Drukte en vertier

Drukte en vertier

 

  Buiten is het koud.

Op een avond ,dat ons huisgezin – ’t was inde maand Maart- gezellig bijeen zat in’t kleine woonvertrek, wordt er aan de deur getikt. Mijn oudste broer doet open en daar staat voor hem….een koloniaal.De man vraagt of hij binnen mag komen.

   Dat wordt toegestaan.Nauwelijks is hij binnen,of, bij ’t zien van zoveel kidergezichtjes rondom de tafel, begint hij te wenen. Tranen biggelen hem langs de wangen. De woorden hakken hem in de keel en met gebaren beduidt hij mijnen ouders,wijzende op ons, dat hij ook eenmaal gelukkig was in den schoot van een eigen gezin, dat hij helaas,heeft verlaten,om er nooit meer terug te keren.

   Hij trekt zich de haren uit het hoofd,slaat zich op de borst en barst daarna weer in tranen uit.,t Was één dier velen,die,aangelokt door ’t handgeld en meegetroond door jongere kamaraden,een werver was gevolgd naar Harderwijk. Met moeite gelukte het eindelijk, den man te bewegen heen te gaan. Eén van ons bracht hem naar de kazerne.

   Den volgende morgen tegen acht uur zag ik hem bij het militaire muziekcorps,dat geregeld den troep tot buiten de Luttekepoort geleide en daar de terugkomst bleef afwachten. Hij kreeg mij in’t oog,kwam naar me toe en gaf me een paar Brabantse centen.

   Vele malen tijdens zijn verblijf alhier hield hij mij aan en nam mij zelfs eens mede in een herberg.Wat was het daar woelig! Beneden was geen ruimte genoeg, om den bezoekers behoorlijk plaats te geven.Hij nam mij mee de trap op. Daar zat ik,eer ik het wist op eenmaal tussen een menigte soldaten aan een weltoebereide tafel.”Die kleine jong”-die was ik-moest net zo goed zijn deel hebben van den maaltijd als de betalende gasten.Een bord werd voor mij neer gezet,waarnaast een vol glas wijn; een servet werd me om de hals gebonden en ik begon heerlijk te smullen van de lekker gestoofde paling.Ik dronk ook wijn,ik at ook aardappelen;ik kreeg ook geld,ja,een zak vol.Ik zong,vrolijk wordend,onder de smulpartij braaf mee.

   “Allons, enfants de La Patrie”,

Tot groot vermaak der disgenoten.

Na ’t zingen kreeg ik een gebraden kip-een hele!-en daar at ik ook van. Maar die was me te groot.Ik wilde heengaan. Ik zei:”ik lust niet meer”en toen liet men mij vrij. Maar de kip moest ik met bord en al meenemen. Dat deed ik. Mijn broers en zusters aten er lekker van en ik telde moeder voor; de som van zes gulden en een kwartje. Dat ik intussen de vermaning hoorde,zoiets niet weer te doen, want dat die kerels wel eens iets kwaads in den zin konden hebben,zal ik niet behoeven te zeggen.

   Nu,ik ben later nooit weer met de soldaten,hoe goed ze mij ook behandeld hadden,een herberg binnen gegaan.Maar gekeken vóór herbergen naar al die drukte heb ik vaak.We wachtten er op,dat de “Omes”centen te grabbel wierpen. Dat was me een leven, om jongens te doen watertanden.

   Verbeeld je, dat er voor de deur van een herberg wel vijftig jongens staan.Soldaten daarbinnen willen een aardigheid hebben. Een er van kijkt naar boven uit het raam en werpt een veertig of vijftigtal centen naar beneden. Als honden vliegen de bengels er op aan en krioelen als een hoop mieren door elkaar. Dan opens worden vanuit de hoogte een paar emmers water leeggestort met het gevolg,dat in een oogwenk de bende uiteen stuift. Zulke toneeltjes vonden schier overal plaats.

   Dat moest ook wel,want herbergen en ontspanningsplaatsen waren allerwegen te vinden.

Ik herinner me opschriften als:”De Franse Veuve”,”Café Suisse”,”A,la Ville de Ville”. Alleen in de Vijhe-en Smeepoortstraat tel ik in gedachten nog een twintigtal woningen ingericht tot gezellig verkeer. Nu,aan gezelligheid ontbrak het niet. Elken dag wat nieuws. Nu eens een troep Fransen met driekleurige mutsjes op,arm in arm voorthossend door de straten, dan weer een troep Belgen,zingend hun liederen, terwijl Duitsers hun “Die wacht am Rhein”deden horen.

   Dagenlang trok een lange Belg,nog groter dan zijn landsman Jan Koes Koes,de aandacht.Achter de Muur woonde een neger,met name Jezayes,die gehuwd was met een flinke,Hollandse vrouw. Wie der zwarten ook werd nagejouwd met “Hoerababbi-Setanloe-koffiedik”, Jezayes ging vrij uit en had van de straatjeugd geen overlast. Hij was hier ingeburgerd.

   De man zag er altijd piekfijn uit: een zware horlogeketting hing op zijn witte vest,terwijl een witte broek en dito hoed de zwarheid van zijn gelaat goed deden uitkomen.

   Een aantrekkingspunt voor al wat militair was,vormde de inrichting van “Madame Snor”,een dame van vrolijke reputatie,die in haar huis (tegenwoordig bewoond door den gemeente-secretaris) menigmaal een walsje heeft gemaakt. Sierlijk hoofdhaar dekte haar kruin. Als we zo’s Zondagsmiddags op de Markt stonden,konden we het bont gewoel door de open ramen goed waarnemen. Eens werd er weer flink gedanst.Lustig gingen de benen van de vloer,totdat,midden in den dans,eenklaps de weelderige hoofdtooi door de zaal vloog en Madame Snor met kale knikker een ovatie ontving uit wel honderd kelen; de aanwezigen baadden zich in een zee van licht.

   Hoe er in verschillende herbergen voor gezelligheid gezorgd werd,is,gelet op de aanwezigheid van vele kermisreizigers,wel te begrijpen.Verscheidene van die rondtrekkende familiën,eenmaal aangekomen,bleven te Harderwijk wonen.Als zodanig zijn bekend de familie Vreeland,Wolfsbergen,Hendriksen en Hoereé.

   Dit kwam de kinderen in zoverre ten goeden,dat zij op den Burgerschool werden geplaatst en daar onderwijs ontvingen,waarvan zij anders verstoken zouden blijven.De Vreelanders zijn in latere jaren werkzaam geweest aan het Amsterdams toneel.Eén van hen,Jaques,blies meesterlijk cornet á piston en zijn beeltenis hing menigmaal in de uitstalkast van den fotograaf Blankenberg,die hier goede dagen heeft gekend.De Wolfbergers,klein en groot,vormden in combinatie met anderen,een Café-Chantant corps.De Hendriksen hadden een lange blinden zoon,die grote virtuositeit in het bespelen van de harmonica toonde,terwijl zijn broers Hannes,Nardus,Herman en Tienes mede hun best deden,de inkomsten te vermeerderen.Deze familie woonde op den hoek van Oliestraat en Vuldersbrink.De Hoereé’s woonde in het Kromhoutstraatje.Aanvankelijk hier gekomen met het oogmerk,door met muziek te maken geld te verdienen,besloten zij al spoedig een herberg te openen en met succes.

   Hoereé was een kunstenaar in zijn soort. Hij sloeg trom,gewone en turkse-bespeelde de harmonica,maakte er rinkelend geluid met den groten helm,die,pralend met een groten pluim,zijn hoofd bedekte en deed alles-tegelijk.

   Zijn zoon Geert was wekenlang de voorvechter,als er veldslagen geleverd werden tussen de leerlingen der verschillende scholen.Want de stemming,teweeggebracht door de talrijke vreemdelingen,spiegelde zich af in de spelen van de jeugd.Zo uit de grap speelden we oorlog tussen de Fransen en de Duitsers en sloegen elkaar heel vriendschappelijk bont en blauw

XXXXXX

Dit bericht was geplaatst in Verhalen bundel.

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Verplichte velden zijn gemarkeerd met *