Een bode keerde terug hoofdstuk 2

 

 

Hoofdstuk 2

Een bode keerde terug

Een wolf jankte in de bossen van Boeschoten en schoot dan weg naar de konijnenbelt om een prooi te slaan.

Een ruiter slingerde zich voor de herberg “De Peppelboom”in het zadel en wende glimlachend het hoofd om. Hij voelde zich bijna thuis,nu de kreet van de vrijbuiter van de Veluwe in zijn oren had geklonken. Het was een beetje een ongewoon uur voor een wolf om zich te laten horen, zo op de middag. Iets moest het dier er toe genoodzaakt hebben. Schrik mogelijk. Honger misschien.

Voor Wolter Hubrechtse deed het er niet toe. Hem was dit geluid eigen. Hij hield van felle jagers, die het wild en bijster land van de Veluwen afstroopten. Hij voelde zich aan de grijze vrijbuiter verwant. Hun zwerversleven was eigenlijk ook het zijne. In de wildernis van Beekhuizen was hij als het ware tussen de wolven opgegroeid. Hij had hun holen opgespoord, de welpen zien sluipen langs kaalslag en struikgewas. En altijd was het moerdier in de nabijheid oom een oogje in het zeil te houden en de welpen wegwijs te maken in het leven van de wildernis, met zijn verrassingen en gevaren. Fel waren de wolven op de jacht. Aan hun scherpe, groene ogen ontging niets en hun snelle poten brachten hen waar zij zijn wilden.

De stadsloper van Harderwijk trok de zwarte ruitermantel strak om zich heen. Er woei een koude voorjaarswind over de boomtoppen en plofte omlaag op de Arnhemseweg.

“Vort, hors, en laat die van Ermel zien dat je weet wat lopen is. Ik verlang naar een pint bier bij Hinrich Hase. Hinrich heeft toch altijd nog het smakelijkste bier van Harderwijk. Dat zegt jou natuurlijk niets. Hoe hij er aan komt en waar hij het vandaan haalt, is voor hem een weet, voor ons een vraag. Maar weet ji, hoe hij die pittige smaak er aan weet te krijgen? Je krijgt het van hem niet te horen en hij glimlacht alleen maar wat als je er een visje naar uitsmijt. Maar daar weet jij niet van.”

Wolter Hubrechtse had er een gewoonte van gemaakt om op zijn eenzame en soms verre tochten tegen zijn paard te spreken. Het brak de eentonigheid van de tocht en gaf er iets gezelligs aan.

Het paard bewoog de kop op en neer alsof het het begreep en zette er dan de draf in. De hoeven deden een wervel van modder achter hem wegvliegen. De weg was zacht door de regen van de laatste dagen.

Wolter Hubrechtse was een geboren ruiter. Zijn lichaam danste mee op de maat van de sprongen van het paard, terwijl hij losjes de teugels in de hand hield. Het was niet nodig om het paard te sturen. Hij kende de weg en het deed geen misstap. De andere hand rustte dichtbij het gevest met rapier. In deze verlaten wereld loerden soms scherpe ogen op eenzame reizigers, tweebenige rovers. Wolter Hubrechtse had de wolven liever dan hem.

Jawel, maar de scherpe ogen van de renbode waren overal. Geen enkele bijzonderheid van het pad vooruit ontging aan zijn scherpe blikken. In een flits gleden de bomen langs hem heen. Hij lette speciaal op de openingen daar tussen. Heel even dook in het oosten de toren van Garderen op en onwillekeurig ging zijn hand bij wijze van groet omhoog.

“Pastoor Gertjan heeft de Garderianen de nieuwe leer goed bijgebracht,”ging het door hem heen. “Jammer, dat die Berend Gruwel, de inquisiteur uit Zwolle hem te pakken kreeg. Hij herriep zijn leer.”

Jammer.

“Maar nu zit hij ergens in Duitsland,”riep Wolter Hubrechtse tegen de wind in, alsof hij de hele wereld wilde laten weten, dat het goed gekomen was met pastoor Gerrit Jan Versteghe. “En zijn boekske “Der Leecken wegwijser”kun je hier overal vinden. Vrienden, die je kunt vertrouwen, kun je het laten zien of daar te zien krijgen. De schepen Wolf van Ommeren heeft het vast en zeker in zijn bezit. Wat zeg je? De hele magistraat van Harderwijk bijna. Vort, hors! Ik ben benieuwd of er in de oude Hanzestad nog nieuws te horen zal zijn. Vast wel. “Het nieuws vliegt naar Harderwijk”, zegt men altijd. De zeekobben brengen het aan en de valken brengen het verder over de Veluwe. A – doe!”

De luide, lachende kreet van de ruiter galmde weg over de Putter bossen. Hij schoot weg over de oude Hessenweg, die vanuit Duitsland naar Utrecht liep en galoppeerde verder in de richting van Ermelo. Het zou niet lang duren of de spitse toren zou voor hem opduiken.

Bij de kerk stond Steven van Coit, de schout van Ermel, en keek met nieuwsgierige blikken naar de ruiter, die uit de bossen te voorschijn schoot.

Hij was meteen op zijn hoede. Dit moest wel een vreemdeling zijn. Niemand van de Ermeloërs was buitendorps. Dat was hun gewoonte niet. Met hun bijen en beesten bleven ze op hun eigen gerechtigheid, behalve wanneer het marktdag was in Harderwijk.

Wat kon een vreemde paardrijder in zijn rechtsgebied te maken hebben? Dat kon van alles betekenen. En dat moest hij weten. Een man werd niet voor niets als schout aangesteld en een van de eerste dingen, die van hem verwacht werden was wel, toezicht houden op mensen, die van elders kwamen. Dat was ook nodig. Je hoorde soms allerlei geruchten, dat er iets broeide in de Nederlanden en overal sloop onguur gespuis rond.

Zijn gezicht verhelderde, toen hij de Harderwijker stadsloper herkende. Maar daarmee steeg zijn nieuwsgierigheid ook tot een enorme hoogte. Wat was de zending van Wolter Hubrechtse geweest? Kwam hij van Arnhem of van de heren van Oldenbarneveldt? En waartoe? Waar was het stadsbestuur van Harderwijk nu weer mee bezig?

De schout wist, dat hij op zijn vragen geen antwoord zou krijgen. Deze renbode had de bijnaam “Sprakeloze Wolter,”en die zei genoeg. Er kwam een trek van ergernis op zijn gezicht.

Het was enkel een groet, die zij wisselden. De schout zou een vreemdeling hebben aangehouden en naar de reden van zijn aanwezigheid hier hebben geïnformeerd. Maar van een poorter van de vermaarde stad Harderwijk moest hij afblijven.

Er twinkelden vrolijke lichtjes in de ogen van Woler Hubrechtse, toen hij de drost achter zich liet en op Tonsel afstevende. Harderwijk kwam iedere paardesprong dichterbij, het einde van de tocht. Links vooruit staken de torens van Sint Jansdal of ’s Heeren Loo tegen de grijze lucht af. Dat alleen al maakte de omgeving eigen. De broeders van Sint Jan hoorden ook bij Harderwijk. Hadden zij niet hun winterhuis Klein Loo in de Catharinastraat?

Hij passeerde het kruis, dat scheiding tussen het schependom van Harderwijk en Ermelo aangaf en trok de teugels aan. Hij had de gerechtigheid van zijn stad bereikt.

Het was de gewoonte van hem om hier enkele ogenblikken te stoppen als hij vanuit het zuiden kwam, om een blik te werpen op de zeven torens van Harderwijk, de zeven zoetigheden, zoals het volk ze voorheen noemden. Maar de schepen Wolf van Ommeren had er “De zeven Zwarigheden”van gemaakt. Dát was bij de burgers ingeslagen en de schepen was sindsdien nog meer getapt.

Wolter Hubrechtse knikte tevreden. Wolf van Ommeren was zijn man. Die kwam, evenals zoveel anderen, niet meer bij pastoor Van Baer in de kerk. Maar hij was toch beslist een vroom man. Als pater Everhardus Doesborgh preekte, dan was hij in de Minnebroederkerk te vinden. Rutger van Baer woest natuurlijk. Dat was een onmens.

Men had hem ook niet gewild als pastoor, vier jaar geleden. Men had gevraagd om Henrick van Meppen, vicaris te Deventer te benoemen, maar het consistorie te Utrecht had een eigen wil en dreef die door. Vanuit Deventer kwamen te veel ketterijen het land in, zei men. Nu, zo moesten ze nu net niet die Harderwijkers aanpakken. Nadat Rutger van Baer was gekomen in 1558, was er zelfs geen processie meer gehouden. De boeken van Luther en Calvijn werden steeds meer verspreid en gelezen. De Hervorming kreeg al meer aanhangers in de Nederlanden, al veroordeelden de plakkaten de ketters ook ter dood, “de mans met den sweerde en de vrouwen by de putte.” Dáárom kon Wolf van Ommeren over die kerktorens spreken van zwarigheden.

Allerlei gedachten gingen door Wolter Hubrechtse heen, terwijl hij zijn blikken naar de stad liet gaan. Het was altijd opnieuw een vreugde voor hem, dit eigen gebied weer te zien, waar de roep de wolven wegbleef, maar waar het geklapper van zeilen door straten en stegen deinde en waar de hoge toren van de Onze Lieve Vrouwekerk als een machtig baken voor de zeevaarders zich in de lucht verhief.

“Tjoek.”

Het paard wist wat dit betekende en danste in een lichte draf stadswaarts door de Hulst, de stadslanden, in de richting van de Smeepoort. Links van hem blonk het kruivende water van de Zuiderzee. De ogen van de ruiter glinsterden. Hij zag vissersschuiten op het zilte nat dansen. En dat zeil daarginds, op een kennige afstand, moest het veerschip van Amsterdam zijn.

“Alle zwijgende kerkepoppen,” riep hij,”is me dat eventjes geluk hebben? Daar komt engbert Luyten, de grote nieuwsbron, met zijn schuit. Het zal vanavond druk zijn bij Hinrich Hase. Jawel, maar Wolter Hubrechtse heeft ook een paar nieuwtjes om over de tafel te gooien. Als engbert maar niet de stommiteit uithaalt om in het veerhuis in de Bruggestraat te blijven hangen. Maar nee, Engbert weet wel waar hij zijn nieuws het beste kwijt kan. En waar hij dat veilig kan doen.

Pelgrim Wullems de poortwachter, had hem al van verre zien aankomen en stond hem op te wachten, met een vragende blik in de ogen. Wanneer Wolter Hubrechtse zich vanuit het zuiden liet zien, dan bracht hij nieuws mee.

Donkere, bruine ogen boven een lichter wambuis, straalden de stadsbode tegen.

“Daar heb je waarempel de sprakeloze weer, dansend als de poppekens van de processie. Nou ja, die van voorheen dan. En wedden, dat die tong van jou in staat is om een hoop nieuws door te laten.”

Wolter Hubrechtse bracht zijn paard tot staan.

“Istie ook, Pelgrim, en zaltie ook, maar op zijn tijd, nadat ik heren Burgermeesteren heb gesproken. Denk je, dat ik hen in het stadhuis zal vinden?”

“Waar dacht jj dan, zwerver, op deze tijd van de dag? Jij hebt altijd van die gekke ideeën in dat hoofd van jou.”

“O, dat komt, omdat ik zoveel moet luisteren naar de onzin van nieuwsgierige poortwachters, Pelgrim.Maar weet je, dat het veerschip in aantocht is?”

“Zo? Nu Luyten is over tijd. Afijn, vanavond zullen er vele stappen door de straten van Harderwijk gaan, verwacht ik. En wat jij niet weet, kan ik je misschien vertellen. Vrouw Van Wijnbergen werd geaffronteerd met rotte uien. De dader zit in ’t hondegat, dat lieve zoontje van Andrys Roest.”

Nu was het de beurt aan Wolter Hubrechtse om verbaasd te zijn. Dit was iets ongehoords. Dat zoiets gebeuren kon in de stad van Harderwijk.

“Appel ende de boom, je kent het spreekwoord, Pelgrim. Maar je moet maar durven. En Vrouwe Van Wijnbergen nog wel, een dame als een vorstin, maar met een niet minder koninklijk hart.”

“Je zult wel gelijk hebben, Wolter. Het was anders op haar knecht gemunt, maar trof haar. En de schepen Wolf van Ommeren stapte net over de Broeren. Toch zou hij de dader niet direkt in handen hebben gekregen wanneer die buurjongen van jou, Gosen Zeegers dat roestige wanprodukt niet tegen de vlakte had gewerkt.”

Er dansten weer lichtjes in de ogen van Wolter Hubrechtse. Die Gosen ook. Er kon niets in Harderwijk gebeuren of hij had er mee van doen. Hij zou een goede stadsloper zijn. Gosen stond voor niets en gaf niet om rovergespuis. Maar hij was nog te jong. Over enkele jaren misschien.

“Hu, uien gooien naar die goeie Panga, daar moest straf op staan en die is niet met het hondegat te vereffenen. Werk voor Berend Gruwel, dacht ik zo. Die zal je hier misschien ook wel weer zien verschijnen, Pelgrim.”

Hij keek de poortwachter aan met een sombere blik in de ogen. Maar het was maar kwasi zo.

De kaken van Pelgrim Wullems klapten op elkaar en veerden weer vaneen toen het tot hem doordrong, wat Wolter Hubrechtse bedoelde. Berend Gruwel, prior van het klooster Betlehem te Zwolle, inquisiteur van Gelre. Hoelang was het geleden, dat die in Harderwijk was geweest? Zeker een jaar of vijftien. Ze hielden in Harderwijk niet van dat soort mannen. De poortwachter deed een stap naar voren.

“Diens haring braadt hier niet, Wolter. Laat hem maar komen. Hij zal net zo min iets kunnen uitrichten als destijds, omdat hij de magistraat niet op zijn hand heeft. Het is toch altijd zo geweest, dat wij in Harderwijk zelf onze zaakjes bedisselen. Heb jij de koning van Hispaniën soms gesproken, dat je met zulke zotteklap komt?”

Wolter schudde het hoofd.

“Ik ken hem niet en hij mij niet,”zij hij lachend. “Maar er moet toch wel het een en ander door dat waterhoofd van hem rondspoken. Er wordt verteld, dat hij en de koning van Frankrijk de koppen bij elkaar hebben gestoken. Ze willen de inquisitie in Frankrijk en de Nederlanden weer invoeren. Een zekere hertog van Alfa moet hem op dat idee gebracht hebben. Nu, als ze het met een leger gaan proberen, en dat zullen ze nodig hebben, dan kun je wat beleven. Het zal heel wat erger worden dan destijds met Berend Gruwel. Maar ik moet naar heren Burgermeesteren, of ze zetten mij in het blok, omdat ik hun tijd met een praatzieke poortwachter sta te verdoen.”

Hij zette zijn paard in beweging en reed de Smedenpoortstraat in. In zijn ogen dansten weer die vrolijke lichtjes, die er zo’n warme gloed aan gaven.

“Die Pelgrim”, ging het door hem heen, “hij barstte van nieuwsgierigheid. En ik zou hem best nog wat meer hebben willen vertellen, want hij op zijn beurt kan je op de hoogte houden van de gaande en komende man. Maar voor de heren moet er ook nog wat overblijven.

Hij stuurde zijn paard de Donkerstraat in, groette deze en gene en liet zich voor het stadhuis uit het zadel glijden. De markt op de Broeren was afgelopen.

Koert Hinrichs, stadsdienaar, had hem door de raampjes van de bodenkamer zien naderen en stond hem in de hal op te wachten. Over zijn gezicht lag een brede grijns. Wolter Hubrechtse bracht doorgaans nieuws mee en Koert hoorde, evenals ieder ander, graag naar tijding uit de vreemde. Vriendenogen ontmoeten elkaar.

“Roedendrager Koert zowaar. Jij bent in zes dagen, dat ik weg ben geweest, totaal niets veranderd. En nog steeds even nietsdoend. Kun jij niet wat anders dan vechtende jongens in het hodegat stoppen, terwijl de vijand Harderwijk belaagt?” De stadsdienaar stak afwerend een hand omhoog.

“Wat in de veste Harderwijk geschiedt, wordt snel wereldwijd, Wolter, dat merk ik aan jou. Maar Harderwijk behoeft zich niet ongerust te maken, zolang wij nog eigenwijze stadslopers hebben, die door onze klokslag zwerven. Harderwijk vijanden? Waar zouden die vandaan moeten komen? Maarten van Rossum leeft niet meer.”

“Doet tie ook niet. Maar hij was in elk geval nog een Geldersman. Het gevaar schuilt vaak daar, Koert, waar wij het niet verwachten. Dat de stad als de onze muren nodig heeft, bewijst het. Zo, ik ga mijn opwachting maken bij heer Cranenburgh. En dan naar de smakelijke maaltijd van Wijmpien. Zij gaf de gaande man iets goeds mee op reis, voor de komende zal zij een schoon gerecht gereedmaken. Je zou het haar al vast kunnen zeggen, dat die man van haar in aantocht is. En dat is het veerschip van Engbert Luyten ook.”

“Bedankt, Wolter. Nu weet ik tenminste waar ik zijn moet. En wat jij niet hebt gezegd, hoor ik misschien nog wel.”

Wolter Hubrechtse legde hem een hand op de schouder.

“Het kan misschien geen kwaad om de vreemdelingen, die van het veerschip komen, goed op te nemen en te weten waar zij heengaan. Spionnen zullen ook de veste Harderwijk weten te vinden.” Koert’s mond viel open van verbazing.

“Wat bazel je nou? Wat kan hier te spioneren zijn?”

“Denk aan de tijd van Berend Gruwel.”

Met die woorden verdween de stadsbode in de kamer van de burgermeester, terwijl de stadsdienaar zich over de Broeren haastte. Er lag een trek van begrijpen op zijn gezicht. Er broeide iets. Nu, hij zou elke vreemdeling die van het veerschip kwam scherp opnemen.

Gerrit van Cranenburgh nam Wolter Hubrechtse vanachter de grote eikenhouten tafel scherp op.

“Tijdig terug, stadsloper Wolter. Als immers reed ge snel.”

Wolter Hubrechtse knikte.

“Op een snel paard is dat niet moeilij, heer van Cranenburgh,”antwoordde hij, terwijl hij een gezegeld stuk ergens uit zijn kleding te voorschijn deed komen en dit aan de man voor hem overhandigde. “Het antwoord van de magistraat van Arnhem.”

Gerrit van Cranenburgh legde het stuk naast zich neer. Hij zou het straks wel doornemen, wanneer hij niet door een ondergeschikte op de vingers werd gekeken. Voor het ogenblik was hij meer benieuwd naar wat de stadsloper voor mondelinge mededelingen bij zich zou hebben. Die waren doorgaans van bijna evenveel belang.

Een blanke hand rustte op het bruine tafelblad. De vingers gleden speels langs een stuk papier, waarop hij met een ganzeveer had zitten schrijven.

“Heb dank, Wolter Hubrechtse, voor uw spoedige terugkeer. Welke waren de woorden van de heren in Arnhem?”

De heren gaven mij niet een bijzondere boodschap mee, heer Cranenburgh. Maar in het huis van Gelre waren wel tijdingen uit de vreemde. Tussen Frankrijk en Spanje werd vrede gesloten en de koningen Hendrik en Fillips, beide de tweede van die naam, hebben een afspraak gemaakt om in hun landen de inquisitie weer in te voeren, om zo de ketters uit te roeien en de nije lere. Het schijnt hen ook menens te zijn. Allerwegen duiken spionnen op, die vanuit Spanje hun instrukties krijgen. Een zekere hertog van Alva heeft de koningen op dat idee gebracht. Stadprivileges en landsrechten zijn voor hen van geen waarde. Als de geruchten waarheid bevatten, en daar valt nauwelijks aan te twijfelen, dan gaan we een donkere toekomst tegemoet. Ze vertrouwen de soldaten van de hertogin niet. Maar ik vernam ook, dat de vrouwe van de Graaf van Megen, onze stadhouder, de hervorming is toegedaan. Hijzelf heeft zich goedkeurend uitgelaten over de pogingen van Willem van Oranje en de graven van Egmond en Hoorne, om de kardinaal Granvelle het land uit te krijgen. De edelen in Brussel hebben gedreigd, de zittingen van de Raad van State niet langer te zullen bijwonen zolang Granvelle daar is. Het gist overal, maar men komt er niet achter wat er precies aan de hand is. Wel is het algemeen gevoelen, dat Willem van Oranje zich begint op te werpen als strijder voor de rechten en vrijheden van land en volk. Verder diene tot uw informatie, dat het veerschip van Engbert Luyten de stad nadert. Zijn er nog orders, heer burgermeester?”

Gerrit van Cranenburgh keek hem gimlachend aan. De hand verhief zich van het tafelblad en maakte een wuivende beweging. “Ga naar uw vrouwe, Wolter Hubrechtse, en laat zij u goed verzorgen.”

Het onderhoud was afgelopen. De burgermeester had genoeg te horen gekregen om over na te denken. De stadsloper maakte  een buiging en verliet het vertrek.

Koert Hinrichs was nergens meer te zien, toen Wolter de grote hal betrad. Die had zijn post natuurlijk al ingenomen bij de Bruggepoort, waar de reizigers van het veerschip de stad zouden binnenkomen. Het was hem wel. Hij ging nu naar Wijmpien en zou zich door niets en niemand meer laten ophouden.

Dat was hij van plan, maar toen hij in de Bruggestraat het huis van Meester Willem Barbier was gepasseerd, sloeg hij opeens de Vrouwestraat ( nu Kerkstraat ) in. Hij wist zelf niet waarom hij dit deed. Het was bijna alsof een innerlijke drang hem die richting deed nemen.

Griete, de maarte van de secretaris Daniël van Renssen, was bezig, de stoep te schrobben, toen Wolter Hubrechtse passeerde.

Hij gimlachte tegen de jongste zuster van zijn vrouw.

“O snaar, laat toch de arbeid rusten, ook ijver vraagt naar maat,”riep hij onder het voorbijrijden.

Zij richtte zich op en keek hem met een guitige blik aan.

“Zusterman, wat weet gij toch van arbeid, gij paardernhart. ’t Is al zijn wereld waar, wanneer in Harderwijk iets vreemds gebeurt, steeds is het op de dag dat Wolter terugkeert of vertrekt. Gij zwartekunstemaker.”

“ Kakelen zonder eierleggen, Griete, gij weet dat wel.”

Hij stak de hand op bij wijze van groet toen hij haar voor bijreed, een glimlach om de mond. Hij kon goed met zijn schoonzuster overweg.

Wolter wilde langs de kerk naar de Smedepoortstraat en moest zodoende de pastorie op de hoek van de Wehmestraat ( nu Israëlstraat ), passeren. Op hetzelfde moment, dat hij deze bereikte, zwaaide de zwaren deur open en Andrys Roest stapte naar buiten, op de voet gevolgd door een monnik in de pij der Fraciskanen. Rutger van Baer, de pastoor, sloot de deur achter hem.

De stadsloper wierp onder het voorbijrijden een vluchtige blik naar de bijde mannen en toen voelde hij opeens een vreemde kriebel langs zijn rug gaan.

Die monnik hoorde niet in Harderwijk thuis en toch moest hij hem kennen of tenminste hem eerder gezien hebben. Maar hoe en wanneer en waar? Wie was het en wat deed hij hier, en nog wel in gezelschap van die Andrys Roest? Het gevaar was hem vooruitgegaan.

De vragen stormden in hem omhoog. Wat deed die Jezuïtenpater in Harderwijk, als Fraciskaan verkleed? Daar stak iets achter.

Wolter Hubrechtse vond al spoedig het antwoord. In Arnhem had hij heel wat gehoord over de spionnenpraktijken van de Jezuïten en die pater Anselmus, zoals hij zich noemde, was een gevaarlijk heerschap.

Toen hij het Kerkplein bereikt had en de mannen hem niet meer konden zien, stuurde hij zijn paard in de richting van de Smedepoort.

Wijmpien moest nog maar wat wachten.

Er waren belangrijker dingen, die gedaan moesten worden.

Einde hoofdstuk 2

 

 

Dit bericht was geplaatst in 't Geuzenjonk van Harderwijck.

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Verplichte velden zijn gemarkeerd met *