Een ontmoeting met de vliegende Hollander.

 

EEN ONTMOETING MET DE VLIEGENDE HOLLANDER.

 

De vliegende Hollander is niet alleen maar aan vreemde schippers verschenen.

Neen, ook aan hen, die aan de boorden van de Zuiderzee woonden vertoonde hij zich.

Maar ij trof het niet altijd even goed want de kapiteins uit die contreien waren geen kleintje vervaard.

Eens had een Makkumer schipper een ontmoeting met de Vliegende Hollander.

Dit gebeurde in de Spaansche Zee, gedurende een onweer om van te beven. De bliksem was niet van de lucht en de donder ratelde over de wateren. De wind gierde door het want en de golven rolden over het schip. Alles steunde en kreunde aan het Friesche schip maar dit zat soliede in elkaar en kon wel een stootje hebben. Het stampte en slingerde en soms scheen het of het naar de kelder zou gaan maar telkens stak het zijn kop weer uit de schuimende golven omhoog. Nu eens balanceerde het op de top van een hooge golf, dan weer stortte het met snelle vaart een diep waterdal in. Maar het hield zee, dank zij de volleerde zeemanskunst van de kapitein.

Niet dat de kapitein het bij dit noodweer noodig vond uit zijn kajuit te komen en zelf het stuurrad in handen te nemen. Dat niet. Dan moest er eerst nog iets anders gebeuren.

Hij liet het voorloopig nog over aan zijn stuurman, die immers de zeemanskunst van hem geleerd had? Nee, neen, voor hijzelf aan het roer kwam moest het eerst anders spoken. Rustig zijn pijpje rookend zat ie in zijn kajuit en gaf af en toe een bevel.

Dat was alles wat ie deed.

Vol vertrouwen op zichzelf en op zijn sterke schip rookte n ie pijp na pijp, net zoolang tot zijn hut blauw zag van de smook. Maar het scheepvolk zag de toestand donker in en menigeen maakte het heilige kruisteeken.

Ook de stuurman, die overigens toch een kloeke zeeman was voelde hoe de angst hem besloop en hij vroeg het vroeg het roer aan de kapitein over te mogen laten.

Maar de schipper keek eens naar buiten, deed een trekje aan zijn aarden pijp en zei: “t’Zal wel gaan. Blijf maar aan ’t roer. ’t Is nog niet noodig dat ik kom”.

vliegende hollander

De kalmte van de schipper gaf het scheepsvolk wel eenige rust, maar het noodweer werd steeds erger en zoodra de kapitein het hoofd weer in de hut teruggetrokken had greep de angst hen opnieuw bij de keel.

Plotseling, wat was dat?

Waar dan? Vroegen de bange oogen.

Daar te loevert? Een schip?

Had de stuurman goed gezien of had ie het zich maar verbeeld. Was daar een oogenblik een schip zichtbaar geweest, heel dichtbij, zoo dichtbij zelfs dat men had kunnen beroepen? Wie kon het met zekerheid zeggen? Het was maar een ondeelbaar tijdstip geweest, een moment. Boven op de rug van een geweldige golf was het verschenen; maar even plotseling was het in de diepte weggedoken.

De stuurman rilde.

De bemanning klemde zich ontzet aan de mast en want vast.

Wat ging er gebeuren? Wat hing hen boven het hoofd?

Daar is het weer, schreeuwde de bootsman heesch. De stormwind scheurde zijn gillende woorden in flarden, maar de stuurman ving er een klank van op. Waar?

Maar hij hoefde niet te vragen want daar, op geen drie scheepslengten afstand laveerde de Vliegende Hollander.

Hoog danste het spookschip op de golvenkoppen en nauwelijks kon men onderscheiden of het water raakte dan wel op de stormwind reed.

Bij de groote mast stond een donkere gedaante. Overigens was er niets op het ijselijke schip te zien. Wit bolden de zeilen en akelig spookachtig staken de drie toppen der masten af tegen de donkere wolkenflarken aan de wilde hemel.

De zee schuimde en kookte en de storm gierde door het want en alles aan boord van de Makkumer steunde en kraakte.

De stuurman rukte de deur van de hut van de kapitein open en ontdaan schreeuwde n ie: “De Vliegende Hollander!”

Zoo, zei de schipper bedaard, is de Vliegende Hollander er. Nou, ik kom eens kijken hoor. Maar voor dat ie naar dek ging stopte n ie eerst nog een verse pijp Oldenhove.

Toen ie zijn pijp aan een kooltje aangestoken had deed ie voor de erge wind een dop op en stapte doodbedaard zijn hut uit om eens polshoogte te gaan nemen. Het scheepsvolk echter was de kluts kwijt.

Radeloos liepen de matrozen heen en weer. Eenige lagen op de knieën en baden Maria om bijstand, anderen riepen in hun angst om moeder.

De stuurman stond lijkbleek aan het stuurrad.

De Vliegende Hollander echter koerste als razend in een cirkel om de Makkumer heen en hij maakte zijn kringen steeds enger.

Wat wilde het spookschip?

Hoe zou dit avontuur afloopen?

Zou dit het einde wezen? Zouden ze ooit weer vrouw en kinderen terug zien? Ooit weer over de Makkumer Zijl loopen of bij de leugenbank naar de ijselijke verhalen luisteren over het witte wief en over het zeespook bij Zurich?

De kapitein echter vroeg zich niet af wat de Vliegende Hollander wilde.

Kalm trok ie aan zijn pijp en beval dat men hem een brandend stuk hout zou brengen. Aarzelend voldeed men aan dit zonderlinge bevel. Wat zou daar van komen?

Ondergang natuurlijk, dood en verderf.

De kapitein drong een beetje haast te aken, want zei ie, we moeten de Vliegende Hollander een groet brengen. Hij moet niet kunnen zeggen dat de Makkumer schipper hem niet de eer bewezen heeft, die hem toekomt.

Onderwijl had de schipper de draaibussen geladen en toen men nu met de brandende flambouw aankwam begreep het scheepsvolk wat de schipper in de zin had.

De ruwe baardige kerels stonden op hun beenen te trillen en hun knieën knikten. Ze wisten dat hun kapitein een kerel was, voor de duivel zelf niet bang, maar dat hadden ze toch niet verwacht. Wat de kapitein nu ging doen was de Vliegende Hollander verzoeken.

De bemanning bereidde zich dan ook op het ergste voor.

Maar de kapitein berustigde hen.

Weest bedaard mannen, zei ie, het zal nog wel gaan. Hij richtte de beide draaibussen, deed nog een trekje aan zijn pijp en stak daarna met zijn brandende fakkel het kruit in de pannen aan.

Twee schoten bulderden over de kokende zee en………….de Vliegende Hollander was er niet meer. Er was geen spoor meer van het spookschip te zien.

Zie je wel, lachte de schipper, we hebben hem de eer gegeven, die hem toe komt, nu is ie tevreden.

En hiermee ging de kapitein weer naar zijn kajuit zijn pijpje zitten rooken of er niets gebeurd was..

Maar het scheepsvolk bleef schuin kijken naar de plaats waar ze de Vliegende Hollander hadden zien spoken en menigeen had berouw dat ie bij deze schipper gemonsterd had.

Deze schipper was de voor de duivel nog niet bang en met angstig ontzag gluurden de mannen naar de deur van de hut waarachter ie zat te rooken.

Langzamerhand zakte de storm, bedaarde ook de zee en kwam er weer eenige rust in de gemoederen van de ruwe mannen. Maar dat duurde niet lang.

Op een avond toch hoorde men zacht geplas en geplons in het water, net of men met een sloep naderde.

De stuurman en de bootsman keken scherp uit en jawel hoor niet zoo heel ver weg kwam een sterk bemande boot aangevaren. De mannen trokken uit alle macht aan de riemen en schenen zich te haasten, zoo spoedig mogelijk het Friesche schip te bereiken.

Daar heb je het al, jammerde de bootsman, zeeroovers. Wat een reis. Eerst de Vliegende Hollander en nu zeeroovers.

Zoo, antwoordde de kapitein, die juist zijn dekwandeling maakte en zijn pijpje rookte, zoo, zijn ze daar. Wel kom – an. Hij verzamelde alle mannen om zich heenen en hield een soort van wapenschouw.

Komen we er levend af, vroegen eenigen met klagende stem.

’t Hangt er van af, of hij daarginds is. Maar we moeten ons best doen mannen en dan zal het wel gaan.

Intussen was de sloep al aardig genaderd en duidelijk kon men de mannen er in onderscheiden. De matrozen stonden te rillen en te beven en de stuurman vroeg benepen: Wat moeten we doen schipper?

De schipper deed een trekje aan zijn pijp en sprak kalm: haal zeven leege flesschen.

Zeven leege flesschen?

Ja, en dadelijk, versta je.

Eén van de matrozen kwam er weldra mee aan en de kapitein vulde ze eigenhandig met droog buskruit.

En nu de fakkel, kommandeerde n ie. Kok, een brandend stuk hout asjeblieft!

De kok hompelde naar de kombuis en kwam over zijn heele vette lijf bevend,met een smeulend eind hout aan.

Is dit goed, schipper?

’t Zal wel gaan, antwoordde de ouwe.

En nu opgepast mannen. De Vliegende Hollander moet niet kunnen zeggen dat de Makkumer schipper hem geen eer bewezen heeft. “Buk je” schreeuwde n ie en meteen smeet ie de zeven flesschen met droog buskruit een voor een in de sloep die intusschen langs zij lag.

Direct daarop slingerde n ie het brandende stuk hout de flesschen achterna en een ontzettende ontploffing volgde hierop.

Stukken hout, glas en ijzer vlogen de lucht in en over het schip heen en een dikke waterkolom spoot op, vlak naast het schip.

Maar van de sloep was niets meer te bekennen. Er dreef wat wrakhout rond en een tonnetje en zoo en wonderlijk genoeg van menschen geen spoor.

Ha, ha, ha, lachte de Makkumer schipper luid en uitdagend, ha, ha, ha! Men moet de Vliegende Hollander de eer geven, die hem toekomt ha, ha,ha!

Daarop ging de schipper bedaard naar zijn kajuit en beval de scheepjongen zijn tabakspot nog eens te vullen met versche tabak want hij had trek in een pijpje.

Verder verliep de reis voorspoedig. Na zeer korten tijd kwam het schip in de haven van Makkum aan en de reeders maakten zeer goede zaken met de lading.

Zóó was de ontmoeting van de Makkumer kofschipper met de Vliegende Hollander!

XXXXXXXXXX

 

 

 

 

 

Dit bericht was geplaatst in sagen en legenden rond de Zuiderzee.

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Verplichte velden zijn gemarkeerd met *