De Stadsweide

 

Overveluws Weekblad 17 juni 1931.

 

Een stuk Harderwijksch Volksleven

Uit de vorige eeuw.

De Stadsweide.

 

De dag, dat de koeien op de gemeenteweide, ( stadsweide genoemd, toen er nog geen gemeenten waren) werden toegelaten, vertoonde voor 70, 80 jaar geleden veel meer drukte dan tegenwoordig. Nu merkt men er bijna niets van; toen was het als een feestdag voor velen. De scholen gaven wel geen vacantie, doch velen leerlingen namen die maar, met, soms ook wel zonder toestemming van de ouders; en leerplicht bestond er toen nog niet.stadsweide

De grootste feestdrukte concentreerden zich aan de Smeepoort. De Smeepoort heet het nog altijd al is er van een poort niets meer te zien. Die is dan ook langer dan een eeuw geleden afgebroken even als de zoo fraaie Luttekepoort en vele andere merkwaardige bouwsels, die men heden ten dage met piëteit zou bewaren en voor verder verval zou behoeden. De overgang over de stadsgracht is tevens verlegd van tegenover het Hogepad naar de tegenwoordige plaats. Daar waren een paar groote draaibare ijzeren hekken, geflankeerd door een portierswoning en een wachthuis voor de militaire wacht. En tusschen deze beide gebouwtjes was van 9 tot 11 uur ’s morgens, van dit eigenaardige lente feest de grootste drukte. Want daar moest het weidegeld betaald en de koeien “opgebrand” worden. Voor het eerste moest de portier zijn woonkamer afstaan met z’n tafel en een paar stoelen. Die werden, binnen de kamer, voor het opengeschoven raam geplaatst en zoo het geheel ingericht tot een tijdelijk ontbangkantoor van de Gemeente. Had de eigenaar de 3 of 4 gulden weidegeld voor zijn beestje aan het opgeschoven raam betaald, dan kreeg niet hij, maar het beestje de kwitantie in den vorm van een brandmerk op het deel van het lichaam naast den overgang van rug in staart. Om dat brandmerk te kunnen geven had de koeherder van toen eenige brandijzers behoorlijk heet laten worden in een groot turfvuur, waarvoor de portier zijn keukenhaard had moeten leenen. En men kan begrijpen, dat zelfs een koebeest het ontvangen van zoo’n indrukmakende kwitantie nu niet als een liefkoozing kon opvatten, vooral niet als de gever het met versch gewarmd ijzer aanbood. Dan rende meestal het gepijnigde dier met lompe koeiensprongen, en in weerwil van koptouw en knuppelslagen door alles heen en stoven de kijkers naar alle kant. En dat daarbij niet weleens wat dartelheid van den joligen en nog jongen koeherder kwam als een glundere deern de koe geleidde, is wel te gelooven; men was toendertijd ook in zijn schalksche vermaken wat ruwer dan tegenwoordig, en iedereen, misschien ook het slachtoffer, de geleidster, had er pret over.

Tusschen de menigte langs de zijden van den weg hadden Griet Knoef, Saar van Emden, bijgenaamd streng-ijzergaren en dergelijke verkoopsters van één cent-lekkers haar winkeluitstalling opgeslagen, veelal op den omgekeerden kruiwagen, waarmee de voorraad was aangebracht. Noten, suikergoed, koekjes, gedroogde haring, bot en spiering vormden in de uitstallig den voorraad, die gereeden aftrek vond bij het jonge volkje. En jong was men toen langer dan tegenwoordig en bij zoo’n gelegenheid ging men ook nog wel eens graag voor jong door. De jonge kerels, en ook wel iets oudere, als ze hun dartele of van het pijnigende brandmerk springende en spartelende beesten op de wei bezorgd hadden, vonden gewoonlijk onder in hun broekzak in een punt van den rooden of blauwen zakdoek nog wel eens een paar stuivers om bij Antje van Drees, bij moeder Kesselaar, in de Paradijsvogel en dergelijke kroegen en kroegjes een nabetrachting te houden van den volbrachten karwei en een “klaartjen” of een “brandewientje met suker” te verschalken “um ’t zweet op te dreugen”. Want de oud-Hollandsche zienswijze, dat er niets van belang kan gebeuren of er moet een “druppeltje biekommen” hielden ze in eere, sommigen wel eens in te groote eere. Maar zwakke broeders zijn er altijd geweest en zullen er ook altijd wel blijven. En vóór we dat jonge en oude volkje van toen om hun trek naar een borrel veroordeelen, bedenke men de eentonigheid van hun bestaan. Dag in, dag uit harden arbeid, eentonigen kost, slechte huisvesting, weinig ontwikkeling. Reisgelegenheden waren er niet dan diligence en beurtschepen, publieke amusementen bestonden er niet, gas en petroleum kwamen pas. De huisverlichting was dikwijls slechts het vlammende houtvuur onder den schoorsteen. En het waren al eenigszins beter gesitueerden als een blikken of koperen keukenlamp, in de volkstaal een “snotneus” genoemd, met sterk walmende vlam eenig licht in het vertrek verspreidde, waarbij moeder de vrouw de kleeren van man en kinderen verstellen kon. Een krant of brief er bij lezen zou moeilijk gaan, zelfs al was men de kunst van lezen voldoende machtig. Maar kranten nog brieven maakten het toen de massa lastig. Het geheele postpersoneel bestond uit den Postdirecteur en één besteller, wiens hoofdbedrijf eigenlijk schoenmaken was. Het postkantoor werd gehouden in het huis in de Bruggestraat, waar thans de winkel van den heer Klaver gevestigd is, en waarvan de stoep de voor het publiek bestemde hal uitmaakte. Een blikken “ruitje” in het raam fungeerde als loket. Wilde men een brief frankeeren, dan klopte men, op de stoep staande, aan dat raam, het luikje ging open, men gaf zijn geld er door, ontving het gevraagde en het blikken “ruitje” werd weder gesloten. En éénmaal per dag kwam de besteller de poststukken, die in den nacht door de postkar waren aangebracht, afhalen om ze aan het adres te bezorgen. Dat waren nog eens rustiger tijden dan de tegenwoordige met hun zenuwachtig gejaag! Maar ze hadden bij hun rust ook de ergste kwaal der rust: de verveling, een oorkussen des duivels.

Tegenwoordig moeten de koeien ook des nachts op de weide blijven. Dat was toen niet het geval. Het was zelfs regel, dat ze des avonds thuis gehaald en des morgens er weer heen gebracht werden. Dat gebeurde eendeels om de mest anderdeels om de dieren bij te voeren. Want de weide was toen schraal, vooral de achterste wei, die meer hei dan wei was; en het aantal toe te laten koeien was onbepaald. En wat de gevolgen van dat heen en weer wandelen van koeien voor de zindelijkheid van onze straten was kan men zich denken. Gemeentelijke straatreiniging bestond er toen niet, doch men was zoo’n toestand gewoon, men schikte zich er in “omdat het niet anders kon.”

melken

Nog een andere, nu ook vergeten feestelijkheid was aan het naar de wei gaan van de koeien verbonden, of beter, was er een gevolg van. Dat was het “melk drinken”. Op den eersten, en in mindere mate ook nog den tweeden Zondag, dat de koeien de stadsweide afgraasden, trokken tegen den avondmelktijd ouders met hun kroost naar de wei. De melkers en melksters hadden daarop gerekend. De meesten hadden een paar koffiekommetjes bij zich. Uit den emmer met de nog warme melk scheppen ze een kopje vol, dat door het jonge volkje, en soms ook nog door vader en moeder wordt leeggedronken. Voor elk kopje melk ontvangt de eigenaar één cent, vaste prijs, wat zeker niet onvoordeelig voor hem is bij de toemaligen prijs van 2 of 2 ½ cts. per halve liter of “maat”. Vrees voor het gebruik van ongekookte melk kende men toen zoo niet, zindelijk omgaan met zulk een kostelijke drank was betrekkelijk; bij het volscheppen van het kopje kwam noodzakelijk een deel van de hand in de melk; schoone kopjes konden niet worden verstrekt. Maar dat deerde toen niemand van de “melkdrinkers “, hygienische voorschriften voor het melkventen bestonden niet en wat het oog niet zag deerde het hart niet. Alleen als je gezien had, welk kopje een kind met een vieze neus zoo pas gebruikt had, verkoos je het andere of je vervoegde je bij een andere leverancier.

Zoo veranderen toestanden en gebruiken, zelfs in het korte tijdsbestek, dat het tiende deel van 7 eeuwen is. Dat is leven. Want leven en werken, denken, onderzoeken en, wat goed lijkt, behouden.

A.V.

hendrik van grietjen

 

 

 

Dit bericht was geplaatst in Verhalen bundel.

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Verplichte velden zijn gemarkeerd met *