Een praatje over onze troonopvolging

Overveluws Weekblad 3 september 1930.

 

Een praatje over onze troonopvolging.

 

In Nederland wordt “ieder geacht de wet te kennen”. Deze bepaling is onmisbaar, – wil men niet den toestand in het leven roepen, dat telkens iemand, beschuldigd van schending of overtreding van eenige wetsbepalingen of verorderingen, er zich op beroepen door geen kennis te hebben genomen van zijn wettelijken plicht als staatsburger, – gezondigd had “ in onschuld door onkunde…”

Toch mag worden gezegd, dat ook ten opzichte van de gewichtigste en belangrijkste bepalingen – óók in onze hoogste staatswet aan inzicht wordt gevonden bij personen, van wie men meende te mogen veronderstellen, dat ze “beter waren ingelicht”.

Wij noemen nu slechts: de regeling van onze troonopvolging. Dat deze kwestie herhaaldelijk ter sprake komt, kan waarlijk geen verwondering wekken.

Ons regeerend Stamhuis van Oranje Nassau bestaat thans uit vier leden.

Van wie Hare Majesteit de Koningin en H.K.H. Princes Juliana van Oranje-Nassau tot de Kroon der Nederlanden in rechtstreeksch-persoonlijk verband staan – om ’t aldus uit te drukken. Terwijl onze hooggeëerde Koningin Emma, eenmaal Regentes van het Rijk en Prins Hendrik der Nederlanden de gemaal der Koningin, bij het vraagstuk der troonopvolging niet ter sprake kunnen komen.

Er is dus – krachtens de thans vigeerende Grondwet, – behalve het Hoofd van den staat, slechts één persoon, die momenteel aanspraak bezit op de Kroon krachtens geboorte en erfopvolging: prinses juliana.

Vóór 30 April 1909 – toen onze Krooonprinses geboren werd en ’t dus de vraag bleef, of uit het huwelijk van H.M. Wilhelmina en Prins Hendrik der Nederlanden, Hertog van Mecklenburg, kinderen zouden worden geboren, was de toestand te onzent t.a. der troonopvolging gansch anders dan nu, – na de Grondwetsherziening van 1922.

Toen ’t in 1813 “Oranje Boven!” werd na de Fransche overheersing, – trok men de lijn door, in 1747 getrokken. In dat jaar der achtiende eeuw werd het stadhouderschap erfelijk verklaard in de mannelijke en de vrouwelijke linie. Gijsbert Karel van Hogendorp heeft die gedachte belichaamd in zijn Schets, welke ter grondslag diende voor onze eerste Constitutie nadat Willem I, zoon van den laatsten Stadhouder, Souverein Vorst der Nederlanden was geworden. Van Hogendorp sloot echter de vrouwelijke linie uit van de erfopvolging. De Grondwet van 1814 erkende haar.

Willem I

Er is geweifeld tusschen: herstel van het erflijk stadhoudersschap en het opdragen der souvereiniteit – of: van de Kroon, in welke schakeering Thorbecke, in strijd met Groen van Prinsteren, beduidend verschil had ontdekt – aan den zoon van Willem V.

Men besloot to de souvereiniteit. “ Niet Willem VI – lezen wij in een der allereerste proclamatiën, na het Oranje- boven van November 1813, – “ komt in het vaderland terug, maar Willem I, souverein Vorst der Nederlanden!”

Dat was goed gezien. De Stadhouders, dienaren der Staten-Generaal, misten ten slotte kracht en macht om de eenheid der natie, als ’t erop aankwam, te kunnen handhaven. Dat was op de meest kritieke oogenblikken in onze historie bewezen.

Een Vorst was noodig. Boven de partijen staande. Die zijn wil kon doen gelden. Niet door Gedeputeerden te land of ter zee kon worden gedwarsboomd. Aldus geschiedde.

In de Grondwet van 1814 en 1815 werd neergelegd dat aan Willem Frederik, prins van Oranje Nassau en zijn wettige nakomelingen de Kroon der Nederlanden was en bleef opgedragen.

Aan dat “wettige” werd van meet-af-aan verknocht de bepaling ( nog altijd geldend! ) – dat een huwelijk door Koning of Prins ( Prinses) toestemming van de Volksvertegenwoordiging moest hebben verkregen.

220px-Queen_Wilhelmina_of_the_Netherlands

Werd aan dat voorschrift niet voldaan, zoo verloor de Koningin haar Kroon. Voor een Koning gold deze bepaling niet, maar zijne morganatisch gemalin ( men weet, koning Willem I was in tweeden echt gehuwd met de gravin d’Oultremont) – had generlei aanspraak op de troon, evemin als de kinderen, – uit zulken morganatischen echt geboren. Een Prinses, buiten medewerking van de Staten-Generaal in het huwelijk tredend, verliest haar aanspraken op de Kroon.

Wij keeren nu terug tot de Grondwettelijke bepalingen t.o. der troonopvolging van vóór 1922, toen de laatste Grondwets-herziening plaats had.

In 1909, bij de geboorte van prinses Juliana, gold nog, dat bij onstentenis van allerlei rechtstreeksche afstammelingen van den stamvader Willem I ook die van prinses Carolina – eene zuster van Stadhouder Willem V, – aanspraken op den Nederlandschen troon zouden kunnen doen gelden. Eerst wanneer er van deze magnaten – mannelijke ( die steeds voorgaan) of vrouwelijke – niemand meer in leven zou zijn – was de bepaling van kracht, dat eene dubbele Vereenigde Vergadering der Staten-Generaal zou overgaan tot de benoeming van een troonopvolger, – waartoe de laatstoverleden Koning(in) een voorstel had kunnen aanhangig maken.

Men lette wel: vóór de herziening der Constitutie van 1922 stond de troonopvolging open voor een lange reeks van in ons land geheel onbekende prinsen en prinsessen van Reuss-Greisz en Schleisz een “hervorzagende” plaats innamen.

Men weet – vóór het einde van den uitslag van den wereldoorlog was ’t niet mogelijk, onze troonopvolging te maken tot wat zij in 1922 is geworden.

’t Was niet mogelijk – zonder voor ons zelfstandig volksbestaan de ernstigste gevaren te openen! – al de magnaten van vreemden huize van de erfopvolging uit te sluiten.

In 1921 kon te langen leste de troonopvolging te onzent in zeer beduidende mate worden beperkt.

Toen werd in de Nederlandsche Grondwet opgenomen de bepaling dat: enkel de afstammelingen van den regeerenden Vorst voor de Kroon in aanmerking komen.

Bij ontstentenis daarvan wilden sommigen een referendum doen beslissen over den Staatsvorm. Dat is door de Regeering afgewezen.

Met de lijn, in 1747 getrokken is toen gebroken.

Vreemde stamhuizen werden afgewezen van de opvolging.

Aanvaard werd – in 1922 – de bepaling, dat bij ontstentenis van een opvolger, tot de Kroon gerechtigd, de man of vrouw, die den laatstoverleden Koning, – in de lijn der afstamming van H.M. Koningin Wilhelmina het naast, doch niet verder dan in den derden graad van bloedverwantschap bestaat – recht op den troon zal bezitten.

Verder gaat ’t thans niet.

De uiterste limiet is dus: de oudste in leven zijnde dochters van de voor-overleden dochter des laatst-overleden Konings.

Die vorstelijke persoon is op dit oogenblik: onze Kroonprinses Juliana.

f7ee0839-bd52-fb09-46c0-d19d03564467

Na H.K.H. komt – voor de erfopvolging, – nu niemand.

Zij verkeert dus, – wat deze voor ons land zóó gewichtige zaken betreft, – in gansch andere positie dan hare moeder, toen deze – na het overlijden van haar halfbroeder prins Alexander, kroonprinses der Nederlanden werd.

Het is dus een woord van geenerlei overdrijving als men zegt, dat: alle hoop des lands op haar gevestigd is!

Gelukkig mag men vertrouwen dat onze zoo sympathieke, kroonprinses ten volle zal beseffen welke plichten – naast hare aanspraken – in de huidige omstandigheden rusten op Hare Hoogheid, die den ouden, roemruchten titel van Prinses van Oranje mag voeren….!

( Opr. Hrl. Crt.)

 

Dit bericht was geplaatst in Verhalen bundel.

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Verplichte velden zijn gemarkeerd met *