Deserteurs en vechtpartijen.

Deserteurs en vechtpartijen.

 

 De werving geschiedde op uitgebreide schaal,zowel in Nederland als daar buiten. Dagelijks kwamen er vreemdelingen aan,om zich te verbinden.

   De werving was een zeer winstgevend bedrijf,want het mes sneed aan twee kanten.

  1. Ontving de werver de aanbrengpremie:
  2. Genoot hij van den koloniaal,wanneer deze zijn handgeld ontving,een flinke beloning:
  3. Bedacht de herbergier,voor wien hij werkte,hem goed.

   Dubbel winstgevend werd de affaire,als de werver den aangeworvene behulpzaam was bij diens vooraf beraamde desertie. Dan werd de man voor de tweede maal onder een andere naam voor den Indischen dienst geëngageerd en genoot dus ook voor den tweeden keer handgeld (f 300,- ).

   Het is te begrijpen, dat er niet genoeg Nederlanders aankwamen tot versterking van’t Indische leger en dat er bij gevolg dikwijls zeer veel buitenlanders werden aangenomen.Maatregelen werden dan ook getroffen,om de werving in het buitenland tegen te gaan,doch sluwe wervers,tuk op winst,wisten wel te ontkomen aan’t speurend oog der politie.Een bekend werver uit die dagen was een zekere Vignix. De man was in’t bezit van een volledig stel “valse papieren”,die het mogelijk maakten,dat aardschelmen voor knappe jongelui doorgingen en alzo ene verbintenis konden aangaan. De Belgische regering verzocht zijne uitlevering. Er waren zelfs vrouwen,die als werfster optraden.

   Zo presenteerde zich in de maand Januari  1876 op het bureau van den commandant(Wilhelmi) ene Belgische dame uit Charleroi. Zij was met drie flinke jongens hierheen gekomen en smaakte de voldoening,dat ze alle drie werden goedgekeurd en aangenomen.Deze dame nam haar intrek in een hotel hier ter stede en heeft nog vele malen manschappen aangebracht.

   Overigens is het meermalen voorgekomen,dat vriendinnen of echtgenoten de vreemdelingen vergezelden tot Harderwijk en daar met succes medewerkten aan ontvluchting,natuurlijk met medeneming van het handgeld.

   Onder de nieuw aangekomenen waren vele van het Nederlandse leger. Dit was in die mate het geval,dat b.v. in 1874 bij de toen in Utrecht gelegerde veldartillerie elf kanonniers als korporaal moesten dienstdoen en ternauwernood één batterij van vijf kon worden voltallig gemaakt. In dat zelfde jaar-niet het drukste- werden 2200 personen in de infirmerie voor den Indischen dienst gekeurd,terwijl er 699 personen uit Indië repatrieerden.

   Deze terugkerenden bleven hier in de kazerne vertoeven tot hun definitief ontslag uit den militairen dienst. Kooplieden in gemaakte kleding hadden het er goed mee,terwijl daarenboven vele inwoners een middel van bestaan vonden in het houden van kostgangers.Kwam er zo’n transport uit Indië aan,dan werden de bruin gekleurde veteranen allerhartelijks door hunne krijgsmakkers ontvangen.Met muziek van het Werfdepôt werden zij afgehaald en aan belangstelling van de zijde van’t publiek ontbrak het niet. Vooral opgeschoten jongens wilden getuigen zijn van die vrolijke intocht. Pakjesdragers maakten goede zaken.Jammer dat de goede orde dikwijls werd verstoord;niet door de kolonialen,o nee; maar in de meeste gevallen door een bende van brooddronken lummels,belust op een vechtpartij. Zo gebeurde het, dat ten aanschouwe van rustige wandelaars, op Zondagmiddag op den Stationsweg herhaalde malen een gevecht werd geleverd,waarbij”burgers”(zegge vechtersbazen)en kolonialen in den Sijpel terecht kwamen,of,achtervolgd,de vlucht namen over het wei- of bouwland.

   Moest dat nu de ontvangst zijn van mannen,die daarginds in het schone Insulinde hebben geleden en gestreden voor de belangen van het dierbaar Vaderland? Na jaren scheidens verheugden zij zich met popelend hart in een vrolijk wederzien en zie,nauw heeft hun voet den Vaderlandse bodem betreden,of zij staan bloot aan de meest grievende beledigingen.

   Dit ter weerlegging van de bewering,dat van al de toen plaats gehad hebbende ongeregeldheden,steeds de kolonialen de schuld droegen. Een enkel voorbeeld ter illustratie.

   Een aantal manschappen,onder bevel van een sergeant,marcheerde vrolijk en welgemoed van het station naar de stad.Op de hoek van de weg (bij de tuin van dhr.Gerhard )overzag de sergeant de troep,en bemerkte dat die wat ongeregeld liep. Als verantwoordelijk persoon voor de goede orde,maande hij zijn soldaten aan, in gesloten rijen van vier voort te lopen,toen eensklaps een stem uit een volkshoop riep: “Soldaten,laat je niet mishandelen!”Daarop volgden kreten van:”Gooit hem in de sloot!” “Pakt hem aan!” En weldra kwam het tot handtastelijkheden. De onderofficier kreeg met een stalen tabaksdoos een slag tegen ’t hoofd. Deze, voor geen kleintje vervaard trok zijn sabel en hield daarmede,links en rechts klappen uitdelend, de rustverstoorders op een afstand. De manschappen stonden hun geleider trouw bij: zodat verscheidene aanranders naar alle richtingen wegvluchten. Eerst bij de Diepe Gracht, toen de politie kwam opdagen en een patrouille verscheen,keerde de goede orde terug. Maar de koopvrouwen en kooplieden, die destijds bij de Diepe Gracht hun gerookte bot en suikergoed aan de voorbijgangers te koop aanboden,hadden uit voorzorg zich met hunne koopwaren bereids verwijderd.

   ’t Zou anders geen verwondering hebben gebaard,als de gehele uitstalling te water was geraakt. Dit geval had plaats op een zondagmiddag. Juist op dien dag was de Stationsweg het toneel van die roezemoezige drukte,waarvan de jongeren zich geen denkbeeld kunnen vormen.De omstandigheid,dat er toen in de wachtkamer van het station sterken drank was te verkrijgen waarvan velen misbruik maakten,leidde tot zeer veel rumoer en vechtpartijen.

   Bij ’t vertrek van een transport kolonialen- toen gemiddeld ter sterkte van 100 á 150 man-was de belangstelling niet minder groot,zowel in den zomer als des winters.Heel in de vroegte geschiedde dat.Hier waren ’t alweer brooddronken lummels,die hun slag sloegen.’s Avonds tevoren vulden ze een half flesje met pompwater,sloten de hals met een dikke kurk en sneden deze zo kort mogelijk af, zodat slechts met behulp van een kurketrekker de fles kon worden geopend. Aldus gewapend voegden zij zich bij de vertrekkende soldaten en trachtten deze zo’n flesje te verkopen tegen de prijs van een “florijn”.Dit lukte maar al wel. De bedrogen koper,die vast meende,wat “Jan doedel”in zijn “spekzak” te hebben geborgen,kwam natuurlijk tot de nuchtere wetenschap, dat men hem pompcognac had verkocht. De bedriegers kozen onmiddellijk het hazenpad.

   Wie mocht menen,dat de bevolking van Harderwijk in die dagen moet worden beoordeeld naar’t gedrag van die enkele bedriegers,legt een verkeerde maatstaf aan.Het gros der bevolking liet zich met dergelijke praktijken niet in,waar allerwegen was,een stuk brood te verdienen.

   Vermeld dient de grote eerlijkheid van den stadsarbeider van Bijsteren,vader van een talrijk gezin,die in den nacht van 23 op 24 October 1875 een pakje vond,inhoudende drie bankbiljetten elk van 25 gulden en 2 muntbiljetten,elk van f 10,-.

   De man stelde het bedrag onmiddellijk aan de politie ter hand.

XXXXXXX

 

Dit bericht was geplaatst in Verhalen bundel.

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Verplichte velden zijn gemarkeerd met *