Dreigende schaduwen hoofdstuk 12

 

 

 Hoofdstuk 12

Dreigende schaduwen

Wijmpien sloeg de handen in elkaar van verbazing, toen de deur open ging en haar man Diedel naar voren schoof. Ze zag het doodsbleke meisjesgezicht boven het blauw – met – rode kleed.

Met enkele woorden stelde Wolter haar op de hoogte van het gebeurde.

Toen voelde Wijmpien opeens twee meisjesarmen om haar heen. Diedel legde het hoofd tegen haar schouder en snikte het uit. De spanning was te groot voor haar geweest. Op straat had ze zich goed gehouden, toen het gevaar er was, dat ze ontdekt zouden worden. Maar nu, in de bescherming van het vreemde huis, voelde zij zich veilig en de spanning viel van haar weg. Nu kon ze huilen.

Gosen keek bijna even verbaasd als Wijmpien. Wat was er toch? Onderweg had hij niets aan Diedel gemerkt. En nu dit.

Wijmpien liet haar stil uithuilen. Zij begreep, dat dit weleens een verdriet van jaren kon zijn, dat Diedel kwijt moest. Tegen wie immers kon een weeskind zijn verdriet zeggen? Elk kind had toch verdriet? De meesten konden dat tegen hun ouders zeggen, weeskinderen niet. Diedel had dit alles jarenlang moeten opkroppen.

“Trek het je maar niet aan, mijn kind. En wanneer het je goed doet, huil dan maar. Jij bent hier veilig. En je hoeft niet terug naar het weeshuis, daar zullen wij wel voor zorgen.”

Ze keek haar man zegevierend aan.

Wolter Hubrechtse glimlachte.

Dat was weer net iets voor Wijmpien. Maar het was goed zo. Gosen Zeegers en Wege Elbertse verdwenen in de nacht.

Voor Diedel was het misschien beter zo en Wege wilde naar huis. Gosen bracht hem met de roeiboot naar Selhorst. Toen ze afscheid namen, zei Wege: “Joe kriegen een goeie vrouw aan Diedel, Gosen. Wees de Heere er dankbaar veur.”

“Ben ik, Wege. En kijk goed uit. De vijand is vasthoudend, dat hebt ge wel gemerkt.”

Diedel had het gevoel, dat zij een geheel ander mens was geworden, toen zij de kleren van Wijmpien aan had. Zij was opeens geen weeskind meer, maar een vrije deerne zoals zovele anderen. Een grote blijdschap golfde door haar heen. Het had haar goed gedaan, dat ze eens had kunnen uithuilen.

Toen Gosen terugkeerde, omdat hij nog het een en ander met Wolter had te bespreken, straalden haar ogen hem tegen. Gosen bleef enkele ogenblikken verbaasd in de deuropening staan.

Wie was dat knappe meisje? Toen zag hij het.

“Diedel!”juichte hij. “Wat zie jij er prachtig uit. Ik herkende je bijna niet. Je bent geweldig.”

“O zo. En je moet dat kind eens zien lachen, nu ze jou weerziet,”lachte Wolter. “En nou moeten wij het er eens over hebben, wat ons te doen staat. In ieder geval moeten we Diedel voorlopig verborgen houden, dacht ik. We mogen de vijand geen enkel spoor in handen geven. De schout zal haar zoeken en die weesvader zal alle moeite doen om haar weer in zijn macht te krijgen. Haar leven zou geen duit meer waard zijn.”

“O, ik heb alles al uitgedokterd,”zo liet Gosen zich horen,”toen ik van Wege terugkwam. Harderwijk is te klein om Diedel verborgen te houden. Zij zou nergens veilig zijn. Diedel moet de stad uit.”

Drie paar ogen keken hem vragend aan.

“Wel en waar zou zij dan heen moeten gaan om veilig te zijn? En zou jij kans zien om haar daar veilig te doen arriveren?”

Gosen knikte.

“In huize Het Ham te Harskamp, waar de Jezuïet ook is geweest. Ik zal haar er zelf heenbrengen.”

Het bleef enkele ogenblikken stil. Toen kreeg Gosen een klap op zijn schouder dat het daverde.

“Dat is het enige verstandige, dat ik na de laatse keer van jou gehoord heb, Gosen Zeegers. Maar gelijk heb je. Daar zal Diedel veilig zijn en niemand zal haar daar zoeken. De enige moeilijkheid is, dat zij herkend zou kunnen worden als zij de poort uitgaat, of onderweg ook.”

“Zal niet gebeuren. Wij steken haar in mannekleren.”

Het plan van Gosen werd van alle kanten bekeken.

Wolter Hubrechtse knikte.

Zo moest het kunnen. De volgende morgen verdween een man door de Luttekepoort zodra deze geopend was. Hij had de kraag van zijn mantel hoog opgeslagen en hield het gezicht naar de grond gericht om maar zo min mogelijk herkend te worden.

Evert Derricks voelde zich door een hevige woede aangegrepen, toen hij de muren van Harderwijk achter zich liet.

Niemand zag hem gaan, behalve de poortwachter. Deze knikte, toen de vluchteling hem in het voorbijgaan toefluisterde: “Je hebt niemand gezien, Herman. Wat kroelende santekraam, jij hebt er ook aan meegedaan om Wege te schaduwen en ik moet maken dat ik de stad uitkom. Maar reken er op, dat ik terug kom. En dan zal mijn wraak zoet zijn.”

De weesvader verdween in de richting van Selhorst. Hij haatte iedereen, die hij achter zich liet, Andrys Roest en Rutger van Baer het meest. Zij hadden hem overgehaald om Wege Elbertse in het weeshuis te lokken. Het had allemaal zo gemakkelijk geleken en er zou een mooie stuiver aan te verdienen zijn geweest, als Diedel niet een spaak in het wiel had gestoken en Wege bevrijd. Diedel, dat stille, schuchtere meisje. Had zij hem al die jaren om de tuin geleid? Maar danwist zij ook veel meer dan zij weten mocht. Nee, Harderwijk werd hem te heet onder de voeten. De ketters waren oppermachtig. Wanneer zij in staat waren om en Jezuïetpater te verdonkermanen, dan zouden ze een weesvader helemaal gemakkelijk te pakken kunnen nemen. Maar hij zou hen een slag voor zijn. Hij ging er vandoor, vóór zij hem kwamen arresteren en in het hondegat stoppen.

Coen Wolters, de verpleger in het leprozenhuis, wierp op de vroege ochtend een blik door het raam en ontdekte een eenzame gestalte, die zich met snelle schreden in de richting van Selhorst voorthaastte.”Lumme, kom eens kijken,wie er vandoorgaat,”riep hij naar de keuken.

Zijn vrouw repte zich naar de kamer. Zij zag of hoorde graag wat nieuws.

“Belle, belle, als dat de weesvader niet is, die met zeven haasten op Staverden aanstevent. Wat kan er met hem aan de hand zijn, Coen? Wat doet Evert Derricks in Selhorst? Me dunkt, hij zou bezig dienen te zijn met voor de kinderen te zorgen, die geen vader en moeder hebben. Dat is toch geen doen voor zijn vrouw Jut alleen?”

“Lumme, ik verwed een duit tegen een oort, dat er iets niet in de haak is. De vissers zeggen: de paling ontglipt de hand als deze te hard geknepen wordt. Evert Derricks, ik heb hem altijd voor een schavuit gescholden. Hij heeft zeker weer wat uitgekuurd en net een keer teveel. Hij vlucht weg voor het gerecht, dat doe ik met je. Kijk eens, hoe schichtig hij om zich heenkijkt.”

Lumme keerde hoofdschuddend naar haar keuken terug om het ontbijt gereed te maken voor de lijders, die aan hun zorgen waren toevertrouwd. Zij en haar man hadden hart voor de mensen. Dat had Evert Derricks niet.

Herman Leyendekker hield de verdwijning van de weesvader voor zich, maar het raakte toch wel bekend in Harderwijk. En daarmee stond de burgerij voor een raadsel. Bijna iedereen was verbaasd, want niemand wist het rechte er van en zij die er mee van doen hadden, hielden hun mond.

Tot het volgende nieuws door de stad deinde: niet alleen de weesvader was verdwenen, ook Diedel Aeltsdochter. Harderwijk gonsde van opwinding.

De schout werd bij heren Burgermeesteren geroepen. Of het hem bekend was, welke geruchten in de stad de ronde deden?

Dat was het. Het was hem te ore gekomen, al hield hij wijselijk voor zich, dat er voor vannacht tussen hem en de weesvader een afspraak was geweest. Zeker, hij had zich direkt naar het weeshuis begeven om te weten wat er waar was van de niet te gelovengeruchten. Evert Derricks moest al tegen dat de poorten opengingen, zijn vertrokken, want even tevoren had zijn vrouw iets tegen hem gezegd en vlak daarop was hij verdwenen. Van Diedel Aeltsdochter wist de schout niets te zeggen. Alleen was het volgens de weesmoeder wel eigenaardig, dat de grendel van de slaapzaal der meisjes was weggebroken. De krammen, die deze tegenhielden, lagen op de gang. Het was alles even wonderlijk, maar het moest wel het werk van Diedel zijn geweest. Een der meisjes had ’s nachts iets gehoord, even nadat de roep van tien van de nachtwacht had geklonken. Nee, de weesvader en Diedel waren niet samen vertrokken, maar van elk ontbrak ieder spoor. De poortwachters hadden hen niet gezien.

Te noene schoven Gosen Zeegers en nog een jongeman een lege handkar door de Luttekepoort. Gosen groette de poortwachter luid en stak de hand naar hem op. Zijn makker hield het gelaat afgewend. Herman Leyendekker lette nauwelijks op deze, omdat hij Gosen antwoord moest geven.

“Van alles is aan ’t verdwijnen, Herman,”zei Gosen. “En ze zeggen, dat niemand de weesvader heeft zien gaan.”

De poortwachter begreep meteen, dat hem iets om de neus werd gewreven.

“Hu, hij zal zelf wel weten waar hij zich op dit ogenblik bevindt,”gromde hij. “Ik zie niet ieder die de poort uitgaat.”

Voorbij het leprozenhuis zwenkte de kar naar rechts in de richting van Sint Jurriën en stopte na verloop van tijd bij het Papenbosje. De jongelui wierpen een blik om zich heen. In velden noch wegen was iets van een mens te bekennen.

“Hier ben je veilig, Diedel. Verberg je in dit bosje. Niemand zal je zien. Wacht tot ik terugkom. En dat zal heel spoedig zijn.”

Ze hadden het plan tot in kleinigheden besproken. Diedel verdween tussen de struiken.

“Zal je voorzichtig zijn, jongen? En laat me niet te lang wachten.”

Gosen haastte zich met de handkar terug naar de stad, nu naar de Smedepoort. Daar liet hij de kar op het pleintje achter en zette zijn schreden naar het Vergulde Hert. De kar zou wel door zeker iemand opgehaald worden.

Toen zijn hand de knop van de taveernedeur greep, kwam Wolter Hubrechtse naar buiten, met een brede grijns op zijn gezicht.

“Ik dacht, Gosen zal verteerd worden van ongeduld om zo gauw weer bij Diedel te zijn. Daarom heb ik je vos alvast meegebracht.”

Wat bazelde Wolter toch? Dat met de vos was toch afgesproken?

Ze slingerden zich op de paarden, groetten met een handgebaar Pelgrim Wullems, toen ze door de poort reden en galoppeerden het Hoge Pad af naar het Papenbosje.

Diedel hoorde de hoefslagen naderen en voelde neiging om op te springen en Gosen tegemoet te rennen. Het was hier zo stil en eenzaam. Ze verlangde er naar, de stem van Gosen weer te horen. Ze bedwong echter haar ongeduld. Ze mocht het plan door onvoorzichtigheid niet in de war te schoppen. Met kloppend hart wachtte zij. Ha, de hoefslagen stopten.

“De ganzen trekken,”hoorde zij iemand zeggen.

Het waren de afgesproen woorden, die door Gosen gezegd werden.

Ze snelde met een blijde trek op het gezicht het bosje uit en stond enkele ogenblikken met blozend gelaat voor de twee mannen.

“Zo en nou zien of je rijden kunt, Diedel. Je houdt je maar goed aan mij vast. Het zal eerst wel een beetje vreemd zijn, maar vallen doe je niet.”

Wolter Hubrechtse liet zich uit het zadel glijden en tilde Diedel achter Gosen op de rug van de vos.

“Zo, meid, zo zit je hoog en droog en als straks je maag wordt gekeerd, merk je dat vanzelf,”lachte hij.

Diedel vond het toch wel een beetje griezelig, toen het paard zich in beweging zette. Ze had nog nimmer op een paard gezeten. Angstig greep ze zich aan Gosen vast, bang, dat ze zou vallen. Maar ze viel niet. Haar jonge, lenige lichaam danste mee op de bewegingen van de vos. Ze reden ook niet hard.

Het was Diedel of ze droomde. De dag van gisteren en vannacht schenen haar een nachtmerrie te zijn geweest. Zij had nergens uitkomst gezien en ze kon geen hulp halen. Toen was zij zelf begonnen. Wat had zij in angst gezeten, dat alles nog zou mislukken. En nu was zij vrij. Zij hoefde niet meer terug naar het weeshuis. Met haar geliefde Gosen reed zij de vrijheid tegemoet.

Wat zouden de andere meisjes wel zeggen, als ze hoorden, dat zij verdwenen was? Maar daar wilde zij niet aan denken. Zij had daarginds nare jaren doorgemaakt. Nu lag de toekomst voor haar, vol licht en zonneschijn en blijheid. Ze zou weer kunnen lachen.

Ze passeerde Brend Jansz, die met een wagenvracht beekklei van Leuvenum kwam, die hij naar Harderwijk bracht voor de steenbakkerij buiten de Smedepoort. Ze staken een hand tot groet naar hem op.

“Waart ge de andere kant opgereden, Bernd, ge zoudt deze jonkman vermoeide benen bespaard hebben,”zei Gosen lachend. “Ik dacht, dat ge mijn vriend waart. Nu heb ik de overlast om een vermoeid mens te moeten vervoeren.”

Bernd keek wel een paar keer om, tot ze om een bocht in de weg verdwenen.

“Hu, horzen, zo’n ongeduldige borst zou dit te langzaam gaan,”gromde hij. “Laat Gosen Zeegers hem maar in Staverden afzetten.”

Het kwam niet in hem op, dat de woorden door Gosen gesproken waren om hem op een dwaalspoor te brengen.

Bij de Kijk – over in Staverden sloegen ze rechtsaf, de Garderenseweg in. Ze namen deze omweg, omdat Gosen een boodschap had af te geven in Boeschoten. Hij wilde niet door Ermelo gaan. De schout daar, Steven van Coit, was altijd even achterdochtig en zou willen weten wat er aan de hand was wanneer twee mannen op één paard door zijn rechtsgebied reden. Ze reden om de bewoonde streken heen.

Henrick Wolters in Boeschoten was bijzonder ingenomen met de boekjes van Calvijn, die Gosen hem in de handen stopte.

“Met de groeten van je broer uit het leprozenhuis. Een achtstuiverspenning, als ge ’t missen kunt, Henrick.”

“Kan ik, Gosen Zeegers. Op de markt in Putten krijg ik het meer dan terug. Ik stap te middag naar Cozijn van Oldenbarneveldt in Huinen. Hij zal er blij mee zijn. Meer zielen moesten dit lezen.”

“Waar je voor Reyer van Aller, de schout.”

Henrick Wolters knikte.

“En gij, let op het heerschap, dat enkele uren geleden hier voorbijtrok. Zijn blik was als die van een schichtig paard. Hij keek telkens achter zich, alsof hij werd opgejaagd. Nog van moordbranders of onverlaten gehoord?”

Gosen en Diedel keken elkaar aan. Ze dachten hetzelfde.

Buiten de bossen lag de Karreweg in het volle licht van de novemberzon. In een lichte draf ging het op Stroe aan. Gedempt klonken de hoefslagen op het zanderige pad.

Toen ze in Stroe stopten om het paard te laten drinken en zelf ook iets te gebruiken, kwam er juist een persoon de herberg uit. Hij wierp een blik op de twee jongemensen op het vospaard en maakte zich dan snel uit de voeten, terwijl vrees op zijn gelaat te lezen stond.

De ogen van Diedel stonden wild van schrik. Haar hand klemde zich om steun vast aan de arm van Gosen.

“Gosen, dat was…..”

“Weet ik, Diedel. Maar hij is hier nu niet meer en wij zullen hem ook niet meer te zien krijgen, neem dat maar van mij aan. Vanaf heden zal hij zich zelfs niet meer in de nabijheid van de weg naar Arnhem durven te vertonen. Zag je hem schrikken? Ik wil wedden, dat hij niet anders dacht dan dat wij hem zijn spoor volgden. Nee, maak je maar niet ongerust. Hem zijn we kwijt. Toch blij, dat ik hem heb gezien. Nu weten wij in ieder geval, waarheen hij onderweg is, die verrader.”

Ze aten en dronken vrijwel zwijgend hun bier en brood. De plotselinge verschijning van Evert Derricks had vragen bij hen doen opkomen. Wat was de man van plan? Was het werkelijk een vlucht? Of had hij een boodschap voor de stadhouder over te brengen? En meer vragen kwamen er, waarop ze geen antwoord wisten te geven. Wel wisten ze dat Evert Derricks niet te vertrouwen was. Dat had hij bewezen. Hij was tot alles in staat. En dat hij op weg was naar Arnhem, zei ook wel iets.

“Jou heeft hij in ieder geval niet herkend, Diedel. Hij heeft nauwelijks naar jou gekeken. Ik betekende gevaar voor hem, jij niet. Jij was niet meer dan een vreemde. Wie zou ook in zo’n jongeman Diedel Aeltsdochter vermoeden?”

“En ik dacht, dat hij alleen maar naar mij keek,”zei het meisje. “Ik had het gevoel dat hij dwars door me heenkeek.”

“Geloof het niet, kind. Jij was voor hem beslist een geheel vreemde.”

Diedel werd liefderijk in het huis van Brand van Delen ontvangen. Ze voelde zich er meteen thuis. Een heerlijk, blij gevoel trilde door haar heen bij al die hartelijkheid, die zij ondervond. Dat had zij altijd gemist. Zelfs van de weesmoeder had zij nimmer één waarderendwoord gehoord, al deed zij haar werk nóg zo goed.

Zij kreeg een plaats tussen de gedienstigen in het huis Ten Ham.

Met een blik vol genegenheid keek zij Gosen na, toen deze wegreed in de richting van Arnhem. O, hoe verlangde zij naar zijn terugkomst. Angst begon haar te kwellen. Welke gevaren bedreigden hem ginds in Arnhem?

“Heere, laat hem terugkomen,”bad zij fluisterend.

Karel de Brimeu, graafvan Megen, heer van Hubercourt, Housdaing en Esperlec, stadhouder van Gelre en Zutphen, was geen vervelende kerel. Hij had Prins Willem van Oranje gesteund in diens strijd tegen de kardinaal Granvelle en hij was een der eerste ondertekenaars van het verbond de Edelen geweest. Hij vond ook, dat de plakkaten tegen de aanhangers van de Nye Lere veel te streng waren en de bevelen van Filips II legde hij naast zich neer. Toen hij echter merkte, dat de verbonden edelen plannen maakten om met de wapens in de hand zich tegen de koning van Spanje te verzetten, trok hi zich terug. Hij wilde loyaal blijven tegenover Filips.

Hij maakte zich echter niet druk over het vervolgen van de ketters, maar toen het hier en daar tot Beeldenstorm kwam, werd hij woest.

Harderwijk was een belangrijke stad en dat wist hij. Harderwijk werd zelfs genoemd: “De honing – bye ende melkkoey der behoeftige vorsten.”

Harderwijk was een rijke Hanzestad, zó rijk, dat men geld kon lenen aan graven en hertogen,prinsen en koningen, in ruil voor privileges en ontheffening van tol en belasting. Mede daardoor waren de Harderwijker kooplieden in staat om te konkureren.

Met zo’n stad moest je weleens wat door de vingers zien, begreep de stadhouder. Hij liet dan ook heel wat over zijn kant gaan. Maar nu ergerde hij zich toch wel over die serpenten van Harderwijkers, die dachten, maar ongestraft hun eigen gang te kunnen gaan en maar net te doen alsof er geen Koninck van Hispaniën was. Dat nam hij niet. Hij stuurde de drost van de Veluwe, Willem van Scherpezeel en Jacob Botter, de landsschrijver, naar Harderwijk om de magistraat te onderhouden over zijn nalatigheid.

Burgermeesteren, schepenen en gemeenslieden lieten de heren uitspreken, zeiden hun dank voor hun goede bedoelingen en gingen over tot de orde van de dag. Alles bleef bij het oude.

Maar de stadhouder kookte van woede, toen de drost, Ot van de Sande, hem verslag kwam brengen van het gebeurde in Harderwijk. Hij keek de drost aan met een blik van verbazing, toen deze hem vertelde, dat de vader van het weeshuis uit de stad was gevlucht.

Wat kon hem de weesvader eigenlijk schelen. Hij kende de man niet eens.

“En wat heeft dat er mee te maken?”

“Wat dat er mee te maken heeft, her stadhouder? Ik zou zeggen, alles. De schout Adrys Roest werd vier jaar geleden bij de pastoor Rutger van Baer geroepen en ontmoette daar een zekere Jezuïetenpater Anselmus, die naar Harderwijk was gekomen om in ’t geheim onderzoek te doen naar bestaande ketterijen en verboden boeken, omdat de magistraat daar niets tegen deed. Er werd toen afgesproken, dat de Jezuïet contact met de schout zou onderhouden, als hij iets te weten was gekomen. De schout zou hem behulpzaam zijn om bepaalde verdachte personen uit te smokkelen en naar Brussel te brengen. Dat zou via het blokhuis gebeuren, vanwaar men ongezien naar de Veluwe kon komen. Nu, vanaf dat ogenblik heeft de schout niets meer van de Jezuïet gehoord of gezien. Hij was spoorloos.

De zoon van de schout slenterde de volgende dag door de klokslag van de stad en vond het eigenaardig, dat wielsporen vanaf de stadsgracht rechtstreeks naar het zuiden liepen en niet naar de hofstede, waartoe dat stuk land behoorde, die van Wege Elbertse. De schout kreeg zo langzamerhand het vermoeden, dat de Jezuïet ontvoerd was. Die boer, Wege Elbertse, was twee volle dagen weggeweest, hoewel het niet zijn gewoonte was, erf en grond te verlaten anders dan om naar de markt in Harderwijk te gaan. Het heeft lang geduurd voor de schout had uitgedokterd, wat er misschien was voorgevallen en nu wilde hij graag achter het hele geval zien te komen. De enige verdachte was voorlopig Wege Elbertse. De schout en de weesvader lokten de boer in het weeshuis om hem aan een verhoor te onderwerpen. Maar vrienden van de boer, waarschijnlijk dezelfde, die hadden geholpen om de Jezuïet te doen verdwijnen, kregen er op de een of andere manier lucht van en met behulp van een weesmeisje, dat inmiddels ook is verdwenen, werd de boer ontzet. Daarom is die weesvader gevlucht, uit vrees voor wraak van de zijde de geuzen. Het kettergebroed is gewaarschuwd. Er moet ergens een lek zijn geweest. Het is jammer, dat het plan van ons is misgelopen, maar ik meende, dat ge het weten moest, heer stadhouder.

Karel van Brimeu staarde met een grimmige blik naar het tafelblad voor hem, terwijl hij zijn gedachten liet gaan over de mededeling van de drost.

Dat van de Jezuïet intresseerde hem nauwelijks. Hij ergerde zich over dat stiekeme gedoe. Maar hij begreep nu, dat daarginds in Harderwijk toch meer aan de hand scheen te zijn dan hij had gedacht. Wanneer de stad zich aan het gezag van de koning zou onttrekken, zou zij gewillige navolgers krijgen. En dat moest, het koste wat het koste, voorkomen worden.

“Heer drost, het huis van de koning zal een bezetting krijgen. De magistraat laat geen krijgsknechten binnen. Wij zullen dus een andere manier moeten vinden om de stad onder kontrôle te krijgen. Ik zal het u laten weten als de plannen klaar zijn om ten uitvoer gebracht te worden. Maar het zal spoedig zijn. En wat die Jezuïet betreft,heer drost, daarin moet ge u vergissen. Alleen de scherpzinnigsten worden op een dergelijke zending uitgezonden. Hij zal er zijn reden voor hebben gehad om te verdwijnen. Het was ook een stomme streek van de schout en die weesvader en u ook. Want, hoe zou in Harderwijk ook maar iemand weten, met welke plannen een Jezuïetenpater in de kledij der Franciskanen daar was gekomen? De schout wilde te veel. Maar misschien is er weinig kwaad geschied, al zullen de Geuzen op hun hoede zijn. Welnu, ik zal mannen gereed houden om naar Harderwijk te sturen. Overleg daarginds, hoe we hen ongezien binnen de veste kunnen krijgen. Wij moeten de stad overrompelen. Laat mij uw plannen weten, dan zal met alle spoed een vendel krijgsknechten daarheen komen.”

Twee predikanten had Harderwijk al, Otto van Heteren en naast hem Anastasius Velanus, geboren ter Steghe, geboortig uit Stroe. De magistraat gaf de voorkeur aan de jongere Van Heteren. In de Vrouwekerk preekten zij. Maar vooral ook gingen zij de gemeente in om het Evangelie van Genade, alleen door het bloed van Jezus Christus, te brengen in de huizen, waarvan de mensen niet in de kerk kwamen. En zij bezochten de zieken, die toch al zoveel moesten missen.

De poorters voelden zich meegenomen in een grote levensblijheid, die ook indruk maakte op de dorpelingen uit de omtrek. De zoon van de koster Jan de Bruyn uit Elburg, was steeds te vinden onder de evangelieverkondiging in Harderwijk. Zelfs zag men er geregeld een hele koppel mensen uit Nijkerk.

Het was Ot van de Sande een doorn in het oog. Hij besefte, dat, wanneer men de predikanten zo een poosje door liet gaan, er binnenkort anders niet meer dan Geuzen in Harderwijk zouden zijn en dan was het voor de stadhouder verkeken om er weer invloed te kunnen krijgen. En zijn eigen baantje was er mee gemoeid.

Hij schreef een brief aan het Hof van Gelre over beide predikanten, die hij haatte als de pest en liet deze door een ijlbode naar Arnhem brengen.

De heren van het Hof lieten er geen gras over groeien. Twee dagen later, 7 december 1566, had de drost antwoord. Hem werd bevolen, Anastasius Veluanus, gevangen te nemen en naar Arnhem te brengen. Deze prediker werd nog steeds gezocht, al jaren. Het Hof achte hem een zeer gevaarlijk iemand, omdat hij zoveel invloed had op het gewone volk op de Veluwe.

De drost zocht hem en deed hier en daar navraag naar hem. De secretaris Renssen stormde met Gosen Zeegers te paard de stad uit naar Stroe. Daar was de predikant, die zijn geboorteplaats nog eens wilde opzoeken. Hij begreep, dat de Veluwe niet een veilige streek voor hem was. Hij vluchtte over Deventer naar Duitsland. Deventer had de zijde van de hervorming gekozen, evenals Maastricht. Hij kon zich ongehinderd bewegen.

Men begreep in Harderwijk, dat er iets broeide.

Het vermoeden werd zekerheid, toen er een week later Henrick Wolters van Boeschoten in de stad kwam met de tijding, dat in Garderen en Putten twee vendels haakschutters gelegerd waren, die wachten op een sein om naar Harderwijk op te rukken. De Harderwijkers waren op hun hoede.

Einde hoofdstuk 12

 

 

 

 

Dit bericht was geplaatst in 't Geuzenjonk van Harderwijck.

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Verplichte velden zijn gemarkeerd met *