De Woldbergen en de beide Reuze Pinken.

 

 

De Woldbergen en de beide Reuze Pinken.

( in de wandeling Riese Pinken en Grieze Pinken genaamd)

Of

Opmerkingen op eene togt van Elburg door

Hattem, langs de woldbergen, Oldebroek,

Doornspijk en Nunspeet.

 

Er ligt tusschen de Apeldoornsche Vaart en de Zuiderzee, tusschen Elspeet, Nunspeet, Heerde, Elburg en Hattem eene uitgebreide bergachtige streek, zoo merkwaardig als misschien eenig plekje op vaderlandschen bodem. Offersteden en heilige steenen van kolosale grootte, ziet men hier met zulke vreemde namen genoemd, dat ook de naam reeds op iets anders duidt, dan men van eenen eenvoudigen steen verwachten zoude. Komt men van Heerde, dan heeft men aanzienlijke bergen te beklimmen, eenmaal Woldbergen genaamd, eer men in dat dal nederdaalt, waar deze vreemde steenen liggen, die elk in de nabijheid eener bijzondere bron, op gelijken afstand van elkander liggen. Toen die Woldbergen nog eene Amerikaansche groenende bladzee gelijk waren en men slechts van den tepel of uit een der woudlichtingen dezelve kon overzien, moet het hier een heerlijk land zijn geweest. Honderdjarige eiken bedekten toen de grond, die, door geen wind of zon verdroogd, aan beken en bronnen haar aanzijn gaf in het dal der Reuze Pinken. Van het Udler meer af tot aan de Lapstreek, woonden de Nomadenvolken, die met hunne kudden de waterrijke en grasrijke rivier- en zeevlakten bezochten. Hier echter woonden zij in een donker overschaduwd dal, eenzaam en vrij. Op sommige plaatsen duidt de naam nog op iets hoogers, dan de verwachting van zulke tijden wel mogt wagen te veronderstellen, zoo niet tacitus ons zoo veel goeds van onze voorvaderen gezegd had.

De Hemelsche Berg, met nog zigtbare offersteden, wijst op eene godsdienst, die ook de onzienlijke dingen boven de ijdele zaken des levens. Gansch gelijk aan den Heiligen Berg onder Roekel, ook in de kringen [ uitgeholde cirkels ] die daar gevonden worden, mag hij in zijn verborgen schoot, ook nog eenige van die oudheden bewaren, die daar zoo menigvuldig gevonden worden. Merkwaardig is het ook, de plaats waar het voormalige klooster Hulsbergen stond, te bezoeken; van hier uit ging eenmaal het licht des geloofs op en werd door de eenvoudige vroomheid der vaderen, alhier woonachtig, lange tijd gevoed. Gelijk de lezer zien zal in het gunstig getuigenis dat van deze vaderen ons medegedeeld wordt.

De wandelaar op de Veluwsche heidevelden, die niet bang is voor wat zand in deze zandzeeën, helaas geen bladzeeën, neem nevensgaande reisverhalen van den heer Haasloop Werner mede; hij moge van Hattem of Elburg uitgaan, van Heerde, Elspeet of Nunspeet, zoo hij onder de Linde van Soerel ter neder zit, mag hij vrij uit den put een dronk koud water op onze gezondheid ledigen, wij belooven hem te gelegener tijd het zelfde te doen.

Nog jaren, ja eeuwen sta daar die sierlijke Linde, zijne schaduwen mogen menig eenvoudig Gelderschman overschaduwen, en hem toeroepen: blijf in het schoone land uwer vaderen, win uw brood eerlijk, en denk steeds, dat God voor oogen, regt in het hart en waarheid op de lippen, het karakter is van den brave man. Dit te zoeken is christen pligt, dit te vinden eene zaak des geloofs.

______

De blinkende zonnestralen schenen helder door de ramen mijner kamer en noodigden mij uit, om mijn voorgenomen uitstapje te volbrengen – Ik had dan ook weldra mijn ontbijt genuttigd, en mijn schetsboek- en aanteekeningsboek bij mij gestoken hebbende, stapte ik met mijne stok gewapend, vrolijk de Oostpoort van Elburg uit. Talrijke karren bedekten de weg en leverden een inderdaad schilderachtig gezigt op. Mannen, vrouwen en kinderen trokken met hunne have en goed, met kasten en kisten, met geiten, honden en schapen, kortom, met alles wat zij bezaten op Elburg aan – Voor een vreemdeling levert zulk een optogt een belangrijk gezicht op, en hij – die dezen trein volgt en ziet hoe dezelve aan de haven van Elburg, ( buiten de Zeepoort, thans Vischpoort ) halt houdt, alle meubels en huisraad ontlaadt, hoe ieder gezin op de kade het bivouac opslaat, en daar, omschanst door hunne kasten en kisten, zich als het ware te huis bevindt; hoe de moeders hare zuigelingen verzorgen, als waren zij beveiligd voor de oogen van iederen toeschouwer; hoe ieder huisgezin zich om eene kist verzamelt ten einde een kouden maaltijd te nuttigen – zoude zich in de warmere luchtstreken van Italië verplaatst meenen te zien, waar zoo vele Lazaroni hun leven onder den blooten hemel doorbrengen, of hij zoude in den waan verkeeren, dat hij eene afdeeling van die armoedige Duitschers zag, welke, door honger gedreven, hun vaderland verlaten, om te beproeven, of het vrije Amerika hun minder stiefmoederlijk zal behandelen.

Doch van dezelfde toneelen is hij een paar maanden later weder getuige: dan keeren zij allen uit de houtrijke provincie Drenthe terug, waar zij gedurende dien tijd werkzaam zijn geweest, om bosschen tot brandhout te hervormen.

Dikke_tinne

Door mijnen geleider vergezeld, vervolgde ik evenwel mijnen togt; te dikwerf was ik getuige geweest van zoodanige toonelen, dan dat ik daarom mijne oudheidkundige wandeling zoude vertragen, en het berigt dat er voor eenige jaren op de plaats van het voormalige klooster Hulsbergen, eene steenen doodskist en een merkwaardige grafsteen was opgedolven, trok mij te sterk voorwaarts, dan dat ik de houten kisten der verhuizers zoude volgen. – Wij bereikten dan ook weldra het kleine stadje Hattem ( Hattem komt in 1176 voor, onder de benaming van Godsberg; in 1299 onder die van oppida Mons Dei; in 1307 onder die van Godes Weerde dat Hattem to hetene plach, en in 1318 wordt Hattheym vermeld.) niet alleen als Godsberg merkwaardig in de Geldersche geschiedenis, maar ook wegens den, in 1404 aldaar gebouwde toren, aan het slot en zomerwoning van Hertog Reinold, waarvan het thans geheel gesloopte gebouw, muren had ter dikte van 25 voeten, op welk lustslot Catharine van Beieren, gemalin van Gelre, in 1400 door den dood verrast werd, en op welks toren zich eene ijzeren kooi bevond, die op en nedergelaten kon

kooi hattem

worden en waarin men de misdadigers opsloot. De kauw of kooi werd naar den vrijheer van Wassenaar, die ook hierin gevangen had gezeten, de Wassenaarskooi genoemd, waarin, onder anderen, ook in het jaar 1521 Willem van Deutichem, schout van Deventer, en Jan Croese, rentmeester van Sallannd, welke in een gevecht bij den door hun ondernomen strooptogt op de Veluwe te Aperloo gevangen genomen waren, als een paar wilde dieren opgesloten geweest zijn; – de ring, waaraan gemelde kooi heeft gehangen, wordt nog op het stadhuis vertoond, – behalve deze ring wordt er ook nog bewaard eene oude Romeinsche boei of stok, om misdadigers aan te sluiten, alsmede eene oude steenen doopvont uit het van ouds beroemde St. Anne Schuttersgild.

Bij het uitgaan der Homoetschepoort werden wij ook nog herinnerd aan de gebeurtenissen van 1672, ( toen de bisschop van Munster, met verlies van 700 man, zich van deze stad meester maakte en haar eerst het volgende jaar verliet ) door eenen steen, welke ter gedachtenis in de Homoetsche poort gemetseld, bewaard is, met het opschrift:

Der Franschen overmoed, heeft alles omgevroed,

Kasteele, poort en muur, door zwavelachtig vuur,

Maar d’Opperste van ’t heelal, beschermde stad en wal.

Anno 1672.

    Terwijl ik bezig was deze regels in mijn aanteekeningsboekje af te schrijven, zag ik iemand achter mij staan, die, ofschoon in eene boerenpij gehuld, mij nogthans toescheen een man te zijn met een goed menschenverstand begaafd, welke mij met eenen spoyachtigen glimlach aanzag en mij toevoegde: “Ei, ei! Ik zie wel, mijnheer is hier vreemd en ook al een van die zoo als de Dominé te Hemmen, die behagen schept in oude dingen voor ons en het nageslacht op te zamelen en aan eene oude munt tiendubbele waarde hechten – Ja, maar dan moet mijnheer hier eens zien ( op het naburige weiland naar den IJssel wijzende) , dit is nog wat ouds en wat moois en een aardig hapje voor de Hattemer burgers; ik bedoel hier deze uitgestrekte weilanden, een lap gronds van 360 morgen groot, en een eigendom der ingezetenen, in gemeenschap gebruikt wordende; dezelve wordt de Homoetsche genoemd, van waar deze poort zijn naam ontleent; doch ook als Hoenweerd is dezelve bekend, en zoo als ik mij wel eens heb laten vertellen zoude deze benaming afkomstig zijn van de Hunnen of Hunnenweerd, welke in 1431 door den Hertog Willen van Gelre aan de burgers, uit erkentelijkheid wegens dapperheid en aan hem bewezen diensten, geschonken is. Dezelve is in scharen voor ééne koe op de huizen verdeeld en het bestuur daarvan aan vijf belanghebbenden opgedragen. Hare waarde wordt thans geschat op f 240.000 guldens en, volgens de berekening van een edel en achtbaar ingezetene alhier, zoude deze waarde mog met 180.000guldens kunnen vermeerderen, wanneer men tot eene verdeeling overging, waartoe men thans meer dan vroeger geneigd schijnt. Wanneer dan dit plan van verdeeling doorgaat en men de hoogste deelen van weiland tot bouwland zal maken, dan zullen er nog wel eenige Hunnepotjes en scherven voor den dag komen voor de liefhebbers.

Nu vroegen wij hem naar het klooster Hulsbergen, waarheen wij voornemens waren te gaan. “Ha! Ha!” zeide hij, “dat is een kolfje naar uw hand en ik hoor het wel! De heeren hebben eerst de kaart bestudeerd alvorens op reis te gaan; van dit klooster weet ik echter geene bijzonderheden te vertellen, maar ik heb in die buurt een ouden vriend, die ook meer weet dan plat Geldersch, een man van zeer gevorderde leeftijd, die zijnen leuningstoel niet meer verlaat en dus niet in staat is om u op de plaats alles aan te wijzen, doch nog zeer goed zijn geheugen en heel veel met die oude dingen opheeft; deze zal uw alle gewenschte inlichtingen kunnen geven. Ik heb het op dit oogenblik niet heel druk, de afstand is slechts een klein uurs gaans, indien gij wilt zal ik u derwaarts geleiden en ook op de plaats van het voormalig klooster brengen.” Zoo pratende volgden wij zijn geleide, in de blijde hoop om bij zijnen ouden vriend het wetenwaardigste van het klooster Hulsbergen en deszelfs bewoners, de broeders des gemeenen levens, te zullen vernemen.

Hij geleidde ons van den grooten weg over een pad tusschen moestuinen, over den zoogenaamden Veendijk, langs het kerkhof aan de veenen, waar tegenwoordig aan de hellingen der heuvelhoogten, van nabij en op verre afstand, de koeijen van Hattems buitenlieden een schraal voedsel zoeken en vroegere bewoners slechts heuvels en bergen kenden, met eiken en mastbosschen bedekt, doch waar thans alle lommer geweken is en niet één boompje, niet ééne treurwilg of treuresch, zoo eigenaardig bij het verblijf der dooden, gevonden wordt, Slechts met een goed onderhouden lat-en paalwerk omsloten, ligt hier die treurige wijkplaats midden op een woesten heuvel neergeworpen, op welk stil verblijf het geloei der hongerige koeijen en het ruischen der winden wordt vernomen. Vervolgens naderen wij allengs een meer bekoorlijk landschap en hadden vóór ons de rijzige en statige boomgewassen van den Heesberg, den Belt en der kloostererven, vóór welke men de roode pannendaken der papierfabriek van den heer van Gerrevink, met eenen afzonderlijk staanden kolosalen schoorsteen ziet, uit welken gewoonlijk een witte damp opstijgt en eene schilderachtige verscheidenheid aan dit tafereel toebrengt; daar tusschen in, welig opschietende akkermaals bosschen en hier en daar eene enkele groep van hooger en zwaarder geboomte. In het verschiet den Wapenvelder molen, in welks nabijheid in korte jaren eene geheele buurt van huizen verezen is, en eenige weinige boerenwoningen, over de ruimte en langs het Grift-kanaal verspreid, toonden ons de verblijfplaats aan der nijvere menschen, die hier den grond bebouwden of in gemelde fabrijk werkzaam zijn; dan de eindpaal onzer reis naderende, werd het aangename eenizins verminderd door de benaauwde lucht, welke die witte uit den gemelden schoorsteen, rondom zich verspreidt en mij aan Nordhausen en Saksisch Pruissen herinnerde, waar de geheele omtrek met eene zoodanige zwavelzure lucht bezwangerd is.

“ Nu, links uit de flank – links om!” zeide onze geleider, die toonen wilde dat hij bij de schutterij gediend had, en zijn kommando opvolgende, betraden wij eene soort van Vlietberg, op welke eene deftige boerenwoning en bijbehoorende gebouwen gelegen zijn. – “ Eerbied voor dien gewijden grond! Meer eerbied dan de bewoners dezer hofstede hem betoonen!” en dit zeide onze geleider met een gelaat, waarop wij niet wisten of spotzucht of ernst te lezen stond. “ Aanschouw die zerk [ op eenen grooten blaauwen steen wijzende, welke voor den ingang der woning gelegen is, waarop een menschelijke geraamte staat uitgehouwen, hebbende in ieder hand een zwaard, kruislings voor de borst en de buitenrand met Oud-Duitsche letters voorzien, gedeeltelijk afgesleten en onleesbaar, slechts de naam van den doode is nog zigtbaar en zooveel wij er van konden ontcijferen lazen wij: “ Gijsbrecht van Dortrecht dubbeld Pelgrim van Hierusalem,” etc. – De vriendelijke bewoonster van de kloostererve, welke hare arbeid verliet en zich naar ons begaf, verhaalde ons, dat voor weinige jaren, bij het graven van het Grift-kanaal, deze steen met nog een soortgelijken, van dezelfde grootte, welke ook vroeger voor het huis gelegen had en haar te veel werk verschafte om die schoon te houden, thans op haar verzoek aan den landheer, binnen ’s huis lag in het Klosster-kerkhof opgedolven waren. “Deze steen,” zeide onze geleider, “lag weleer op de rustplaats van de overblijfsels van een overste des kloosters, op welks grond gij staat en, zoo gij straks bij mijnen ouden vriend komt, raad ik u in ernst aan, deze waarheid niet in twijfel te trekken, want, daar nu eenmaal een der kloosterlingen in eenen reuk van heiligheid gestorven is, wil hij met kracht en geweld ook reliquiën van hem vertoonen. Eene steenen doodskist met eenige geprepareerde doodshoofden, waarvan de tanden aan koperdraad geregen en met looden plaatjes aan het bekkeneel bevestigd waren, is mede destijds hier opgedolven en de steenen doodskist voor een varkenstrog gebruikt; doch dit laatste wilde onze vriendelijke bewoonster niet gezegd hebben en verklaarde, te veel eerbied voor den dooden te gevoelen, dan dat zij zich aan dusdanig heiligschennis zouden schuldig maken, en zeide, dat men deze kist met den geheelen inhoud, weder in den grond gegraven had. – Hierop verhaalde zij ons, dat men in April 1841, bij gelegenheid van het graven van eenen kelder, onder de erve waar vroeger de irfirmerie van het klooster gestaan heeft, gevonden had een aantal zoo heele als halve zoogenaamde Leeuwendaalders van de jaren 1614, 1615 en 1616, ten bedrage van f 22.625, waarvan zij ons nog eene heele en eene halve vertoonde. ( De aldaar gevonden munten kunnen dus niet van het klooster zijn, want zij zijn eerst in 1616 gemunt, toen zeker het klooster niet meer bestond. Het zijn Leeuwendalers, eenige heelen en halven; van de heelen vindt men er ook van 1646. Ze behooren tot de Geldersche munten. Zie Verkade, Muntboek, pl.11, no.2 en 5.)

 

Nadat wij deze klooster-erven verlaten en omtrent een vierde uur met onzen vrolijke begeleider hadden voortgewandeld, stonden wij voor de nederige woning stil; bij het binnentreden zagen wij eenen, 80jarige grijsaard, welke ons zoodra niet zag binnentreden, of hij strekte zijne uitgeteerde hand onze geleider ter welkomst te gemoet, terwijl hij ons tevens verzocht plaats te nemen. – Nu verhaalde de landman aan de grijsaard, waarmede hij ons had verrast, welk een uitstapje hij met ons had gemaakt, en schilderde onze verontwaardiging bij het zien ontheiligen der gewijde overblijfsels van het klooster met sterkere kleuren, dan hij naar  waarheid konde doen, want toenmaals werd onze aandacht bijna evenzeer bepaald bij de gewaande of wezenlijke geestvervoering van den spreker, als bij de zoogenoemde ontheiliging der gewijde overblijfsels. Spoedig echter ontwaarden wij met welk een oogmerk onze slimme snaak zulk een overdreven tafereel van onzen afschuw ophing, want op eens schitterden in de oogen van den grijsaard een jeugdig vuur, hij drukte met zijne hand de onze, even als had hij op eenen togt door de woestijn een reisgenoot gevonden, welke hem kon verstaan en tot hem spreken en toen hij ons verlangen hoorde om van het klooster iets naders te mogen weten, ontsloot hij een klein blaauw, met roode randjes geverwd houten hangkastje, nevens zich aan den muur, haalde er een geschrift uit en stelde het ons ter hand met de woorden: ziedaar, neem dit, uit mijn geringe nalatenschap is het het kostbaarste, doch voor mijne erven heeft het geene waarde. Wij drukten den grijsaard de hand, wenschten hem, dat eenmaal zijn einde kalm en rustig mogt wezen. Uitgeleid door hem, die ons had geleid, doch die verstandig zijn naam en woonplaats weigerde te openbaren, vervolgden wij onzen weg naar den kant der heide.

Zoo als te begrijpen is, brandden wij van nieuwsgierigheid om te weten wat het ons ter hand gestelde papier behelsde; wij plaatsen ons op een verheven plekje gronds, onder de schaduw van eenen boom, wikkelden het geschrift uit den driedubbelden omslag, die het voor rook, stof en insekten had bewaard, en lazen het navolgende. U leest dit in het volgende verhaal.

H.G. Haasloop Werner.

Geldersche Volksalmanak 1844.

hendrik van grietjen

 

 

 

Dit bericht was geplaatst in H.G. Haasloop Werner..

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Verplichte velden zijn gemarkeerd met *