Dit is Gods vinger

 

 

Dit is Gods vinger!

 

Na het twaalfjarig bestand, dat zooals ge weet in 1621 eindigde werd de oorlog onzerzijds met geringe inspanning voortgezet en daarom met weinig voordeel gevoerd.

Prins Maurits roem taande.

Hij was sedert lang lijdende en daardoor gebroken van kracht, zoodat ook hij niet meer ontwikkelde, de energie hem vroeger zoo eigen.

De Staten onthielden hem de gelden, noodig tot de uitvoering zijner plannen, bovendien werd hij in zijne beweging belemmerd door de wel onderdrukte maar daarom niet gebroken macht zijner tegenstanders, die zich weer langzamerhand meer deden gelden.

Van deze aangelegenheden meenden de Spanjaarden partij te kunnen trekken. Door een stoutmoedigen inval in Gelderland hoopten ze de Veluwe te veroveren en daaruit verder Utrecht en Holland weder te bemachtigen.

Tot aanvoerder werd benoemd Graaf Hendrik van den Berg, wiens vader, een karakterloos man, zwager van Willem van Oranje, reeds spoedig na den aanvang van den tachtigjarigen oorlog op verradelijke wijze naar den vijand was overgeloopen. Moeielijk had men eene gelukkiger keuze kunnen doen.

Immers Graaf Hendrik was een Geldersche man. Zijne bezittingen lagen voor een groot deel binnen de grenzen van dit gewest. Hij was de neef van prins Maurits en zóó aan Oranje verwant, daarbij was hij een zeer beminnelijk en voorkomend mensch.

De Spanjaarden dachten dan ook niet anders of alle ontevredenen in Gelderland zouden in hem hun redder zien en hem met open armen ontvangen. De inval was dus goed voorbereid. In Januarimaand van het jaar 1624 – het winterde geducht – werd in de omstreken van Wesel een legertje bijeen gebracht. Dat leger zou echter de voorgenomen tocht geheel doen mislukken.

Het was niet veel meer dan een havelooze bende, een troep van ’t laagste gespuis, schelmen en schavuiten. Inderdaad, een leger een man als Graaf Hendrik onwaardig.

1621

Na eerst de Graafschap van Gelderland te hebben afgeloopen kwam de Graaf bij Bronkhorst voor den IJsel. Was men die rivier over dan lag gansch de Veluwe voor hem open. En de overtocht zou, zoo dacht hij, zonder bezwaren kunnen geschieden. Het had toch zoo lang reeds fel gevroren. Bitter werd hij teleurgesteld.

De onzen waren op hunne hoede geweest en hadden overal het ijs stuk gehakt. Onverrichter zake moest hij verder trekken. Doch zie – bij Dieren vond hij een 14 à 15 voet breede strook, die niet gebijt was.

Richter van Essen, had verzuimd de boeren van Ede en Barneveld, aan wie de bewaking van dit gedeelte was toevertrouwd, tijdig te waarschuwen.

Had de heer van Marquette, aan wien Prins Maurits de verdediging van den IJsel opgedragen had, zich getrouw van deze opdracht gekweten – dan nog ware de vijand de overtocht gemakkelijk belet. Marquette verzaakte echter op schandelijke wijze zijn plicht. Hij heulde met de Spanjaarden en “ zoo is daer niet eenen mensche gevonden, die hem tegenstant ghedaen heeft, met geweer of wapen, niet een eenigh man heeft zich vertoont, nog eenige scheute op haar gedaen”.

Graaf Hendrik bereikte veilig over het ijspad de overzijde en dacht nu voorloopig zijn intrek te nemen in het huis van den voormaligen Commandeur der Duitsche orde, het Huis in Dieren. De voorloopers van zijn troepen waren hem echter voor geweest. Ze hadden het schoone gebouw totaal leeggeplunderd. In de prachtige zalen was alles wat niet meegenomen kon worden stukgeslagen en vernield, ja zelfs hadden ze den huisbewaarder en zijn gezin de kleeren aan het lijf niet laten houden.

Alle krijgstucht was ten eenemale geweken. Graaf Hendrik verleende wel aan ieder die er om vroeg vrijgeleide, maar waarschuwde de lieden meteen op dat vrijgeleide maar niet te veel te rekenen, daar zijne manschappen naar zijn bevelen niet luisterden.

Een roversbende was het, die in den strengen winter van 1624 de Veluwe binnen trok.

Echt mooi tekent Baudartius het verkleumde leger, als hij zegt:

“ Wat sij dansten en sprongen, sij en konden, de koude niet van het lijf dansen of schudden, haerer veele sijn het wel ghewaer gheworden, want eer sij weer terugghe uijt de Veelau geraeckten, waren der al veel soldaten, die de handen en voeten soo vervroosen waren, jae haer gantsch lichaem soo stijf van koude, dat sij haer niet verweeren en konden, jae, eenighe sijn van koude dood gebleven, want offer schoon houts ghenough in de Veelau is te bekomen, so en conden haer die menschen niet verwarmen, insonderheijdt dieghene, die dach en nacht onder den blaewen hemel moesten blijven met het gheweere in de hant, ofte die des nachts in een hutgen schuijlden”.

Geen wonder dat de Veluwsche steden hunne poorten voor zulk een woeste horde gesloten hielden.

Voortdurend was de burgerij onder de wapens en werd de wacht bij de stadspoorten betrokken. De grachten werden behoorlijk gebijt en de wallen waren, door ze voortdurend met water te begieten in spiegelgladde ijsbanen verkeerd.

Het platteland had elevel meer te verduren. De heer Van Deelen, wiens grootvader we uit de geschiedenis van Harderwijk leerden kennen, lag ziek te bed. Toen hij vernam dat eene vijandelijke afdeling zijn eenzaam gelegen hof naderde, wilde hij zich door de vlucht redden. Zijn huifkar werd evenwel door eenige rondzwervende soldaten aangehouden, die hem van alles, van kleeding en dek beroofden en hem ’s nachts op het veld lieten liggen. Door boeren uit den omtrek werd hij gevonden en eerst naar Dieren en later naar Arnhem gebracht, waar hij spoedig aan de gevolgen van de doorgestane mishandeling overleed.

De heer Van Roosendaal had zijn kasteel zoo goed versterkt, dat de plunderaars er maar zoo niet binnen konden komen. Een van hen vroeg den portier voor wien de heer Van Roosendaal zijn kasteel bewaarde. “ Voor zichzelf” werd hem geantwoord. Daarop werd in naam van Graaf Hendrik geëischt, dat men de poort openen zou; hem werd geantwoord, dat Zijne Excellentie nog een dag of vier geduld hebben moest. Men verwachtte namelijk, dat de Spanjaarden binnenkort zouden moeten aftrekken òf omdat het leger der Staten hen verdrijven zou, òf omdat het dooi weer werd en de vijand dus vóór de ijsbrug over den IJsel gesmolten was weer aan den overkant zijn moest.

Op zondag 18 Februari kwam het Spaansche leger voor Arnhem; een tweetal schoten werd er op de stad gelost, waarop met negen schoten geantwoord werd; het vijandelijke leger trok daarop af zonder een ernstigen aanval beproefd te hebben. Nog dienzelfden Zondag verschenen de Spanjaarden in Ede. Hier en in de bij dat dorp gelegen buurtschap Veldhuizen werd door den vijand schandelijk huisgehouden. Men drong de woningen binnen, sloeg kasten en kisten open en nam wat men het meenemen waard vond. Op schandelijke wijze werden de arme dorpelingen mishandeld en gedwongen de plaats te wijzen waar ze geld of kostbaarheden verborgen hadden. Als eindelijk genoeg gestolen en vernield was, werd de woning in brand gestoken en elders nieuwe buit gezocht.

Een troep van deze vandalen drong het kasteel Kernheim binnen en plunderde of vernielde ook daar wat los en vast was. In de kelders van het kasteel werden de wijnvaten stuk geslagen en de kostelijke drank met volle teugen naar binnen geslagen. Anderen hebben koeien en varkens uit de stallen gehaald en zijn bezig die boven groote vuren aan het spit te braden. Het getier en gevloek der beschonken soldaten mengt zich met de wanhoopskreten der deerlijk mishandelde burgers en boeren, die ieder oogenblik den dood wachtende zijn. Als uiteindelijk de avond valt liggen zestien woningen onder Ede en zeven boerderijen onder Veldhuizen in asch. Doch zie, als in de benauwdheid het gebed opklimt voor den troon de Heeren dan is de uitkomst nabij.

Plots verstomt het gejoel.

Een beving grijpt de Spanjaarden aan. Een beving Gods – als in Jonathans dagen, toen hij uittoog tegen de Filstijnen bezetting. Uit de verte klinken hen de tonen eener horen in de ooren.

Het Prinsenlied – Het Wilhelmus van Nassauwe.

In hunne verbeelding zien ze aanrukken Prins Maurits met het Statenleger.

Ze hooren het hoefgetrappel reeds naderen en half bedwelmd door de uitspattingen van den vervlogen dag slaan ze op de vlucht. Een woeste, wilde vlucht.

Ze gunnen zich geen tijd om de gestolen goederen mee te nemen; velen werpen zelfs hunne wapenen weg om sneller te kunnen vluchten. Eerst bij de Ginkel gelukte het den Graaf zijn troepen tot staan te brengen. Een vreeselijke nacht brachten de vluchtelingen op die kale heide door. De koude was zoo vinnig, dat velen hunner het met de dood moesten bekoopen.

En Prins Maurits en het Statenleger?

Prins Maurits was verre en van het Statenleger was geen man te zien. Neen.

Een jager van ’t Huis Harsloe bij Bennekom keerde in den laten avond terug van de jacht. Onwetend van hetgeen dien dag was voorgevallen, zet hij zijn jachthoorn aan den mond en blaast lustig het Wilhelmus. In den stillen nacht weerklonken de tonen door bosch en veld en vervulden de Spanjaarden met schrik.

Is het wonder dat de eenvoudige landman en de stille dorpsbewoner in deze wondere verlossing Gods vinger zagen en zeiden:

“ Dit is van den Heere Geschied!” en dat op den vast – en danckseggingsdach den 25 Februari uitgeschreven van heeler harte kon gezongen worden:

       Dies weest in Godt verblyt

Al die Godtsalich zijt;

   Prijst en viert al te saem

         Des Heeren Heiligen Naem.

            End` eer ghebendijt. ( Ps. 97 ).

Immers den 21 Febr. Viel de dooi in en was Graaf Van den Berg genoodzaakt de Veluwe te verlaten.

*********

 

Dit bericht was geplaatst in Verhalen bundel.

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Verplichte velden zijn gemarkeerd met *