Een moddersloot in Harderwijk ( Historisch)

Harderwijker Courant   Woensdag 23-08-1899

 

Een moddersloot in Harderwijk

( Historisch)

 

 Terecht of ten onrechte wordt door sommigen geklaagd over den onvoldoenden staat van ons huidig rioolstelsel en de wenschelijkheid, om daarin verbetering aan te brengen, meer dan eens op min of meer krasse wijze uitgesproken, naar gelang de spreker een fijner reukorgaan bezit.

   ’t Is waar, er is onder de zon niets volmaakt en er is geen voortbrengsel van menschelijk vernuft aan te wijzen,dat niet voor toenemende verbetering vatbaar zou zijn.

    Het stelsel van rioleering maakt daarop allerminst een uitzondering. Wie echter ouden van dagen hoort spreken over de vroegere waterloozing, die moet al dadelijk toegeven, dat in de loop der jaren veel veranderd en verbeterd is en dat tegenwoordig geslacht, wanneer het onder het oude regime moest leven, steen en been zou klagen vanwege den ondragelijken stank( vergeef ons dit woord ), voortkomende uit de goten, grachten en sloten.

    En zoo komt het, dat velebejaarde inwoners, waardeerende, “De liefdevolle zorghe der Stadsregeeringhe”,den Magistraat dankbaar zijn voor al het goede, wat hij in zijn vaderlijke wijsheid op het punt van “Zuiveringhe der stadt”heeft tot stand gebracht.

    Een van die onoverdekte slooten,bij het volk bekend onder den naam “Stadsbeek”, en die recht een vergaderbak kon heeten van al, wat vuil was, liep langs de voorzijde van het kinderhuis, dat zijn fraaien tuin nog niet bezat. Die sloot was voor velen een bron van ergernis, zoodat het verstandige besluit tot demping ten zeerste werd toegejuigd en gewaardeerd.

    Onmiddellijk grenzend aan het kerkhof, dat toen een bosch geleek bestond er’s avonds, bij gemis van goede straatverlichting, voor hier weinig bekende voorbijgangers gevaar, dat ze in die poel van jammer en ellende terecht zouden komen.

    Meer dan eens gebeurde het dan ook, dat de reddende hand moest worden uitgestoken.

Zoo werd ons een geval medegedeeld van eene vrouw, die op een donkere avond van ’t jaar 1855 het ongeluk had in de “Beek” te vallen. Zij kwam van een buurtschap achter Putten en wilde haar zoon bezoeken, die als koloniaal vertoefde in de kazerne. Ze was wat laat van huis gegaan en schoon de wegen hobbelig en op enkele plaatsen onbegaanbaar waren. Ze had die moeilijkheden en die vermoeiennissen niet geteld bij ’t vooruitzicht, dat ze weldra haar geliefdekind in de armen zou drukken.

    Arme moeder! Ge hadt zeker niet vermoedt, dat ge dien avond Uw kind niet zien zoudt!

Zwervend door de straten, te beschroomd, om voorbijgangers naar den weg te vragen, kwam zij door den Vijestraat, waar ze in de verte het licht boven de kazernepoort zien kon.

    In die richting liep ze voort. Doch in de donkere schaduw van de Lindeboomen op het kerkhof, waar ze een paar schreden zijwaarts uitweek, stortte ze van de steile helling der beek naar beneden. Tevergeefs beproefde zij zich op te richten: Bij elke poging tot bevrijding zonk zij dieper in den zuigende bodem. Een paar uuren wel bleef zij worstelen. Haar krachten waren schier uitgeput; haar noodkreten waren niets dan een stamelende bede om hulp.

 De dienstbode van den heer Dr. Bleek van Rijsewijck moest in den laten avond een boodschap doen. Zij kwam voorbij den Beek, een jammerlijk hulpgeroep steeg er uit de diepte tot haar op. Aandachtig luisterde zij toe. Zij boog zich voorover en duidelijk klonk haar de klacht in de ooren: “Ach! Help me, help me!”

    Niet in staat, hulp te verleenen, riep zij den bijstand in van een korporaal, die daar voorbij kwam.

    De heer Manuel van Menk, bood zijn sterken arm aan in dienst van het reddingwerk en met vereende krachten werd de vrouw uit het slijk opgetrokken. Bibberend van de kou, uitgeput door de doorgestane ellende, wekte de arme moeder het medelijden op van de inmiddels aangekomen nieuwsgierigen, bereidwillig werd haar een onderkomen verleend. Men voorzag haar van frissche kleederen en sterkte haar met spijs en drank.

    Die arme, oude ziel!

Duizendmaal haar dank uitstamelende, nam zij den volgende morgen van haar weldoeners afscheid, om eenige oogenblikken later opnieuw, maar nu een roerend afscheid te nemen van haar zoon, om wiens wille zij den vermoeiende tocht had volbracht.

K.

XXXXXXXX

Dit bericht was geplaatst in Verhalen bundel.

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Verplichte velden zijn gemarkeerd met *