Een Moeder.

Een Moeder.

 

    Moedelos beklom ze de ongeverfde trappen naar ’t zolderkamertje waar ze sliep.

Starend tuurde ze door het eene grootte raam dat op de achtertuintjes uitzag.

    Werktuigelijk ontkleedde zij zich.

’t Liep mis. Nergens zag ze meer uitkomst. Er was ook heel wat noodig in een huishouden van zeven personen!

    Lukas, zijn vrouw, vier kinderen en dan zij nog, zijn oude moeder, die meehielp hun armoede op te eten….

    Wat waren ze vol goede hoop geweest toen ze ’t winkelhuis in ’t nieuwe stadsgedeelte huurde waar’t grootste gedeelte nog in aanbouw was.

    En de menschen kwamen ook wel, maar vroegen naar dingen die je niet in voorraad had. Geld om in te slaan was er ook niet; alles wat je beurde werd meteen opgegeten.

    ’t Was een kruis! Kon ze maar helpen…….

Och, zij was nergens meer goed voor; niet eens om in ’t huishouden wat uit de weg te nemen. Sinds dat rare vlies voor d’r oog groeide kon ze geen draad meer in de naald steken, geen kous meer stoppen….

    Haar spaarpotje was ook leeg; oh, al zo lang! En alles wat ze bezat aan waarde, haar bellen, broche, tot ‘r trouwring toe, was beleend of verkocht. Wie wilde goud aan zijn lichaam hangen zoolang de kinderen met groote, hongerige oogen naar de ledige broodtrommel keken….dan was je toch geen mensch?

    Wat zat die arme jongen lieve jongen van ‘r, vanavond weer te tobben; zijn hoofd steunend op zijn hand, zijn voorhoofd vol rimpels als koorden. ’t Was of ‘r hart leegbloede wanneer hij zoo wanhoopig in’t lamplicht staarde.

    Vandaag had hij weer een paar maal “nee “moeten verkoopen. Nou, dan bleven de menschen weg!

    Als er maar geld was om in te slaan….En overmorgen was het de dag der verschrikking, de eerste van de maand, de huur moest er wezen, maar waar vandaan?

    Hemeltje nog aan toe ze kan het niet goed prakkezeeren…..er was geen uitweg!

Haar oude hoofd gloeide. Al een paar nachten had ze geen oog dicht gedaan.

    Zie, als zij stierf, kreeg Lukas een mooie uitkeering van de Levensverzekering Maatschappij; twee duizend gulden! Nou, daar kan je wat mee doen; Daarmee was je er glad bovenop.

    Hadden ze de helft maar vast…….

Maar och, dat hielp nu niets: betalen konden ze daar nog voor, iedere drie maanden.

    Want ze was immers niet dood, kon nog wel vijf, tien jaar leven?

Als ze dacht wat er in dien tusschentijds met ‘r jongen kon gebeuren, werd ze gek.

    Wat was hij niet altijd goed geweest voor zijn oude moeder die de boel maar hielp opmaken….en zijn vrouw ook wel, dat moest gezegd.

    ’t Was maar zelden dat ze een hard woord kreeg. Nee, wat dat betrof hadden duizenden het slechter bij hun kinderen.

    Langzaam besloop haar een helsch duistere gedachte. ’t Was of ze een diep zwarte afgrond keek, met toch een verblindend licht er door heen.

    Als donder en bliksem woedde het door haar gemartelde hersens. ’t Gonsde in haar ooren.

    Ze sloeg de dekens terug. ’t Was benauwd warm in bed.’t Grauwe morgenlicht drong reeds naar binnen. Ze zou maar opstaan, aan slapen viel toch niet te denken. Moeizaam trok ze haar kousen aan, opende voorzichtig het venster. Het motregende.

    Wat was dat zinken afdak van de balkons van driehoog toch dicht onder haar raam. Je kunt er zoo bij reiken. Als je lust had kon je er wel op wandelen, tot aan den hoek toe.

    Onhoorbaar stapte ze op het plat.’t Was nat, ze moest oppassen……..Voetje voor voetje, tegen den muur gedrukt sukkelde ze voort op ‘r kousen.

    Kijk eens, hier was ze al bij ’t hoekhuis! Aan de afvoerpijp klemde ze zich vast.

Daar verderop waren de huizen die nog in aanbouw waren. De tuintjes lagen nog braak. Wanneer die allemaal gereed en bewoond waren, werd hier de winkelstand het dubbele waard! Als je ’t zoolang maar uitzingen kon……….

    Over de rand van het afdak keek ze omlaag.

Een rilling doorsidderde haar wezen. Hé, wat stond ze hier hoog.

    Eensklaps liet ze de regenpijp los. Een zee loeide in haar ooren.

Driemaal sloeg haar onderkaak heftig op en neer. Stijf kneep ze haar oogen dicht, strekte afwerend de dorre handen voor zich uit……..

    Toen stortte ze in de diepte…….

In de verte kondigde hanengekraai den nieuwen dag aan.

XXXXXXX

 

Bron:  M.Geisler-Plat

Over Veluws weekblad

18-06-1930

Dit bericht was geplaatst in Verhalen bundel.

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Verplichte velden zijn gemarkeerd met *