De vroegere welvaart van het noorden van de Veluwe.

 

De vroegere Welvaart van het Noorden

van de Veluwe.

 

Het Noordelijk gedeelte van de Veluwe heeft twee tijdperken van bloei gehad; Het eene onder de Geldersche Vorsten, het andere zoo lang ons Gemeenebest heeft bestaan.

Toen nog de geheele inwendige Veluwe eene woeste, naauwelijks bewoonde en bewoonbare streek was, en lang reeds voor Hertog Arnold haar nog noemde “ Een wild bijsterland daar vele overgrepen in geschien plegen” bloeide handel en zeevaart langs hare zeekust, welke bovendien door eene zoom vruchtbaar weiland steeds bevoordeeld werd. Harderwijk en Elburg waren in die tijden vermogende koopsteden, maakten deel uit van het Hanzee – verbond. Vooral de eerstgenoemde stad dreef uitgebreiden handel buiten ’s land reeds in de dertiende eeuw op de Elbe, spoedig daarna op de Oostzee, en verkreeg in de veertiende eeuw onderscheide voorregten van de Koningen van Denemarken. De lakenweverij had er zulk eene hoogte bereikt, en de Harderwijksche lakens waren zoo bekend, dat verscheidene renten en uitgangen oudtijds ook elders betaald werden met Harderwijksche besegelde lakenen. Zij was dan ook dikwijls in staat, de Geldersche Vorsten met groote sommen geld bij te staan, zoo dat Schrassert haar noemt : eene schatrijcke stadt, de toevlugt, honigbije en melckkoeij der behoeftige Vorsten.” Zij bezat in hare muren zes kloosters, waaronder dat van de Franciscaner Minderbroeders, door de Hertogin Eleonora gesticht en mildelijk begiftigd, terwijl zich buiten de stad de Kommanderij ’s Heeren Loo verhief.

Te gelijk met den koophandel bloeiden er de wetenschappen. Reeds ten tijde van de zoo even gemelde Eleonora was daar eene bij de naburen zeer vermaarde school, welke in het midden der vijftiende eeuw door meer dan driehonderd leerlingen van buiten de stad werd bezocht. De Over – Veluwe was dan ook geliefkoosd bij de Geldersche Vorsten. Zij hadden een hof te Ermelo en eene woning te Harderwijk, en waren waarschijnlijk dubbel ijverig zich naar die zijde te begeven, wanneer de kooplieden van Harderwijk, de Geldersche Hope’s en Rothschild”s van die dagen, tot het stijven van de door oorlogen uitgeputte schatkist moesten worden overgehaald. Menigvuldig zijn in onze geschiedenis de bewijzen van de hooge waarde, waarin het Noorden van de Veluwe, door ’s lands Vorsten werd gehouden. Reinoud I heeft te Staverden eene stad willen stichten, en daartoe zelfs in 1291 van Keizer Rudolf vergunning verkregen, welke vier jaren later door Keizer Adolf is bevestigd, hoewel de uitvoering van dit voornemen achterwege is gebleven. De reeds meergemelde Hertogin Eleonora, welke op zoo vele plaatsen van Gelderland lieve herinneringen heeft nagelaten, heeft aan de burgerij van Hattem eene vruchtbare streek lands, Homoet genaamd, ten geschenke gegeven. Hertog Willem heeft in 1579 de munt, welke, ingevolge de Keizerlijke vergunning, te Arnhem, te Roermond of te Harderwijk mogt gehouden worden, naar laatstgemelde stad verplaatst. Reinoud IV heeft in 1404 een kasteel te Hattem gebouwd, in 1413 Nijkerk met stadsregten begiftgd. Arnold heeft de inwoners van Harderwijk, die reeds vroeger aanmerkelijke tolvrijheid hadden verkregen, in 1453 door geheel Gelderland, zoo wel te water als te lande, tolvrij verklaard. Dezelfde heeft in 1443 aan Harderwijk den afslag gegeven van alle visch, welke tusschen Kampen en Muiden naar Gelderland werd vervoerd. Toen in 1518 groote tweedragt tusschen de Overheid en gemeente van Harderwijk was ontstaan, stelde Hertog Karel zoodanig belang, de rust aldaar te herstellen, dat vijf of zes menschen en paarden, zegt het geschiedverhaal, op weg dood bleven, ten gevolge van den spoed, waarmede hij, vergezeld van raden, hovelingen en dienaren naar de ontroerde stad joeg.

Door dusdanige pogingen werd de welvaart van dit belangrijk gedeelte van Gelderland bevorderd, en zoo genoot deze streek onder de Graven en Hertogen eenen voorspoed, welke zoowel aan de nijverheid der bewoners te danken was, als aan de bescherming der Vorsten, die zich daardoor de harten van getrouwe en, waar zulks noodig was, den bijstand van welvarende onderdanen verworven.

Na de bevrijding van het Spaansche juk vertoonde zich weder voorspoed in die streken, den dezelve had eene andere oorzaak. De handel nam allengkens eenen anderen weg. Harderwijk, waarvan wij, als de voornaamste stad, het meest gewaagd hebben, bleef wel is waar in het bezit van de munt; en de Hooge school, welke daar in 1600 door het kwartier van Veluwe werd gesticht, en in 1647 tot eene Provinciale Academie verheven, bragt niet weinig toe tot den bloei dier plaats; het drukke veer van Amsterdam over Harderwijk op Deventer en Zutphen, en daardoor de Communicatie met een groot gedeelte van Duitschland bragt leven en vertier te weeg; dan de eigenlijke oorzaak van het welvaren van het Noorden van de Veluwe was toen in onze staatsregeling te zoeken. Harderwijk, Hattem en Elburg waren stemhebbende steden; de eerste met twaalf burgemeesters, Schepenen en Raden; Hattem met tien en Elburg met acht, behalve Schouten en Secretarissen. Door deel te hebben aan het bestier van die steden, geraakte men tot de hooge regering van den lande. Een aantal bemiddelde, zoowel adellijke als Patricische geslachten waren gevestigd in die drie steden, waarvan het burgerschap een toegang verschafte tot waardigheden en eer. Zulks was zelfs te Harderwijk zoodanig het geval, dat Pontanus die stad noemt een “ nidus noblium familiarum” daarbij verscheidene van de aldaar wonende eerste geslachten opnoemende, waarvan er heden ten dagen velen zijn uitgestorven, de andere, elders verspreid, nog onder de aanzienlijksten van het rijk behooren. De inwoning van zoo vele gegoede familien bragt niet slechts bloei en welvaart te weeg en in de steden, waar zij zich des zomers veeltijds ophielden, hunne invloed bewerkte ook, dat de belangen dier streek niet voor andere belangen behoefden te wijken, dat dezelve in vooruitgang, gelijken tred hield met andere deelen der Provincie.

Hoe geheel anders is het thans gesteld. De latere bron van welvaart, de inwoning van zoo vele vermogende, is verdwenen, en de vroegere, de koophandel, is niet teruggekeerd. Voor nieuwe wegen van voorspoed is niet gezorgd. Van af het begin der regering van Willem I heeft het bestuur door het geheele rijk heen de ontwikkeling der materiële welvaart door verschillende middelen bevorderd. Slechts voor het Noorden van de Veluwe is sedert vijfendertig jaren van hoogerhand niets gedaan: niets althans, dan het daarstellen, of Consessie verleenen tot het daarstellen van eenen straatweg langs de Zuiderzee, welke, in plaats van den bloei van de gemeenten, waardoor die loopt, te bevorderen, de voedende sappen van dezelve als eene parasite plant uitzuigt; want om de renten van de voor dien straatweg opgenomene kapitalen, waarvoor die gemeenten hebben moeten instaan, te kunnen bijpassen, zijn dezelve verpligt, de belastingen hoog op te voeren, en daardoor de nijverheid te onderdrukken.

Bij de vermeerdering van welvaart, welke ons Rijk over het algemeen sedert het derde eener eeuw heeft verkregen, moet enkele stilstand reeds als achteruitgang beschouwd worden. Nu doorloope men het Noorden van de Veluwe van de Utrechtsche tot aan de Overrijsselsche grenzen; nergens behalve eene enkele kleine uitzondering, vermeerdering van welvaart, en op zoo vele plaatsen sterke, hoogstbedroevende achteruitgang. Nijkerk is nog tamelijk welvarende gebleven, dank zij der gunstige ligging in eene welige landbouw aan eene bruikbare haven; dank zij der vlijt der inwoners. Elburg ook en deszelfs omstreken hebben zich eenigzins staande gehouden, terwijl Nunspeet de uitzondering daarstelt, die wij zoo even bedoelden. Vroeger een gering, naar hei – dorpje, is hetzelve door de onvermoeide, gedurende bijkans veertig jaren, volgehoudene pogingen van een enkel man van bekwaamheid en veerkracht, een van de liefste dorpen van de Veluwe geworden. Zie daar dan ook de heldere zijde. Overal elders ziet men achteruitgang. Op het land, lusthuizen en kastelen gesloopt, waaronder nog onlangs de zetel van eenigen van de voorouders van het achtbaar Hoofd onzer Provincie, en vele plaatsen, die nog gespaard worden, blijven onbewoond en verlaten. De beiden steden Harderwijk en Hattem schijnen te wedijveren in diep verval. De laatstgenoemde, niettegenstaande de pogingen van eenen menschenvriend om te middelen ven herstel van de stad zijner inwoners te geraken, gelijkt meer een niet welvarend dorp, dan het Hattem van vroegere dagen; en Harderwijk zoude , zonder het Koloniaal Werf – Depot reeds bijkans tot den staat van dorp zijn teruggekeerd. Terwijl nog bij de geheugenis van menschen van middelbare leeftijd een aantal rijke grondbezitters in die stad gevestigd waren, werd er ruim een jaar geleden niemand op de lijst van de bevoegden tot de Eerste Kamer aangetroffen, en, hetgeen een juist denkbeeld van den achteruitgang dier plaats geeft, huizen, waarvan de opbouw in de vorige eeuw waarschijnlijk van zestig tot tachtig duizend gulden moet gekost hebben, gelden er thans bij veiling ter naauwernood drie of vierduizend.

Wij wanhopen echter niet aan betere dagen. Onze bevolking is arbeidzaam, spaarzaam en van eenvoudige voorvaderlijke zeden. De nijverheid is hier in eere, en wordt zelfs door de voornaamsten, waar er gelegenheid toe is, uitgeoefend. Wij aarzelen niet te verzekeren dat wanneer wij op gelijken voet met het overige van Nederland worden behandeld, onze voorspoed ook minstens gelijke tred zal houden. Doch hoe is het ons gegaan sedert de omwenteling van 1815?

Reeds aan Willem I, was in het begin zijner regering het groote nut, ja de noodzakelijkheid voor de geheele vaart op de Zuiderzee, van eene goede haven te Harderwijk betoogd; die haven was ook door dien Koning aan den in 1823 overleden Burgemeester de Vries toegezegt, doch tot heden is het daar ook bij gebleven. Wanneer men nagaat, wat door de Provincie Gelderland aan wegen is te koste gelegd, zal men bevinden, dat daarvan eene uiterst geringe evenredigheid voor Over – Veluwe, waar toch middelen van communicatie zoo verlangd worden, gestrekt heeft. En de eenige straatweg, welke verkregen is, is daargesteld, zoo als wij gezien hebben, op voorwaarden, welke dien weg tot een kanker voor Over – Veluwe maken. Wat de indeeling der regterlike magt betreft; men neme de kaart op der Provincie; dan ziet men daar de vier steden waar Arrondissements – regtbanken gevestigd zijn, in elkandrs nabijheid gelegen; terwijl de bewoners der zeekust, tot verkrijging van hun regt, of als getuigen, verpligt zijn, langs onbegaande wegen eene reis naar Arnhem te doen, welke, schoon minder duur, echter moeijelijker en lastiger is, dan eene reis van Arnhem naar Londen of Parijs. Hoezeer ware het eener goede regtsbedeeling niet bevordelijk geweest, eene regtbank te Harderwijk, als het middelpunt van Over – Veluwe, te plaatsen.

Deze verwaarloozing van onze belangen is voor een groot gedeelte aan de afgelegene ligging te wijten. De steden Thiel, Zutphen en Nijmegen hebben steeds betrekkingen te Arnhem en dagelijksche gelegenheid, hunne belangen te doen gelden bij Gouverneur en Gedeputeerde Staten; en op het Gouvernement van Gelderland was men steeds ( moeten wij ten minste veronderstellen,) elk deel der Provincie wel even zeer genegen, wilde men geene onregtvaardigheden, doch viel het hoogst moeijelijk, bezwaren, waaraan men slechts ter loop kennis droeg, te verhelpen. In dit opzigt nu als in zoo vele andere, verheugen wij ons in den tegenwoordigen Gouverneur van Gelderland. Zoo wij dien hoogen ambtenaar juist beoordeelen, zal hij, om het goede te doen, niet wachten, tot het hem worde aangewezen en opgedrongen. Hij zelf zal het met ijver opsporen en zich verheugen, dat hem nog zoo veel goeds te verrigten, is overgelaten. Voor de wakkeren, werkzamen man toch, in de kracht zijns levens, vol edele bedoelingen is het streelender zelf het goede te kunnen stichten, dan blootelijk het goede dat reeds bestaat, in stand te houden, en in dat opzigt voorwaar is aan den Gouverneur van Gelderland geen gedeelte der Provincie overgegeven, waaruit zulk eene rijken oogst, als uit Over – Veluwe is te halen.

Mijn Heer van Randwijck werd als Gouverneur van Drenthe, ten tijde van de voorgenomene kanalisatie van die Provincie, welke men zoo, zoo tot stand meende te zien komen, als uitermate gelukkig gerpoemd, van zijne naam aan zulk een werk te mogen verbinden. De Graaf van Rechteren van Ahne werd bij den zoo vurig te gemoet gezienen, doch reeds voor de geboorte gesmoorden, Overrijsselschen Spoorweg, geacht, genoeg voor de aan hem toevertrouwde Provincie gedaan te hebben; al deed hij ook nimmer iets meer, dan dezelve met dien Spoorweg te begiftigen. Den tegenwoordigen uitstekende Gouverneur van Overijssel zal de voorgenomene kanalisatie van dat gewest, welke buiten twijfel gelukkiger lot, dan de beide ondernemingen, van welke wij zoo even gewaagden, zal treffen, eene kroon op het hoofd zetten van meer waarde, dan de ridderorden, waarmede hij is omhangen, de grootkruisen, waarmede de vriendschap van Vorsten hem nog zoude kunnen versieren. Voor onzen Gouverneur van Gelderland is eene niet minder schoone kroon bewaard. Moge het eenmaal gezegd worden, dat het bestier van den Heer Schimmelpenninck van der Oije door de wederopkomst van den Zeekant der Provincie gekenmerkt is! Zulks zoude dien landvoogd eene luister bijzetten schooner en duurzamer dan die, welke hij ontleent aan zijnen rang en eeretitelen, aan de hooge oudheid van zijn geslacht, aan zijne kostbare domijnen, aan zijne invloed en talenten.

hendrik van grietjen

Overveluws Weekblad Maart 1850.

 

Dit bericht was geplaatst in Verhalen bundel.

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Verplichte velden zijn gemarkeerd met *