ook nu weder ten gevolge van de benoeming van nieuwe regenten. De magistraat meende gerechtigd te zijn tot ’t benoemen zijner leden, en grondde zijn recht op het voorbeeld van Holland, de burgerij had eene geheel tegenovergestelde zienswijze, willende zelf de keuze doen: zie daar de oorzaak van de partijschap. De plooibeweging te Harderwijk uit nam een drietal woorden haar begin. Toen men er tot ’t kiezen van nieuwe regenten was bijeengekomen, had de fiscaal Greeve, der regeering toegedaan, de onvoorzichtigheid “ oude plooi boven!” te roepen. De gewapende burgermacht, tegen wie dit woord was gericht, anti – prins gezind, deed daarop “ nieuwe plooi boven!” hooren, en ’t zoo lang smeulende vuur barstte in lichte laaije vlam uit. De vlam was evenwel tot wederzijdsch genoegen spoedig uitgebrand.

De verheffing van Willem Karel Hendrik Friso, als Willem IV, tot stadhouder over al de provinciën onzes lands ten jare 1747 werd ook in Harderwijk met uitbundige vreugde, optochten, illuminatiën, enz. feestelijk gevierd. Een volksopstand aldaar in 1787 werd spoedig gedempt. De watervloeden van 1773 en 1825 brachten de stad groote schade toe.

Harderwijk is de geboorteplaats van Gerard Voet, als voornaam rechtsgeleerde en kanselier van Gelderland niet zonder vermaardheid; van den oudheidkundige Ernst Brink ( geb. 1580 † 1649 ), die in .t begin der 17de eeuw Turkije bezocht, later burgemeester zijner geboortestad werd en wiens handschriften nog op ’t archief der stad bewaard worden, van den verdienstelijke Latijnschen dichter J.P. van Medenbach Wakker en anderen, onder wie wij ook met weemoed noemen den ten jare 1864 overleden waardigen burgemeester der stad Mr. G.A. de Meester, aan wiens verdiensten als rechtsgeleerde, schrijver, letter- en oudheidkundige, burgemeester en menschenvriend wij bij dezen opentlijk hulde doen.

Eene enkele bijzonderheid omtrent Harderwijk’s vroeger, zoo bloeiende Akademie en haar nog heden bestaand uitmuntend gymnasium moge ons opstel besluiten.

Ten jare 1600 door de Staten van ’t Veluwsche kwartier te Harderwijk eene gelegenheid gesticht tot ’t verkrijgen van eene geleerde opvoeding. Als kwartierschool beantwoordde deze inrichting volkomen aan haar doel, zoo dat men in 1648 haar tot Provinciaal Akademie verhief. Na eene langdurige kwijning, veroorzaakt door den onwil van ’t kwartier van Nijmegen om in de kosten tot haar onderhoud te helpen bijdragen, werd haar eindelijk in 1692, vooral door bewerking van Prins Willem III, een nieuw leven gegeven. De vereeniging van ons land met Frankrijk ( 1806 ) had haar ondergang ten gevolge, waarop in 1812 hare opheffing plaats had. Wel werd ze na de Restauratie in 1816 als Athenaeum weder tot een nieuw leven geroepen, maar haar gelukszon had uitgeschenen en ging eindelijk in 1848 met haar voor goed achter de kimmen.( later meer).

Nauw aan Harderwijks Akademie verwant, is ook hare Latijnsche school. Volgens een opschrift werd deze reeds ten jare 1372 tot ’t geven van eene geleerde opvoeding geopend en had in 1441 meer dan 300 leerlingen. Door den brand van 1503 vernietigd, verrees ze evenwel in 1540 door de zorg der Staten van ’t Veluwsche kwartier weder heerlijk uit hare assche. Ten jare 1603 schonk Prins Maurits van Nassau haar den naam en rechten van Doorluchtige School. Als ’t Nassau-Veluwsch Gymnasium mag zij nog met eere worden genoemd bij de vele kweekplaatsen voor kennis en wetenschap in ons vaderland.

En nu leggen wij de pen neder, onze beste wenschen uitstortende voor den bloei der stad Harderwijk, den luister van haar bestuur en het welzijn harer burgerij!.

Er volgen nog eenige bijlagen.

Aan ’t Uddelermeer.                                                                        Juli 1867.

Geldersche volks-almanak 1867.

 

Eenige beroemde Harderwijksche Hoogleeraren.

In de Godgeleerdheid en verwante vakken:

Anthonius Thysius,  omstreeks  1619.

Joh. Kloppenburg, van 1640 – 1644.

Joh. Valkenier,  1650.

Joh. Meier, van 1694 – 1685.

Adrianus Reland, van 1700 – 1703.

Everard Scheidius, van 1760 – 1793.

J.H. Schacht, omstreeks 1764.

Herman Muntinghe, van 1780 – 1798.

Joannes Willmet, van 1793 – 1804.

Jean Henri Parcau, van 1804 – 1818.

In de Rechten:

 

Jacobus Warnerius, van 1600 – 1622.

Antoni Mattheus, van 1628 – 1634.

Willem Cup, van 1634 – 1647.

Joannus Christenius, van 1647 – 1672.

Antonius Schultingh, van 1691 – 1694.

Johan Ortwin Wessenberg, van 1695 – 1716.

Hubertus Gregori van Vrijhoff, van 1737 – 1743.

Gerhard Schröder, omstreeks 1745.

Pieter Bondam, omstreeks 1760.

Meinard Tydeman, van 1786 – 1790.

Seep Gratama, van 1798 – 1801.

Johan Melchior Kemper, van 1798 – 1806.

Alb. Jacob Duymaer van Twist, van 1801 – 1802.

 

In de geneeskunde en verwante vakken:

 

Jan Isaäk Pontanus, van 1602 – 1640.

Antoni Densing, van 1639 – 1647.

Nic. Georgius Oosterdijk, van 1770 – 1775.

Matthias van Geuns, van 1776 – 1791.

J.C. Krauss, van 1807 – 1812.

Jacob Vosmaer, van 1815 – 1818.

 

Aan de Hoogeschool van Harderwijk hebben onderscheidene beroemde mannen hunne opleiding genoten, mannen wier namen met  eere genoemd worden in de historie onzes lands en onzer litteratuur. Het volgende negental mogen onze stelling bekrachtigen: ’t is een losse greep uit velen genomen. Hier zij dan genoemd:

Smetius, die er zijne theologische studiën aanving, voortzette en voltooide, in 1618 de gemeente van Nijmegen als predikant bediende, en als schrijver van het “Oppidum Batavorum” den geschiedbeoefenaar aan zich verplichtte.

    Jacobus Trigland, predikant eerst te Breda, vervolgens te Utrecht en eindelijk beroemd Hoogleeraar te Leiden, had zijne godgeleerde oefeningen aangevangen te Harderwijk.

Hermanis Boerhaave, de grootste geneeskundige van zijnen tijd, wiens roem zich door bijna geheel de wereld verbreidde, wiens werken getuigen van zijne veelomvattende kennis, promoveerde er den 14 Juni 1693 tot doctor in de medicijnen.

boerhaave

Jan Filip Scheidius, den 14 October 1767 te Harderwijk geboren, reeds op drieentwintigjarigen leeftijd tot Hoogleeraar in de Rechten te Franeker benoemd, later ( 1814 ) Griffier der Staten van Gelderland en als zoodanig den 14 Januari 1821 overleden, bekwam daar ook zijne opleiding.

Hendrik Cannegieter, promoveerde er ten jare 1734 tot doctor in de rechten. Aan groote geleerdheid paarde hij een onvermoeid, werkzaam leven. De Statenn van Gelderland benoemden hem tot geschiedschrijver hunner provincie.

Steven Jan van Geuns, beroemd Hoogleeraar in de genees- en kruidkunde en de natuurkunde van ’t menschelijk lichaam aan de Hoogeschool te Utrecht, studeerde eerst te Harderwijk, later te Leiden. In eerstgemelde stad verkreeg hij den graad van Doctor in de geneeskunde en in de wijsbegeerte.

Jacobus Catharinus Cornelis den Beer Poortugael, die onderscheidene openbare ambten met eere vervulde en als gevoelvol dichter zich mede kennen deed mocht er ook het meesterschap in de rechten verkrijgen.

Martinus Nieuwenhuizen legde den grond tot zijne geneeskundige studieën te Harderwijk en zette te Franeker zijne oefeningen voort. Als geneesheer te Edam gevestigd, was hij zijn vader grootelijks behulpzaam in de oprichting der Maatschappij “Tot Nut van ’t Algemeen,” als wier secretaris hij te Amsterdam den 6de Maart 1793 overleed.

ter Pelkwijk, ruim veertig jaar zijn vaderland in verschillende betrekkingen ten nutte werkzaam, van wiens hand onderscheidene werken over Godsdienst, onderwijs, historie, wis- en natuurkunde het licht zagen, die als opvoedkundige geroemd wordt, ter wiens eere de stad Zwolle, na zijn verscheiden, 18 November 1834, een gedenkteeken oprichtte, volbracht ook te Harderwijk zijne rechtsgeleerde studiën.

   “ Alles wat de oudheid van eene zoo zeer beroemde stad aangaat, kan haren inwoners en haren landgenooten niet onverschillig zijn.”

Rijksvrijheer van Spaen.

hendrik van grietjen

 

 

 

Dit bericht was geplaatst in Geldersche Volks-almanak.

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Verplichte velden zijn gemarkeerd met *