De Toovenares.

Schets naar aanleiding van de terechtstelling van Naele Aelts (1594).

 

  ’t Is 6 juli 1594. In den vroegen morgen trekt uit den Luttekepoort een grote stoet mannen en vrouwenluidruchtig koutend den zandweg op naar buiten.

    Vooraan rijden “Raadt en Schepenen der stad”in een open wagen bespannen met twee paarden. Ze dragen de grote slappe hoeden en de brede kanten kragen die hunne schouders geheel bedekken als teken hunner waardigheid. De lange haren fladderden in den koelen morgenwind.

    Daar achter loopt een troepje soldaten, hellebaardiers met hunne kuitbroeken, grove kousen  en lage schoenen, het rapier aan de bandelier en de hellebaard op den schouder.

    Dan volgen twee gespierde landsknechten, die in hunne ruwe handen de uiteinden vasthouden van een touw, dat de beide armen eener vrouw omstrengeld, die met het gelaat ter aarde gekeerd slechts met moeite voortstrompeld. Hare grijze haren hangen verwilderd over de holle wangen. Een eenvoudig kleed dekt haar vermagerd lichaam en zij is bloodsvoets.

    Als ze echter een ogenblik het hoofd opheft zien we hoe een onheilig vuur in hare ogen flikkert; en terwijl zij den mond gesloten houdt, de enkele tanden die ze nog over heeft krampachtig op elkaar drukt. Zwijgende gaat zij naast hare bewakers voort.

    Naast dezen stappen de beide predikanten der Hervormde gemeente, in ambtsgewaag gestoken, plechtig voort, met aan hun zijde de beide rechters, de eenige die te paard zitten.

    De officieele stoet wordt gesloten door een aantal hellebaardiers, waarachter de luidruchtige joelende schare volgt. ’t Zijn mannen, vrouwen, ingezetenen van de goede stad Harderwijk. Sommigen hebben geen tijd gehad hunne kleding behoorlijk in orde te brengen. Overal ziet men de bruine wollen borstrokken, witte hemden en opgestroopte mouwen.

    Enkele vissers, die hoorden wat er zou plaats hebben, zijn ijlings herwaarts gekomen om mee te genieten van het schouwspel dat wacht. De schubben kleven nog aan hun baadtje, hunne handen zien bruin van de taan. Vele vrouwen hangt de dagelijkse neepjesmuts los op de verwarde haren, enkelen hebben zelfs gaten in hun voorschoot of rok. Ze letten er echter niet op. Met een wild vuur in de ogen, als waren ze door een helsen geest bezield, vertellen ze onder heftige handgebaren elkander de meest akelige bijzonderheden uit het leven van Naele Aelts, de vrouw die ginder als een dier wordt voortgeleid.

    Ze kakelen door elkaar, en de vreemdeling die op zijn reis naar deze stad de stoet ontmoet en blijft staan, is niet bij machte, ook al spitst hij zijn oren, uit hun geschreeuw op te maken wat er eigenlijk aan de hand is.

    Daarom voegen we ons bij de wagen der Schepenen en vragen wat toch deze heeft misdaan, om zo als ter slachtbank te worden gevoerd. En dan verteld de burgermeester Willem van Hoeclom ons in korte woorden het navolgende.

   Naele Aelts, had sinds onheuglijke jaren de naam gehad van met tooverijen om te gaan. Kaartleggen en geestenbezweren was haar dagelijkse bezigheid. Men vertelde dat ze met “de helm”geboren was en reeds in haar jeugd toen ze nog in Wageningen woonde, voorspellingen kon doen aangaande iemands dood of ongeluk. Als jonge dochter werd ze alreeds gemeden.

    Naele had dan ook nooit een man gehad. Eenzaam woonde ze na haar komst te dezer plaatse in de Oosterwijk, de z.g. visserbuurt onder wier bevolking zij hare klanten bij tientallen telde. Van haar kamertje waren deur en ramen steeds zorgvuldig gesloten en eerst op herhaald kloppen liet ze hare slachtoffers binnen.

    Voor enkele centen las ze iedereen uit de handlijnen de toekomst: trok uit de kaarten de man naar keuze ener maagd en wist uit de bewegingen van het ei nauwkeurig te bepalen of geluk dan wel ongeluk hun deel zou zijn.

    Maar ’t kwam ook niet zelden voor dat in de omgeving een kindje ziek werd, in wiens hoofdkussen naderhand z.g. “kransen” werden gevonden en het dus bij iedereen vaststond dat het wicht betoverd was.

    Onmiddellijk viel dan de verdenking op Naele en ’t was alleen omdat ze niet de eerste vrouw was die over den drempel van het huis kwam, dat ze feitelijk voor de daderes werd gehouden. Niet zelden schreef ook de landbouwer, wier beesten ziek werden kort nadat Naele de hoeve was gepasseerd, dit euvel toe aan hare wondermacht. En meer dan eens ontkwam ze ternauwernood aan een formeel beleg van hare woning.

    Met het klimmen der jaren werd het er niet beter op.

Allerlei verdichte verhalen deden de ronde door de stad en gewest zodat weldra ook het bespiedend oog van den Magistraat op haar werd gevestigd. De Schepenen lieten hare gangen in het geheim nauwlettend nagaan en ontvingen van de bespieders uitvoerige rapporten met opsommingen van allerlei wanbedrijven die de toveres op haar geweten had. Meermalen werd ze op de markt ontboden als de Raad de Vierschaar spande en met het opgaan der zon alle zaken berechte die de politie aangingen.

    Dan stond ze met opgeheven hoofd voor hare rechters en begaafd spreekster dat ze was, wist ze behendig de beschuldigingen stuk voor stuk uiteen te rafelen, zodat het einde altijd was: een vrijsprekend vonnis. De achtbaren konden er geen speld tussen krijgen.

    Zo zette Naele hare praktijken opnieuw voort; werd ze driester in haar optreden, zich bewust van haar macht. En oud en jong begon in haren ouderdom te ontzien:men kreeg min of meer eerbied voor de geestkracht door haar aan de dag gelegd. Dit maakte haar echter te overmoedig en stout, zó zelfs, dat ze zich niet ontzag de heerschappij van de stedelijke regering te trotseren, door in het openbaar te verkondigen dat ze al hare macht van den duivel had ontvangen.

    Dit duurde echter niet lang. Van de zijde der Vroedschap werd meer en beter op haar gelet. Als ze zich overdag buiten de deur waagde, stonden gerechtsdienaars klaar om haar te geleiden en te zorgen dat ze niemands huis betrad. Zonodig beletten ze zulks met geweld en brachten haar, vaak minder zachtzinnig naar hare woning terug. Langzamerhand werd dit voor haar een ondragelijke pijniging en alles in haar heftig gemoed kwam in opstand tegen zulk een lot.

    Geen wonder dan ook dat ze eindelijk bijna krankzinnig werd en in dezen toestand nog gevaarlijker voor de omgeving was dan voorheen. En toen men haar betrapte op het openlijk uitschelden van haar bewakers, werd ze op last van de Regering ingerekend en onder de Luttekepoort gevangen gezet.

    Thans was het de beurt van de kerk om haar tot boete en berouw te bewegen. Bijna dagelijks werd ze door een der predikanten bezocht, die trachten haar van den weg des verderfs terug te brengen. Alles echter tevergeefs. Niet alleen dat ze van de leeraars niets wilde weten en spotte mat wat deze verkondigden zelfs bekende zij hen dat ze een verbond met twee duivelen had aangegaan, ja, met deze zelfs in vleselijke gemeenschap stond. Ze wenste dan ook voortaan van hunne bezoeken verschoond te blijven en gaf hen Vrijheid aan de Raad van deze zaken mededeling te doen.

    De Herders brachten aan de Regering bescheid en trokken hunne handen verder van de zaak af.

    Na lang beraad besloten de vroede vaderen op de verstokte zondares de straf toe te passen die in die dagen op de “Tooverije”stond, n.l.de brandstapel.

    Den 2de Juli werd ’s morgens bij klokkeslag van de puy van het raadshuis afgekondigd dat “Morgen in den vroege volgens sententie van den Raadt deser stadt, een vrouwspersoon, genaamd Naele Aelts geboortig van Wageningen en seventig jaeren oud, op den berg omtrent deser stadt, wegens verbonden met twee duyvels ingegaan, vleeschelijcken omgang met deselven en gepleegde veelvuldige tooverijen, opentlick zou worden verbrand”…..

    Als een vuurtje had zich dit nieuwtje in de stad verspreid en zoowel goed- als afkeuring werd over dit vonnis uitgesproken.

    De vrouw bleef ondertussen tot den anderen morgen drie uur in hare cel, op welk tijdstip de scherprechter haar nog eens kwam vragen, of zij genegen was haar boosheid af te leggen en een nieuw leven aan te vangen, onderhoudende de geboden Gods, in welk geval de Regering haar alsnog de vrijheid zou schenken. Met beslistheid antwoorde ze ontkennend en hare ogen schoten vuur toen de ambtenaar zich vermat ten tweede male bij haar aan te dringen, om ter wille van haar leven hare hekserij af te zweren. Ze viel hem in de rede met te zeggen, dat hij vergeefse moeite deed, dat het haar onmogelijk was zich uit den dienst des satans los te maken en dat ze dit ook niet wilde.

     Bovendien, wat was er gelegen aan zulk eene oude vrouw, die toch over enkele jaren sterven moest……

    Klokke half vier bij het opgaan der zon hadden Raad en Schepenen zich verzameld voor de poort. Onder groten toeloop van de “Burgerije”werd Naele uit de prison gehaald en stelde de stoet op als boven medegedeeld………..

    Dit verhaalt ons de Burgermeester. Ondertussen heeft de optocht den zandweg links laten liggen en is rechtsaf de heide opgetrokken recht op den galgenberg aan.

    Rappe handen hebben hier in den nacht den schandpaal opgericht en een menigte takkebossen aangedragen die ter halvemanshoogte rondom het hout werden opgestapeld. Ze zijn klaar met hun werk en wachten met spanning de komst van de troep af. Enige boeren uit het nabijgelegen Beekhuizen hebben zich mede reeds op de plaats verzameld en bespreken druk de bijzonderheden van den persoon en het vonnis. Als de stoet de voet van den berg heeft bereikt wordt halt gemaakt. De rechters stijgen af, geven hunne paarden aan de landsdienaren over en geleiden te voet het slachtoffer naar boven. Het volk dringt op en vormt op den top weldra een groten kring, zodat iedereen in de gelegenheid is het schouwspel tot in bijzonderheden gade te slaan. Alleen aan de luwzijde blijft de kring open, teneinde straks de rook vrijen doorgang te verlenen.

    Rondom heerst een eerbiedig stilzwijgen.

Ook de achtbaren hebben de wagen verlaten en trekken langzaam naar het midden van de cirkel.

    Daar gekomen neemt de Burgermeester het woord en leest het vonnis met luider stemme voor. Als hij spreekt van den omgang met helse geesten gaat een huivering door de rijen en wordt hier en daar afkeurend gemompel gehoord.

    Zich dan tot den vrouw wendend, die met hare gebogen gestalte en het gelaat ter aarde gekeerd, als in stille onderworpenheid voor hem staat, vraagt hij nu ten laatstenmale of zij bekent aan alle deze gruwelen te hebben schuldig gemaakt, en of ze in dit gedrag blijft volharden?……

    Dan heft ze fier de grijze kruin op en uit het “Ja,ik!” dat zij spreekt, klinkt den omstanders hevige verbittering tegen…Nieuw gerucht onder de menigte………

    Eén wenk is voldoende, en de knechten hebben haar aangegrepen en met twee touwen aan de paal vastgebonden, zóó, dat zo ook hare handen en armen niet bewegen kan.

    Nog een wenk, en de vlammen lekken aan de droge eikentakken, die, aangewakkerd door den morgenwind, in een ogenblik in een vuurzee zijn herschapen. Dan werpen de gezellen nog meer hout op het vuur dat weldra hoog oplaait. De rode tongen beginnen het lichaam van de ongelukkige aan te raken.

    Naele laat aanvankelijk het hoofd op de borst hangen, zodat velen haar reeds dood wanen. Maar als haar de hitte bereikt doortrilt een zenuwschok haar stramme leden. De vuurgloed stijgt, onder en om hare voeten wordt het een oven; en als deze langzaam beginnen te branden, is ook haar schamel kleed reeds in rook opgegaan en dartel spelen de puntvlammen om haar vege lijf……

    Door smart gefolterd stoot ze ontzettende kreten uit die den toeschouwers door merg en been gaan.

    “Hoor”, zegt er een,”dat zijn de duivels die hun prooi tegen de vlammen bevechten”, en vol afgrijzen stopt hij zijne oren met beide handen dicht.

    “Alsof hare ziel niet eeuwig branden zal!” meent een der vrouwen, van wie sommige met welbehagen de terechtstelling gadeslaan, het zijn moeders wier kinderen het weerloos offer zijn geworden van Naele’s toverij…….

    Nog een keer hoort men uit haar mond een schrillen angstkreet- dan wordt alles stil…De ziel ontvlood haar huis…..Naele Aelts is niet meer…..

    Velen gaan er nu huiswaarts.- Ook de officiële personen trekken in gelijke orde af als waarmee ze kwamen. Maar van de jongeren en de vrouwen blijven er verscheidenen achter – ze willen ook het laatste bedrijf zien van het stuk. Ze helpen mede hout en takken aandragen en werpen ze met stille voldoening in de vlammenzee. Ze rusten niet voordat er van het lijk niet alleen niets meer is overgebleven, maar ook de schandpaal geheel tot as is verteerd.

    Dan trekt ook ’t laatste hoopje naar de stad, ze hebben hun plicht gedaan…..

Nog enkele dagen wordt het geval in ieders huisgezin besproken en dan behoort ook de dood van de tooveres Naele Aelts tot de geschiedenis.

XXXXXX

 

 

 

Kroniek van Harderwijk

1231-1931

1594   Februari 11. Joost Tonisz, beschuldigt Nale Aelts zijne vrouw te hebben betoverd. Klager en beklaagde bieden aan zich te onderwerpen aan de waterproof.

1594  Juli 6.  Nale Aelts door mr.Claes,scherprichter van Kampen verbrand. Hencke Henricks beklaagd van tooverij en het zegenen van menschen, uit de stad verbannen.

XXXXXX 

Dit bericht was geplaatst in Verhalen bundel.

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Verplichte velden zijn gemarkeerd met *