Een gevecht als voorspel hoofdstuk 1

 

 

Hoofdstuk 1

Een gevecht als voorspel.

De zware eikenhouten deur van het stadhuis aan de Broeren zwaaide langzaam dicht achter Wolf van Ommeren, schepen van de Hanzestad Harderwijk, reder en zeevaarder,koopman, en een gewaardeerd lid van het Sint Joris Gilde.

Koert, de stadsdienaar, keek hem hoofdschuddend na.

“Heer Wolf heeft zich op een harde bokking verbeten,” ging het door hem heen. “Er moet iets bijzonders aan de hand zijn geweest in de samenkomst van Raad van Schepenen. Het gelaat van sinjeur Wolf staat als een verroeste hellebaard. Maar vreemd, in zijn ogen lag het licht van een lachende lentedag. Wonderlijk.”

Met een nadenkende trek op zijn gezicht wendde hij zich om en verdween weer naar de bodenkamer.

De schepen wist niets van de gedachten van de stadsdienaar. Hij had hem in het voorbijgaan zelfs nauwelijks opgemerkt, omdat zijn  gedachten niet bij mensen verwijlden, tenminste niet bij mensen uit zijn naaste omgeving.

Wolf van Ommeren zat in zorg over het welzijn van zijn woonplaats. Het gistte in Harderwijk. Dat was al jaren zo, maar het begon zich steeds meer toe te spitsen. En de stadhouder van Gelre en de landvoogdes Margaretha in Brussel, ze wisten er van.

In de kerk bij pastoor Rutger van Baer kwamen de mensen steeds minder. Nu, dat kon hij zich wel begrijpen. Hij kwam er zelf evenmin. Al lang niet meer.

Vreemd, dat hij nu net aan die pastoor moest denken. Wanneer hij heeroom in de stad passeerde, groette hij hem niet. Anderen deden dat ook niet. Maar dat was toch wat, het hoofd van de kerkfabriek negeren?

Maar Rutger van Baer verdiende niet anders. Het spekken van eigen beurs was voor hem van meer belang dan de zorg voor de gemeente. De parochie van Onze Lieve Vrouwe, waarover hij de herderstaf zwaaide, noemde hij zelf: een kudde van onwillige varkens en stotende bokken, met een paar makke schapen.

Nee, dan was de gardiaan ( hoofd) van het Minrebroederklooster, aan de overzijde van de Broeren, recht voor hem, een heel ander persoon. Lambertus Wertinus was een eerlijke, rechtschapen kerel, iemand, die je kon vertrouwen, ook al was je het in geestelijke dingen niet met hem eens.

Wolf van Ommeren wás het niet eens met Rutger van Baer en niet met Lambertus Wertinus en dat was de oorzaak van de sombere trek op zijn gezicht, toen hij uit de vergadering van raad en schepenen kwam.

De landvoogdes, Margaretha van Parma, zat de stadhouder van Gelre achter de broek, om alles te doen wat slechts mogelijk was om de door haar broer, Phillips II en haarzelf gehate nije lere, uit te roeien.

Vanmorgen hadden zij daar in de raadzaal weer een staaltje van te horen gekregen. Hij kende de brief nu uit zijn hoofd:

“Kaerle van Megen, stadhouder en kapitein – generaal in Gelre en Zutphen, gelast op bevel van de Hertogin van Parma, aan Burgermeesteren, Schepenen en Raad van Harderwyck, onderzoek te doen naar de distributeurs en de aldaar aanwezige exemplaren van een door de sectarissen verspreid, te Antwerpen gedrukt boekje getiteld Belijdenisse des gelooffs etc.

Gegeven te Arnhem den XXVIIIen Marty 1562.”

Onwillekeurig ging zijn hand naar een plek onder zijn blauw lakense tabbaard, waaronder hij een gouden kleinood, zoals hij dat noemde, bewaarde.

De Hertogin van Parma moest maar eens een onderzoek instellen in de zak van zijn tabbaard.

De Belijdenis des Geloofs, door Guido de Brès opgesteld, was haar loop begonnen door de Nederlanden en het werd een goede loop, die zich door de eeuwen heen zou voortzetten. Geestelijkheden en leken kregen haar onder ogen. Ze bracht blijheid en verwachting bij velen, maar bij anderen haat en verbeten gezichten.

Wolf van Ommeren verlangde naar de avond, als hij bij het haardvuur zich zou kunnen verlustigen in de kostelijke woorden van dit boekje. Dit was toch zo heel anders dan wat hij jarenlang in de Vrouwenkerk had gehoord. Wat bazelden de predikheren toch? Alleen Jezus Christus was de zaligmaker der mensen. Alleen Hij was onze voorspraak bij de Vader in de hemel.

Met bedaarde schreden, zoals een achtbaar schepen van een roemruchte stad betaamde, daalde hij de trappen van de stadhuispui af, terwijl hij zijn blikken liet gaan over de bedrijvigheid op de Broeren, het marktplein voor het stadhuis, zo genoemd, omdat het klooster der broeders, der Minrebroeders, aan de overkant stond. Hier was de kleine markt, waar de boeren uit de omtrek en neringdoenden hun waren aan de man brachten. De grote markt was de vismarkt, waarvan het verlengde door Koornmarkt en Ossenmarkt werd gevormd.

Het was een drukte van belang.

Bij het waaggebouw reden de wagens van de handelslieden af en aan. Het ging alles vlot in zijn werk, want op de Broeren mochten geen wagens blijven staan. In 1562 had Harderwijk al een parkeerverbod. Zij, die hun waren aan de man wilden brengen, konden er met hun manden en kratten een plaats zoeken. Voor hen was er voldoende ruimte, langs de muren van het klooster, het wijnhuis en het stadhuis.

Wolf van Ommeren had altijd zijn plezier in deze drukte. Vanuit grote omtrek kwamen landbouwers en veehouders met hun produkten hierheen.

Ha, daar had je Heyntgen van Hierden op haar eigen plek. Daar was zij steeds te vinden. Maar Heyntgen zorgde er ook voor, dat zij met het openen van de poort binnen was, zodat zij kon gaan staan waar zij wilde.Haar klanten wisten haar daar wel te vinden.

De grote rieten botermand had zij voor zich op de grond gezet, keurig met een doek bedekt. Het was een weet in Harderwijk, dat de beste boter lag in de mand van Heyntgen van Hierden.

Er kwam een glimlach op zijn gezicht, toen hij Swaene, hun maarte, uit de Donkerstraat zag komen en pal op Heyntgen afstevenen. Swaene had altijd haast. Thuis ook. Steeds zag hij haar bezig.

“Schellingen worden geslagen om er voor te werken,”placht Swaene te zeggen. En zo was het eigenlijk ook.

Toen Wolf van Ommeren Heyntgen genaderd was, verdween Swaene langs de waag naar de Bruggestraat.

Heyntgen had alweer een klant, de Vrouwe van Wijnbergen uit de Donkerstraat, op de hoek van de steeg naar het klooster. Ze was altijd vergezeld van haar zwarte bediende. Wanneer zij uitging was de Moriaan bij haar, haar bewaker en haar bediende, haar gelddrager ook.

Wolf van Ommeren knikte de joffer beleefd toe en kreeg een welwillend knikje terug.

De huishoudster van pastoor Van Baer drukte zich tussen hen in.

“Waorum hej een doek over de botter, wijf, of mag se niet gesien worre?”

Heyntgen antwoordde niet. Ze moest met vrouwe Van Wijnbergen afrekenen. Daarna wendde zij zich naar de nieuwe klant.

“Tegen de vliegen en tegen stof,”zei ze toen. “Onzin. Vliegen in maart? Misschien bij de ketters. En daar stikt het in Harderwijk van.”

Heyntgen schrok. Zou deze brutale joffer misschien vermoeden, dat zij soms verboden lektuur las? Zij en haar man? Lektuur waartegen de plakkaten van de landvoogdes waarschuwden.

“Niets laten merken, doen alsof je het niet hebt gehoord,”ging het door haar heen. “Daarvoor, joffer. Wilde de joffer botter kopen? Dan zal ik die laten zien.”

“Niet alleen zien, proeven ook. Het beste is voor heeroom niet goed genoeg.” “Maar van mien botter proeven jy niet, joffer en niemand niet. Jy kunnen kopen of wiederop gaon, maer Heyntgen van Hierden laten haar botter niet van elkendeen bedumelen.”

Ze schrok alweer, nu, omdat ze haar naam genoemd had tegen dit brutaal stuk vrouwmens, dat het niet op ketters begrepen had.

“Hé, zwartgeblakerde galgepaal met je flodderflappers, zwart gedrocht uit een walvishang,” werd er opeens geroepen en op de Broeren was alles meteen in rep en roer. Boven en achter de manden met ganzen, boter en eieren veerden tientallen hoofden omhoog. Nieuwsgierige blikken flitsten de markt over. Wat kon er aan de hand zijn? Wie had er geroepen en voor wie was het bedoeld?

Dat laatste was voor niemand een vraag. Allen hadden de zwarte bediende wel gezien. Ze zagen alles, deze mensen,letten overal op, omdat ze zo heel weinig meemaakten op hun afgelegen hofsteden.

De schepen wendde zich om op de hoek van de Bruggestraat, alsof hij begreep, dat er iets ernstigs aan de hand was. Dat was het ook. Het was een belediging voor Vrouwe Van Wijnbergen, dat men haar bediende uitschold in haar tegenwoordigheid. En dat in Harderwijk, de meest nette stad van de hele Hanze.

Er zeilde iets door de lucht de Donkerstraat in, een rotte ui, die voor de neger was bedoeld, maar Vrouwe Van Wijnbergen raakte.

Kreten van schrik klonken van alle kanten.

Zoiets was in de rijke handelsstad Harderwijk nog nimmer voorgevallen. Het was iets vreselijks. Een der aanzienlijkste dames van de stad was gemolesteerd,beledigd op klaarlichte dag.

Garret Vlyck liet zijn mand met eieren voor wat die was en beende in de richting van de Donkerstraat. Daar hadden de scheldwoorden geklonken en hij wilde weten wat er aan de hand was, om het vanmiddag in geuren en kleuren op de Henneproete aan zijn vrouw Merrye te kunnen vertellen. Merrye was altijd erg happig op nieuwtjes.

Hij was niet de enige, die zijn handel in de steek liet. Alleen Heyntgen van Hierden bleef op haar stee staan, alsof zij er op vastgevroren was. Zij liet haar boter geen moment onbewaakt. Ze kwam er immers toch wel achter wat er aan de hand was, als Brant Aertsen naar zijn ganzen en Garret Vlyck naar zijn eieren terugkeerde? Ze had wel gezien, dat een jongen met een rote ui gooide, toen de huishoudster van de pastoor bij haar vandaan ging.

Opeens was er een gevecht gaande op de Broeren. Twee jongens op de vuist.

Noey Roest, die het projectiel had geworpen, voelde zich door sterke jongenshanden aangegrepen.

“Jij verrookt stuk bokkinggrom, ik zal jou leren, een goed mens uit te schelden en de joffer Van Wijnbergen te beledigen. Daar! En probeer het nou nog eens als je het lef hebt!”

Noey schrok, toen hij een opstopper tegen de borst kreeg. Hij zag Gosen Zeegers met opgerolde vuisten voor zich staan. Alle mensen, dat potige vissersjong. Daar moest hij mee uitkijken. Die had vuisten om je met één haal de Broeren over te slaan. En de mensen liepen te hoop. Ze kwamen hierheen, van alle kanten. Een plotselinge angst greep hem aan. Hij moest maken dat hij weg kwam. Overal om hem heen loerde gevaar. En daar had je die ketterse schepen ook. Kruisende scheuren in een versleten monnikspij, die kwam ook hierheen!

De angst scheen hem vleugels te geven, want ineen razend snelle beweging wendde hij zich om, om langs de kloostermuur te verdwijnen. Hij wilde er de spurt in zetten, maar voor hij één stap had gedaan, greep een hand zich vast aan zijn wambuis.

Noey Roest was nog niet weg of hij stond al weer. Op dat ogenblik kwam hij tot het besef, dat hij zou moeten vechten. Om een rotte ui. Ba, het was de moeite niet waard om daarvoor op de vuist te gaan. Maar hij moest.

Een wilde woede greep hem aan. Ha, maar hij was nog altijd een hoofd groter dan die Gosen. Misschien kon hij hem tegen de vlakte werken en dan zou hij met een paar rappe sprongen verdwijnen. Een harde Harderwijker, die hem zou inhalen. Maar het zou snel moeten gebeuren.

Zijn armen maaiden in het rond, hij greep zich vast aan zijn tegenstander om deze tegen de grond te krijgen.

Steeds meer volk kwam er opzetten. De mannen dromden om de vechtende jongens heen.

De poort van het klooster zwaaide open en een monnik in een bruine pij schoof naar buiten, de wereld in, Everhardus Doesborgh. Over hem zou men in Harderwijk nog heel wat te horen krijgen. Zijn ogen lachten, toen hij de oploop zag. Hij was zelf een vechter.

“Vermaledijde ketter,”siste Noey Roest tussen zijn tanden door, terwijl hij probeerde Gosen een beentje te lichten. Maar het leek wel alsof Gosen overal op bedacht was. Noey kreeg zelfs geen kans om hem en mep te verkopen.

De omstanders begonnen schik in het geval te krijgen. Het was in Harderwijk verboden om te vechten en zij maakten zoiets daarom nooit mee. Van alle kanten klonken kreten van bijval om de jongens aan te vuren, hoewel er heel wat mensen waren, die totaal niet wisten waar het om ging, of wie van de twee werkelijk een pak rammel verdiende.

En toen zeilde Noey Roest tegen de straat. Hij deed nog een poging om zich aan Gosen vast te grijpen, maar de handen gleden af op diens vissersjak. Onder daverend gelach van de kijklustigen lag Noey een ogenblik later languit over de Broeren. Gosen Zeegers liet zich bovenop hem vallen om hem te beletten weg te sluipen. Maar dat zou Noey toch niet gekund hebben. Er stonden teveel mensen om hem heen.

Eensklaps ontstond er een opening in de kring. Beleefd werd er ruimte gemaakt voor schepen van Ommeren.

Het gonsde door de omstanders heen. De man van het gerecht was ter plaatse. Nu zou er wat gebeuren. Het kon niet mooier. Straks zouden de vechters naar het hondegat worden gebracht onder het stadhuis.

Met snelle sprongen schoot een gestalte de stoep van het stadhuis af, botste bijna tegen pater Doesborgh op en haaste zich de Broeren over naar de samengedromde menigte. Het leek wel alsof Koert, de stadsdienaar, het gevecht had geroken.

De schepen keek omlaag naar de jongens op de grond. “Wat, vechten in de stad van Harderwijk? Dat is verboden voor de ingezetenen. Dat is ook aan jonggezellen niet toegestaan.”

Op strenge toon werden de woorden gesproken. Gosen Zeegers wendde het hoofd naar de spreker.

“Dit was geen vechten, heer schepen. Noey wierp vuil naar de joffer Van Wijnbergen en schold haar bediende Panga uit. Daarom wilde ik hem vasthouden tot de stadsdienaars waren gekomen.”

“Niet waar,”gilde Noey, “Jij bent een groot liegbeest, die nooit in  de Vrouwekerk komt. Alle ketters liegen, heer schepen. Hij is begonnen, hee schepen, en ik heb niets gedaan. Hij vecht altijd. De vechter van de keien, zo noemen ze hem. Alle jongens zijn bang voor hem. Behalve ik. Voor een slecht mens behoef je niet bang te zijn, zegt mijn biechtvader.”

Het kwam er zó vlot uit, dat het bijna eerlijk leek. Een geslepen vos probeerde zich uit de narigheid te praten.

De stadsdienaar stond nu naast de schepen.

“Uw woord, heer schepen, en ik voer hen naar waar gij hen wil hebben.”

De schepen antwoordde niet. Weer werd door de omstanders ruimte gemaakt. Men liet Vrouwe Van Wijnbergen door. Op haar gelaat stond diepe ergernis te lezen. De schepen maakte een buiging voor haar.

“Vrouwe, U hier? Wat schenkt ons de eer?”

Het was uit beleefdheid, dat hij dit vroeg. Hij vermoedde wel de reden van haar komst. De woorden van Gosen Zeegers begonnen nu betekenis te krijgen.

“Eer, heer schepen? Een onverlaat besmeurde met vieze uien mijn kleding. Nog nimmer werd zoiets genoemd in onze goede stad. Ik vraag voldoening van de schepenbank. En onderzoek naar de dader.”

Zij was ten hoogste verontwaardigd en de schepen moest toegeven, dat daar ook alle reden voor was. Ook hij had de scheldwoorden gehoord en de rotte ui zien vliegen, al wist hij op dat moment niet wat het was. Hij wierp een grimmige blik op de jongens voor hem op de keien. En wéér kwam de gedachte bij hem op, wat er eigenlijk achter stak. Nimmer was zoiets gebeurd. En je beledigde toch maar niet zo maar een edele dame? Afijn, vrouwe Van Wijnbergen moest antwoord hebben.

“A wel, vrouwe, de dader kan ik u tonen, zij het ook, dat de reden van zijn vuige doen voor mij nog in het duister ligt.”

Zijn vinger wees omlaag.

“Daar voor U, op de keien van de Broeren, daar ligt hij, die daar met het blauwe wambuis. Zo, dus jij bent op heterdaad betrapt op vechten en vuilspuiterij. Heb dank, Gosen Zeegers, voor de dienst, de joffer en de stad bewezen. Koert, onder ’t stadhuis met hem. Morgen zal de schepenbank zich over deze onverlaat beraden. Hij zal zijn straf niet ontgaan.”

Gosen richte zich op, terwijl de sterke hand van de stadsdienaar noey vastgreep en overeind trok. Het was niet de gewoonte van Koert om zachtzinnig om te gaan met wat hij arresteerde.

De jonge Moor stond met grote ogen te kijken. Zijn meesteres was beledigd door een blanke sinjeur, die nu weggeleid werd naar het kerkerhol. Goed zo! Hij zou in de handen willen klappen van plezier. Maaar dat mocht hij niet doen waar de vrouwe bij was. Straks, in de keuken, als hij met veel omhaal van woorden en welsprekende gebaren van handen en voeten en vooral ogen, aan de maartes over het voorgevallene zou vertellen, dan zouden zijn handen een roffel tegen elkaar slaan. Alle gedienstigen van het grote huis zouden het horen.

Hoofdschuddend vervolgde de schepen zijn weg door de Bruggestraat. Hij had opeens een wirwar van vragen waarop hij niet direct antwoord wist te geven.

Waarom had de zoon van de schout Roest Vrouwe Van Wijnbergen geaffronteerd? Wat stak daarachter? Stak er wat achter? Willem van Wijnbergen hing de nije lere aan, evenals hij, Wolf van Ommeren. Andrys Roest was een trouw aanhanger van pastoor Van Baer. Zou hij het in die richting moeten zoeken? Hij nam zich voor, de jongens morgen eens geducht aan de tand te voelen.

De schepen Wolf van Ommeren had er zelfs geen vermoeden van, dat Gosen Zeegers en Noey Roest de hoofdpersonen zouden zijn van opwindende gebeurtenissen, die op komen stonden, die en hijzelf en de monnik Everhardus Doesborgh, die in de Wolleweversraat was verdwenen, zouden meemaken.

De jongens wisten het zelf ook niet.

Het begon op de Broeren in Harderwijk.

Einde hoofdstuk 1

 

 

 

Dit bericht was geplaatst in 't Geuzenjonk van Harderwijck.

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Verplichte velden zijn gemarkeerd met *