Eene bladzijde uit Gelderlands Kerkgeschiedenis.

 

 

 

Eene bladzijde uit Gelderlands Kerkgeschiedenis.

 

Het was de eerste Januarij van het jaar 1550. Gelijk thans op den nieuwjaarsdag, zoo zal ook toen wel een meer dan gewone drukte hebben geheerscht in de huizen en op de straten. Verplaats u dan met uwe verbeelding in Gelderlands hoofdstad, waar het er voor drie eeuwen heel anders uitzag dan nu, en ziet, hoe ouden en jongen in feestgewaad naar de woning hunner vrienden zich heen begeven, om hun, of uit gewoonte of uit behoefte, een heilwensch toe te brengen. – Maar, ge zijt bij de plaats gekomen, waar sommigen nog de Velperpoort hebben gekend. Geen Musis Sacrum stond er toen, en niemand behoefde zich te vermoeijen, met naar de beteekenis te raden van de kolossale beelden, die er thans zijn geplaatst. Hoe het er daar uitzag in die eeuwenoude tijden – ik wil eerlijk bekennen, dat ik het niet weet. Ook heb ik uwe aandacht op iets anders te vestigen, dan op de slakkenhuisvormige poort, die er toen stond en op de doodsche wallen, waarvan Arhem toen, naar ik gis, was omgeven. Ik rigt uw oog naar een kleinen gewapende stoet, die de stad binnen komt; het zijn krijgsknechten, die een gevangene met zich voeren; geen dief of moordenaar, maar, in die dagen, in veler oog nog veel erger dan dat, – een ketter.

Het ketterdom, anders gezegd de hervorming, was in het begin der zestiende eeuw ook in ons vaderland van verschillende zijden met vreugd begroet, en vooral in Gelderland was de bodem bij uitnemendheid geschikt, om het nieuwe zaad in zich op te nemen en tot een vruchtbaren oogst te doen rijpen. Er was veel godsdienstig leven in deze streken. Wie kent niet de Zoogenoemde Fraterhuizen, door de leerlingen van Geert Groote gesticht, en de kloosters der Windesheimsche Vergadering, van waar mannen zijn uitgegaan, die door hunne welsprekendheid en zoo krachtigen invloed oefenden op hunne tijd, en door hunnen echt godsdienstigen zin zich verzetteden tegen bekrompenheid en vormendienst. Het was vooral de hervorming der kloosters, waardoor hij zij zich verdienstelijk hebben gemaakt en den weg voor de kerkhervorming hebben gebaand. Wilt gij enkelen hunner bij name kennen, ik noem u dan, behalve Geert Groote, zijn leerling Adolf van Clarenbach, Gerard Geldenauer, Brinckerink en Johannes Busch, maar vooral den welbekenden Joannes Brugman, wiens welbespraaktheid tot een spreekwoord is geworden.

 

Toen Luther in 1517 het groote werk der hervorming had begonnen, was Gelderland het eerste gewest van ons vaderland, waarheen de nieuwe gedachten der mannen van Duitschland overwaaiden. Met gretigheid werden de geschriften der hervormers, die door het levendig handelsverkeer gemakkelijk werden aangevoerd, gelezen en verspreid. De denkbeelden, door hen uitgesproken, vonden weerklank in veler hart. Maar het was ook hier, gelijk overal elders: zoodra het nieuwe licht zich wat helder begon te vertoonen, ontstond er een heftige tegenstand, en spoedig zond Karel V scherpe plakkaten en kettermeesters uit, om de nieuwe leer te onderdrukken. Wel kon hierdoor, evenmin als elders, het licht weêr onder de korenmaat worden geschoven; wel gingen de vrienden der hervorming voort, hunne bijbels en traktaten te verspreiden; maar menigeen, die met hart en ziel de goede zaak was toegedaan, moest toch zijnen ijver in den kerker of op de pijnbank boeten.

 

kaart1649velperpoortdetail_520

Zoo begrijpt gij dan, mijn waarde lezer, wat het beteekende, toen op den eersten Januarij 1550 een ketter tusschen eenige gewapende krijgsknechten de poorten van Arnhem werd binnen gevoerd. Wie op zulk een wijze als hij het nieuwe jaar intrad, had weinig hoop den laatsten December te zullen beleven, of, zoo hij dien al beleefde, het zou zijn in een sombere kerker, waar het ligchaam door gebrek aan versche lucht en voedsel en beweging langzamerhand werd gesloopt. De man, die thans uw medelijden heeft opgewekt, het slagtoffer der dwingelandij in het godsdienstige, was gevangen genomen te Garderen, een dorp, op de hooge Veluwe, niet ver van Harderwijk gelegen. Zijn naam was oorspronkelijk Jan Gerritsz. Verstege; later veranderde hij dien in Joannes Anastasius, de verrezene, waarmeê hij doelde op eene gebeurtenis in zijn leven, die wij aanstonds zullen vermelden. Want zijne geschiedenis, als hervormer van Garderen, zal ons nu verder bezighouden.

In de buurschap Stroe, nabij Garderen, zag Anastasius het levenslicht, zeker niet vroeger dan in het jaar 1520. Nog heden wonen zijne naamgenooten in die streek. Het zijn landbouwers, wat waarschijnlijk ook de stand zijner familie was. Zijne ouders waren onbemiddeld; hij zelf spreekt van zijne arme moeder en vrienden. Door zijn grootvader werd hij  denkelijk in staat gesteld, om de geletterde opvoeding te ontvangen, die hij genoten heeft. Zeer karig zijn de berigten omtrent zijne jeugd en jongelingsjaren. Er is grond om te vermoeden, dat hij te Harderwijk in het Latijn en Grieksch werd onderwezen; wáár hij verder tot den geestelijken stand werd opgeleid, is geheel onzeker.

Omstreeks 1544 werd hij te Garderen kapellaan, onder een pastoor, in wiens geest en hart de zoogenoemde nieuwe leer een vruchtbaren bodem had gevonden. Hier begon Anastasius zijne werkzaamheid als hervormer. Zijne preken ademden een echt protestantschen geest, en, behalve van den kansel, trachtte hij hier ook door geschriften zijne verlichte denkbeelden onder het volk te verbreiden. Op verschillende wijzen stelde hij de gebreken der Roomsche kerk in het licht, en daar tegenover verkondigde hij de waarheid, zooals hij die door Luther en andere hervormers had leeren kennen. Hieruit volgt echter niet, dat hij op den preekstoel enkel dwalingen bestreed. Het opbouwend of stichtelijk element werd in zijne sermoenen evenmin als in die van zijns gelijken gemist. Zijn geleerdheid en vroomheid kunt gij leeren kennen uit een geschrift, dat hij heeft achtergelaten onder den titel van “ Der Leken Wechwijzer”. Hieruit zien wij, dat hij geen vreemdeling was in de werken der beroemste kerkvaders, en dat hij ook de geschriften der hervormers vlijtig had gelezen; ja, nu en dan geeft hij blijken van bekendheid met klassieke schrijvers; kortom, door zijne belezenheid zou hij menigen geleerde van onze dagen beschamen.

Lang was onze anastasius reeds te Garderen werkzaam, eer zijne overhelling tot de gevoelens der hervormers de aandacht der overheid trok. De afgelegen plaats, waar hij verkeerde, was daarvan welligt de oorzaak; doch ook kan daartoe aanleiding hebben gegeven, dat zijne rigting welgevallig was aan de leden zijner gemeente, en er niemand onder hen werd gevonden, die, gelijk elders meermalen het geval was, als aanklager tegen de ijverigen hervormer optrad. Maar op den duur kon hij toch aan het scherpziend oog der kettermeesters niet ontgaan. Reeds sedert eenige jaren was Barend Gruwel, een man wiens naam in schoone overeenstemming is met zijn bedrijf, op last van Karel V, aan wien de provincie sedert Karel van Egmond’s dood was overgegaan, in Gelderland als geloofsonderzoeker werkzaam. Deze ontving in 1549 eene aanwijzing, om den kapellaan van Garderen in het oog te houden, van wege den onderinquisiteur van Holland, Zeeland, Friesland en Utrecht, den beruchten Sonnius, die in 1550 ook over Gelderland als zoodanig werd aangesteld. Toen Sonnius in het eind van 1549 zich te Arnhem ophield, om over de taak, die hem zou worden opgedragen, te onderhandelen, maakte hij zelf den raad van Arnhem op Anastasius opmerkzaam, en het gevolg dezer aanklagt was de inhechtenisneming van den kapellaan, die alzoo op den eersten Januarij 1550 als gevangene in Gelderlands hoofdstad werd binnengebragt.

Sonnius

Sedert dezen dag begon voor den vromen en ijverigen man een tijdperk van zware beproeving. Al zijne geschriften waren, na zijne gevangenneming, in beslag genomen, en hieruit werden nu de beschuldigingen ontleend, die tegen den ketter werden ingebragt. Aan een langdurig verhoor moest hij zich onderwerpen, en keerde hij dan in zijne gevangenis terug, dan zat hij daar eenzaam en verlaten neêr, met de gedachte aan zijne herderlooze gemeente, gepijnigd door de verzoeking om zijne overtuiging af te zweren en daardoor zijne vrijheid en zijn leven te koopen. Hoe sterk die verzoeking moet zijn geweest, kan de lezer zich voorstellen, wanneer wij hem het oordeel over zulk een kettergerigt meêdeelen, zooals het voorkomt in de bron, waaraan wij deze schets ontleenen. “Nergens,” wordt daar gezegd, “vertoont zich de inquisitie zoozeer in hare afschuwelijke gedaante, als daar, waar zij haar eigenlijk oogmerk bereikt en den ketter, gelijk het heet, van zijne dwalingen tot de waarheid wederbrengt. Als Tapper en Sonnius eenen Merula en honderd anderen naar den brandstapel en het schavot zenden, dan boezemen zij afkeer in als handlangers eener zichzelve en anderen bedriegende priesterschaar; maar nóg kunnen wij ze eenigermate dragen, want zij vermeerderen tegen hun bedoelen de glorie der waarheid, de uitbreiding en bevestiging van haar rijk en bevolken den hemel met geheiligden door het lijden. Maar als dezelfde inquisiteurs, met hunne uitputtende twistgedingen, den ketter eerst vermoeijen en bedwelmen; als zij het gespannen zenuwgestel van den gevangene vervolgens door bedreiging van vuur en zwaard, hel en verdoemenis breken; als zij eindelijk, daar hun slagtoffer meer dan half vernietigd voor hen staat, den toon onverwachts verzachten, beginnen te lokken en te vleijen, de maat hunner eischen van hem verminderende tot kleine concessiën. Tot halven of dubbelzinnigen wederroep, – ja, dan worden wij gedwongen hen te noemen, wat zij zich aan zoo velen onzer voorouderen, en onder die ook aan edelen van hart en geest bewezen hebben: moordenaars der zielen, die vrienden van Christus tot knechten der zelfzucht maakten, eerlijke lieden tot bedriegers en zelfs heldhaftigen tot lafaards.”

Met dit hard, maar geenzins onregtvaardig oordeel vóór ons, worden wij tot diep medelijden met Anastasius gestemd. Want hij is een der zwakken, die voor de verzoeking zijn bezweken, schoon hij zich later weêr als een man heeft opgerigt. Den 27sten Januarij werd hij voor het hof te Arnhem ten verhoore gebragt, in tegenwoordigheid van eene talrijke, belangstellende en nieuwsgierige menigte. Hier trok hij openlijk zijne gevoelens in; hier herriep hij al wat hij had verkondigd als een dwaling, tot dieper smart zijner vrienden, tot helsche vreugd zijner regters. En welke belooning werd hem voor dat offer geschonken? – De bijzondere genade eener levenslange gevangenis. Gij kunt nagaan, wat hem dan wel zou wedervaren zijn, indien hij standvastig ware gebleven. Op den eerstvolgenden zondag werd zijne schriftelijke herroeping in zijne gemeente te Garderen van den kansel afgelezen. Het was niet enkel de herder, dien Sonnius van den doolweg poogde weêr te brengen; ook zijne kudde wilde hij in den schoot der moederkerk, der onfeilbare, doen terugkeeren. Met deernis volgen wij den gevallene. Dien wij ons voorstellen met gebogen hoofd en diepe schaamte voor God en zijn geweten, de regtszaal verlatende. Want het was hem geen ernst met zijne herroeping geweest. Door de bedreigingen en de vleitaal zijner regters had hij zich laten overmeesteren. Spoedig ontwaakte zijn beter gevoel en de vurige begeerte om opelijk de donkere vlek, die hij zelf op zijn karakter had geworpen, uit te wisschen.

500px-Hattem_A_v_Slich_4e312a149e617

De plaats, waar hij verder zijn stervend leven zou doorbrengen, was het huis te Hattem, het sterkste kasteel der  Veluwsche steden. Daar werd op een der torens een vertrek voor hem ingerigt, en aan den drost werden twee stuivers daags uitgereikt, om den gevangene van het onontbeerlijk voedsel te voorzien; een karig rantsoen ook in die dagen, toen er met twee stuivers veel meer kon worden gedaan als thans. Naar het uiterlijke was overigens zijn toestand zoo dragelijk als het wezen kon, maar inwendig werd hij door de hevigste zielesmart gefolterd. In de eenzaamheid, geheel afgesloten van de wereld, van iedere afleiding verstoken, trad zijne ontrouw aan zijne heilige overtuiging hem telkens in zwarte kleuren voor den geest en verscheurde zijn gemoed met onlijdelijke wroeging. Maar toch ontbrak het hem niet geheel aan troost en bemoediging. Zijne regters hadden hem vergund, een bijbel en enkele andere geschriften met zich te nemen. Hunne bedoeling daarmede was, dat Anastasius het pausdom in geschrifte zou verdedigen, en alzoo in hunne hand een wapen worden tegen de zaak, die hij vroeger had voorgestaan. Voldeed hij aan dien eisch, dan kon hij nog een nuttig werktuig voor hen wezen, want van zijn geleerdheid en welsprekensheid waren zij maar al te wél overtuigd.

Doch hiervan kwam niets. Langzamerhand hief de neêrgebogen ziel van den gevangene zich op, en allengs begon het denkbeeld bij hem te rijpen, dat hij welhaast ten uitvoer bragt. In het laatst van 1551 mogt hij zijn kerker met een bijzonder huis verwisselen, en in April 1553 werd hem, door toedoen van eenige vrienden, die veel invloed hadden bij het hof te Brussel, de vrijheid teruggeschonken, op deze voorwaarden, dat zijne vrienden of bloedverwanten een zwaren borgtogt stelden en hij zelf binnen veertien dagen zich te Leuven moest bevinden, om daar in de pauselijke theologie te studeren.

Aan het eerste werd voldaan; maar, in plaats van den tweeden eisch te volvoeren, ontweek Anastasius naar Duitschland en begaf zich naar het hervormde Straatsburg, een stad, die tot toevlugtsoord strekte aan een menigte verdrukte geloofsgenooten uit bijna alle oorden van Europa. Hier vond hij rust en veiligheid, rust ook voor zijn geschokt geweten, dat hem aanspoorde, om nu openlijk zijnen val te herstellen. Hij vervaardigde het geschrift, waarvan wij boven reeds spraken, “Der Leken Wechwijzer.” Hierin bestreed hij, nog krachtiger dan te voren, wat hij de misbruiken en dwalingen der roomsche kerk noemde, en toonde daardoor, dat hij nog dezelfde als vóór zijne herroeping was gebleven. Zijn naam Anastasius, dien hij zich sedert dien tijd heeft gegeven, duidt zijne oprigting aan uit zijn diepen val, en moest tevens waarschijnlijk dienen om zijne verblijfplaats voor zijne vijanden verborgen te houden. Hij zorgde, dat zijn boek in Gelderland wierd verspreid, en lokte daardoor menig plakkaat van zijne regters uit, die nu, meer nog dan vroeger, tegen den ongeneeslijken ketter waren verbitterd.

Waar hij, na de uitgave van zijn werk, in April 1554, zich heeft opgehouden, is niet bekend. Eerst in 1566 vertoont hij zich weêr aan het vorschend oog van den geschiedschrijver. In dat beruchte jaar, toen de edelen de handen ineen sloegen tot hun welbekend verbond, toen de beeldstormers allerwege de kerken van hare sieraden beroofden, werd ook Harderwijk openlijk de banier der hervorming omhoog geheven. Zóó sterk was hier de algemene sympathie voor het “nieuwe geloof”, dat er in de kerk der Minderbroeders werd gepreekt, in tegenwoordigheid van de meeste leden van de raad. Onder de hervormde predikers, die aldaar beurtelings optraden, behoort ook onze Anastasius. Eenige weken lang ging hij de gemeente voor; op stads kosten werd hij verpleegd, en toen hij met zijn ambtgenoot Van Heteren zich gereed maakte om te vertrekken, werd er op aangedrongen, dat een der twee althans hen niet verlaten zou, met dat gevolg, dat Van Heteren te Harderwijk bleef. Anastasius begaf zich naar Keulen.

Zoo had hij zich dan bij zijne landgenooten in zijne eer hersteld, en gewis zal er niemand onder zijne vrienden zijn geweest, die hem, met het oog op al wat hij nog om de goede zaak mogt verrigten, niet gaarne zijn beganen misstap vergaf. Men verhaalt, dat Anastasius later opnieuw naar zijne vorige standplaats Garderen is teruggekeerd en daar het evangelie onder betere omstandigheden dan vroeger heeft verkondigd. Maar hiervan is niets met eenige zekerheid te zeggen. Het overig gedeelte van zijn leven schuilt in het duister. – Doch, waar hij zelf ook moge gearbeid hebben in de jaren die hem nog geschonken werden, zijn geest leefde in ons vaderland voort, door middel van het werk door hem te Straatsburg geschreven. In 1555 werd “ Der Leken Wechwijzer” uit het Geldersch in het Hollandsch dialekt overgebragt, en kon alzoo ook in andere provinciën de oogen van velen voor licht en waarheid openen.

Het waren geen groote en belangrijke daden, die ik omtrent den kapellaan van Garderen heb mogen vermelden; maar toch zal de korte geschiedenis zijner lotgevallen bij menigeen meer belangstelling hebben gewekt, dan een verhaal der bedrijven van den roemrijksten held. Want in hem zien wij een dier mannen, die den grondslag hebben gelegd van het gebouw, waarin wij veilig wonen, die het licht hebben opgestoken, in welks zachten gloed wij ons ongestoord kunnen verkwikken. De bladzijde van Gelderlandsch kerkgeschiedenis, die ik daardoor voor u ontsloot, is een van velen, die nog niet zijn geopend. Maar wij leven in een tijd, die al wat duister is aan het licht brengt; dat worde op Gelderlandsch geschiedenis hoe langer hoe meer toepasselijk!

Leiden. 1860.                                                                                                    J.H.M.

Geldersche-Volksalmanak.

    Den lezer, die geen vreemdeling is op kerkhistorisch gebied, behoeven wij niet te zeggen, aan welke bron deze schets is ontleend. De hoogleeraar, die ons met Anastasius bragt, zal de eerste zijn, die onze poging goedkeurt, om zijnen arbeid in ruimer kring te doen vruchten dragen.

hendrik van grietjen

Dit bericht was geplaatst in Verhalen bundel.

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Verplichte velden zijn gemarkeerd met *