De Visserij Tentoonstelling

 

 

De Visserij Tentoonstelling.

Harderwijk, het oud en roemrijk

Plaatsje aan het IJselmeer,

Nodigt ieder tot bezoeken,

In ’t bijzonder deze keer.

Immers kan men daar thans vinden,

Naast het vele wat men ziet,

Een tentoonstelling van alles

Op het visserij gebied.

Even gaat het grijs verleden,

Daar ons geestesoog voorbij;

En we zien ze nauw verbonden,

Harderwijk en ……….visserij.

Eens, toen ’t IJselmeer nog zee was,

Maakte zij dit plaatsje groot,

En verborg ze veel beloften

Voor de toekomst in haar schoot.

Vele onzer voorgeslachten,

Vonden daarin hun bestaan;

Nu met weemoed in ons harte,

Zien we ’t al ten onder gaan.

De tentoonstelling getuigt ons,

Wat de visserij eens was,

Toen vijfduizend schuiten voeren,

Op die grote waterplas.

Ook al waren de gevaren,

Bij het varen dikwijls groot;

Vele duizenden verdienden

Daar hun daaglijks brood.

Stoere vissers, harde werkers,

Hebben mede door hun kracht,

Harderwijk en zoveel plaatsjes,

Eens tot grote bloei gebracht.

Dit behoort tot het verleden,

Want de zee….zij is niet meer,

Nog achthonderd schuiten varen

Op het huidig IJselmeer.

Wacht hun in de naaste toekomst,

Ook één en hetzelfde lot?

Maakt men aan de IJselmeerkust

Alle visserij kapot?

Wat ’t verleden ons gebracht heeft,

Kunnen wij thans nog zien,

Van z’n bloei en welvaart spreekt ons

De historie bovendien.

Wat de toekomst ons zal brengen,

Als de zee is drooggelegd,

Niemand is er in ons landje,

Die ons dit bij voorbaat zegt.

De visserij tentoonstelling,

Spreekt welhaast op elke stand,

Welk een kunde er kan schuilen

In een ruwe vissershand.

Een oud man van twee en neêg’tig,

Maast nog netten en zo meer,

Daarbij zingt hij nog zijn liedjes,

Even vrolijk als weleer.

Marten Foppen zwierf als jongen

Van ruim acht jaar reeds op zee,

Vandaar dat baas “ Scherp” natuurlijk,

Ook zo handig is daarmee.

Groen vervaardigd heel deskundig,

Alle zeilwerk, groot en klein,

En geeft blijk ook in dit opzicht

Werk’lijk een primeur te zijn.

Op zijn stand daar zien wij tevens

Kleine vissersschuitjes staan,

Die bewijzen hoe vernuftig,

Jansen is te werk gegaan.

Deze, één van Elburg’s zonen,

Toont ons hoe een visserman,

Kleine schuitjes, onbetwistbaar

In hun vormen, maken kan.

Ook het werk van B. den Herder,

Dwingt een ieder tot respect,

Door zijn fraaie jachtmodellen,

Zo nauwkeurig en perfect.

De inleggerij van Duyvis,

Uit het plaatsje Monn’kendam,

Toont ons vis voor de consumptie,

’s Avonds bij de boterham.

Met haar prima kwaliteiten,

Heeft ze iedereen verwend,

Daarom is de naam Duyvis,

Ook zo wijd en zijd bekend.

Verder is er een collectie

Scheepsmodellen nog te kijk,

Uitgebeeld en toegelicht door

E. den Herder, Harderwijk.

Deze naam zo nauw verbonden

Aan het huidig IJselmeer,

Doet tot de conclusie komen:

Was de zee….de zee maar weer!

Ook datgene wat men later

Op de film krijgt te zien,

Doet ons denken, of verand’ring

Wel verbeet’ring brengt misschien.

Wie dit alles komt aanschouwen,

Krijgt een gratis kopje thee

Geurig, zo we dat gewend zijn

Van de firma K.& G.

Zo is deze expositie

Het bezoeken zeker waard,

Ze blijft in haar doel en streven,

Werk’lijk ongeëvenaard.

Ja ze doet ons, met den Herder,

Deze pient’re oude Heer

Zuchten, vol van diep verlangen,

Was de zee…de Zee maar weer!!!!!!

Samengesteld door gedichten bureau

DOVETE”,  Elburg.

Dit bericht was geplaatst in Diverse gedichten.

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Verplichte velden zijn gemarkeerd met *