De zwarte vrouw van Staverden

 

 

 

De zwarte vrouw van Staverden.

 

Het was een gure avond in de late herfst. In de lucht, die een onstuimige groene zee geleek, zeilden vreemde donkere wolkschepen van wondere gedaante. Een onrustige groene schemering dwaalde om Staverdens Pauwenburcht en legde al maar donkere onzekerheid om de muren en de torenkolossen. Tussen twee rukwinden werd een angstige schreeuw van een witte pauw meegevoerd in het bos. De poortwachter zat suffig te peinzen over ongeziene dingen, toen er schuchter op de poort geklopt werd.

De wachter schuifelde traag naar het kijkgat en zag een jonge vrouw geheel in het zwart gekleed, die smeekte om bij de burchtvrouw te worden toegelaten. Toen de deur open ging, sloop de onzekere schemering met haar mee naar binnen en nadat de wachter haar in een klein vertrek had gelaten, viel ze daar van vermoeienis en uitputting op een bank neer, waar ze stil begon te snikken. De voetstappen van de wachter verloren zich in de gangen.

Eleonora, hertog Reinolds echtgenote, opende de deur en bleef sprakeloos op de drempel staan, niet wetend wat dit bezoek beduiden kon, totdat de ongelukkige jonge vrouw smekend het hoofd tot haar ophief en zij haar pete – en voedsterkind herkende. Nader tredend vroeg ze angstig: “Kind, wat is er gebeurd, dat je in een dergelijke toestand hier komt?” – “O moeder,” snikte zachtjes de ongelukkige Leonora. “Helaas! Mijn eigen moeder was mij een vreemde. Ik kom u om een toevlucht smeken.”

“Kind,” sprak de burchtvrouw, terwijl ook zij begon te huilen en Leonora kuste, “daarom hoef je toch niet te smeken. Mijn huis staat immers voor je open, al is het ook nog zoveel jaren geleden dat wij elkaar zagen.”

Terwijl de bediende een ijzeren luchter, waarin twee kaarsen brandden, stil op tafel zette, was de onzekere schemering geweken. “Vertel mij toch, wat is de oorzaak van deze grote smart, je maakt me bang,” sprak de hertogin. Zacht klaagde Leonora nu haar leed uit aan de borst van haar pleegmoeder.

“U weet,”snikte zij, ‘hoeveel mijn ouders tegen hadden op mijn verloving met heer Herman en hoe ze mij die gehate Zweder van Wisch opdrongen. Bij het sterfbed van mijn moeder moest ik beloven die wreedaard te zullen huwen en ik werd helaas zijn bruid, maar mijn droef hart ging immer uit naar Herman. Het huwelijk met Zweder verschoof ik telkens – in de hoop dat er een gunstiger dag voor mij mocht aanbreken. Veel nachten doorwaakte ik schreiende. Altijd verwachtte ik, Herman nog te zien terugkeren. O, ik had hem wel willen gaan zoeken, had ik slechts geweten in welke richting ik gaan moest.”

“Inmiddels begon Zweder dat uitstellen te mishagen en hij zond een bende onder Diebald om Kasteel de Wildenborch en mij op te eisen. Er was hem meer aan Kasteel Wildenborch dan aan mij gelegen, dat had ik al snel in de gaten. Diebald sloeg het beleg om het kasteel en onze bezetting verdedigde het met grote dapperheid; maar tenslotte zouden wij ons moeten overgeven, wijl onze voorraad leeftocht uitgeput raakte.”

“ ’t Gebeurde op een ochtend, terwijl ik in mijn vertrek Jezus om uitkomst bad, dat mijn gebed werd verstoord door een groot vreselijk rumoer. Er gingen mij velerlei gedachten door het hoofd. Snel haastte ik mij naar het binnenplein en zag daar tot mijn schrik een zwaar bewapende ridder met klein gevolg. Ik dacht dat het Zweder was, die de burcht reeds bemachtigd had. Ik treed hem nader en bevend van angst val ik hem voor de voeten.” “ Heer”, zeg ik, “neem de burcht en mij, maar ik bid u, spaar mijn dappere mannen.” “Bij alle heiligen zo zij het,” hoor ik hem antwoorden. Maar ge kunt begrijpen hoe groot mijn vreugde was toen die kloeke ridder het vizier opsloeg en ik mijn Herman herkende. Hij had met zijne kleine ruiterbende Diebald en de zijnen verjaagd en ons ontzet. Mijn mannen droegen hem onder gejuig de zaal binnen. Dat was een onvergetelijke dag. Ik zond u een bode van wie u zult vernomen hebben dat Herman en ik heel kort daarop met elkaar trouwden.”

“Mijn gehavend kasteel en mijn uitgeputte bedienden stemden niet tot uitbundige vreugde, dus bleef het bij een klein feest van meer huiselijke aard. Wellicht hebt u het mij kwalijk genomen dat ik u niet uitgenodigd heb. Geloof me, als ik iemand had uitgenodigd, was dat u in de eerste plaats geweest, maar wat zal men feesten bij puinhopen en een lege provisiekelder.”

staverden

“Niettemin, wij waren zeer gelukkig. Helaas het zou maar kort van duur zijn. Vorige week ging Herman op jacht, slechts een paar knapen vergezelde hem. Ik wachtte op hem bij het middagmaal. Het werd zo laat, zo vreselijk laat. Mijn hart had de hele dag iets angstigs geweten, en toen hij niet op de afgesproken tijd thuis kwam, voelde ik dat er iets ontzettends gebeurd moest zijn.”

Leonora’s smart barste op eens zo hevig uit, dat het geruime tijd duurde aleer ze haar verhaal vervolgen kon. Toen ze wat uitgehuild was ging ze voort:

“ ’s Avonds in het donker zag ik door het bos fakkels naderen. Ze droegen hem op een baar van takken. Een bende moordenaars, heimelijk aangevoerd door Zweder, had hen in het woud overvallen en Herman onverwachts met een speer ruggelings doorboord. Hij leefde nog toen ik hem in mijn armen sloot, prevelend noemde hij mijn naam, als laatste vaarwel…en stierf. Ik schijn wel onder een zeer noodlottig gesternte geboren. Mijn leven is in jammer voorbijgegaan en ik voel dat deze gebeurtenis de genadestoot is voor dit arm gepijnigd hart.”

“De volgende dag al was Zweder voor de poort, om Kasteel de Wildenborch op te eisen. Wat waarde hechtte ik aan mijn leven en mijn burcht. Mijn smart was al te groot. Het slot, nog niet geheel hersteld na het laatste beleg, had toch ook niet veel weerstand kunnen bieden. Zweder trad er op als heer en meester. ’s Avonds van diezelfde dag liet hij mijn lieve Herman reeds begraven. Ik moest te paard de rouwstoet volgen.”

“ Maar toen men de terugweg zou aanvangen, werd mijn hart van zulk een oproerig verzet tegen de dwingeland bevangen, dat ik van mijn paard sprong, inderhaast een handvol zand van Hermans graf nam en in allerijl hierheen vluchtte. Dagelang doolde ik in regen en kou over de Veluwe. Ik bad de goede God, bij u een veilig toevlucht te mogen vinden. Ach, ware ik eigenlijk maar omgekomen. Ik kan het leven niet meer dragen. Het is erger dan de dood.”

Hier eindigde zij haar droef verhaal. De goede hertogin vermocht haar niet te troosten. Haar laatste levensdagen sleet Leonora op Kasteel Staverden, het waren er niet vele. Haar jong leven was zozeer verwoest dat het al snel verkwijnde en op een grijze morgen groef haar een stil grafonder de oude bomen achter het slot. Die plek heet nog Leonora’s Poll. Dikwijls zag men haar geest daar ’s nachts nog klagend rondwaren, of zand nemen van Hermans graf. En wie in het duister de zwarte vrouw van Staverden in het slepend rouwgewaad ontmoet, gaat anstig en diep bewogen terzijde, om haar voorbij te laten.

XXXXX

Gust. Van de Wall Perné 1921

www.beleven.org

 

 

Dit bericht was geplaatst in Verhalen bundel.

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Verplichte velden zijn gemarkeerd met *