Eene boerenbegrafenis te Doornspijk.

 

 

 

Eene boerenbegrafenis te Doornspijk.

 

    De boer is wel het bekrompenste wezen van onze gansche maatschappij, den welvarenden boer bedoel ik. Hij plaatst zich in alles, wat hij doet, op zulk eene verhouding tot het geld, dat het geld overal no.1 is: no 2 zijn de, van vaderen overgeleverde gewoonten. Ook deze houdt hij met ijzeren hand vast, en gaat er niet ligt van af.

 Treedt hij er van af, dan is het gewoonlijk om des hoogmoeds wil. Wat hij is, ziet men het best bij begrafenissen. Waar deze nog in hunne oude kracht bestaan, zijn zij ruwe, zinnelijke eetpartijen, waar alle fijn gevoel met voeten getrapt wordt. Wilt gij uwe boeren kennen, spreek hen dan over den dood der armen. Geen gesprek maakt hem meer verlegen. Geen mensch is sneller in uitvlugten dan hij – om niet te geven. Treedt de boer waarlijk uit het gebied zijner zelfzucht, dat is, wordt hij een christen, dan is hij het beminnelijkste wezen, dat de aarde kent. Meer klaar, meer eenvoudig, meer onbekrompen, meer vrij zag ik nooit het christendom zich ontwikkelen, dan in den boerenstand. Doch ook hier heet het, het is ligter, dat een kemel gaat door het oog van een naald, dan dat een rijke ingaat in het koningrijk Gods. De rijke boer is zeker iemand, van den welken de ware zelfverloochening, de liefde en geloof het minst te verwachten is. Ik schreef dit neder, omdat in geen stand de gelijkenis van de rijke meer toepassing vindt. Gij dwaas, zegt de Here, in dezen nacht wordt eene ziele van u geeischt. Mogt dit woord menigen boer bewegen, bij zich zelven te vragen, in den grooten nood van dezen winter: Wat zal ik doen om te toonen, dat ik mijn talent niet begrave?

 

Ik leerde vaak, door ondervinding, gewoonten bij den boerenstand;

Ook die, wanneer, door eene ontbinding, de ziel verhuist naar ’t vaderland.

‘k Wil die gewoonte u heden malen. Vergeef ’t mij, zoo mijn oog soms schreit;

Niets toch kan in aandoening halen, bij een begraafnisplegtigheid.

Een boer wordt ziek, heeft zware koortsen; men noemt dit roos, ’t is wel niet goed

Doch men ontsteekt noch lamp, nog toortsen, men slaapt gelijk men anders doet.

De koorts neemt af, en bij ’t ontwaken is ’t merk’lijk beter; ’t heeft geen nood:

Hij ziet, met blijdschap, ’t schoftuur naken en eet drie, vier sneën roggebrood.

“t Is wel wat weinig voor gezonden, ( voor zieken kan het gaan, dunkt mij);

De knecht heeft er reeds zes verslonden, met drie kop paardenboonenbrij.

 

Hij gaat aan ’t werk; ’t valt wel wat zwaarder, doch ’t middageten smaakt nog wel;

De koorts hervat zich, hij wordt naarder; ’t is toch niet goed met zijn gestel:

Ik wil, dus zegt hij, wat gaan liggen; welligt dat het dan beter wordt.

Men zorgt voor koeijen, paarden, biggen, voor ’t ziekbed komt meer tijd te kort.

Hij heeft geen trek in ’t avondeten; de kezemelk smaakt hem niet meer;

Zijn ligchaam schijnt van een gereten; zijn hoofd, zijn arm, ’t doet alles zeer.

De nacht kan hem geen ruste schenken; de slaap ontwijkt zijn oog en hoofd;

Geen huisgenoot kan aan hem denken, door ’t moeijlijk werken afgesloopt.

Zoo blijft hij, dagen, bange nachten, geboeid aan zijne legerstee.

Het is geen roos! Men durft niet wachten! Men roept of haalt – den Dominé.

Vaak ziet die ed’le vriend van zielen, de doodskleur reeds op ’t aangezigt.dominee

Hij knielt, hij doet vrienden knielen, hij bidt, hij troost, volbrengt zijn pligt

“ ‘k Beschouw de ziekte al heel gevaarlijk! Welligt verliest gij uwen man!

’t Herstel althans schijnt mij bezwaarlijk; maar wat zegt doctor sels er van?”

“ Ach , dominé, wil ’t ons vergeven! Dien vroegen wij nog om geen raad.”

“Wel wijfke! Heb ik van mijn leven! Geen hulp gevraagd? In zulk een staat!”

“Ja, dominé! Maar gij weet zeker, men geeft voor niet geen medicijn,

De docter en ook de apotheker, die weten goed, wat centen zijn”.

Pas in het eind van ’t jaar vervlogen, of booze geesten zweven rond,

En dikwijls, zonder mededoogen, al zit de man ook in de grond.

“Gij moet, terstond, den doctor halen.” – die komt en ziet den lijder aan;

dokter

Hij voelt den pols, en ’t kan niet falen, ’t is binnen weinig tijds gedaan.

Doch waartoe dat vooraf bedroeven? Ligt neemt de ziekte een andren loop.

De kunst moet hare kracht beproeven. Waar leven is, daar is ook hoop.

Die hoop wil hij hier niet doen derven. Hij schrijft hem drank of poeijers voor

Dan ach! De man ligt in zijn sterven; geen drank, geen poeijers wil er door.

Nu roept men een der buurtenaren; die komt te laat; de man is dood.

Vergeefs is ’t op het lijk te staren, dat voor altijd zijn oogen sloot.

Men roept nog één, meest nog twee buren; daarbij is altijd ééne vrouw.

Zegt niet: “Wat toch al gekke kuren!” een oud gebruik volgt men getrouw,

Zoo deed mijn vaders bestevader; zoo deed mijn besje; zoo doe ik:

Al volgt gij ’t nieuwe ook al te gader, ik heb van ’t oude altijd nog schik.

Wat weet een boer van nieuwigheden, de jonge piept, zoo de oude zingt.

Al spreekt ge ook hier, met kracht van reden, hij doet het niet; ten zij g` hem dwingt.

Men drinkt, ’t is goed, een glas jenever, vóór dat men hand aan ’t lijk zal slaan

Een doods lucht doet toch ligt den lever, of wel de long besmetting aan.

De buurvrouw neemt thans naald en garen, zij rijgt te zaam een linnen lap:

’t Behoort zoo, voor een man van jaren, staat witte slaapmuts altijd knap.

Zij wascht het hoofd, de hand des dooden ( zoo schoon wiesch hij zelven nooit).

Zij helpt in ’t kleeden, de andre boden, en ras ook is die taak voltooid.

Men legt den doode op stroo ter neder, besteld de kist, ’t is alles wel.

Des avonds keert men zamen weder, en sluit hem op in de enge cel.

De vrienden gaan nu overleggen, wie bakken zal, of feith of top?

Neen, Geerlofs bakt de mooiste weggen en blaast de bollen hooger op.

Waar zullen wij het bier dan halen? Vraagt de oudste dochter ( Trijn of Griet)

Voor ’t Eeper moet men meer betalen en smaak toch lang zoo lekker niet.

Daarover zullen wij niet praten, de wagen gaat niet over ’t veld:

Het beste bier heeft van der Maaten, ’t is lekker en ’t kost weinig geld.

Hiermede is alles afgeloopen, en morgen gaat men naar de stad,

Om broek, of buis, of jak te koopen, of ’t geen men niet voorheen bezat.

Voor de begraving, twee, drie dagen, zegt men de buurt en maagschap aan

Om ’t lijk, in staatsie, weg te gragen, of het uit vrienschap na te gaan.

Wel vijftig, zestig huisgezinnen verschijnen daar met heel ’t gezin,

De vrouwen gaan de voordeur binnen, de mannen moeten achter in.

Hier weet een ieder zonder vragen, zijn werk, er wordt, met vaste tred,

De doodskist uit het huis gedragen, en op de wagen neergezet.

En met een kleed van zwarte verwe, wordt dan de kist nog overdekt,

Die aan vier vrouwelijke erven tot zitplaats op den togt verstrekt,

boeren begrafenis

Die, doer een langspan voortgetrokken, en van voorrijder is voorzien

En onder ’t luiden van de klokken, langzaam en statig moet geschien.

Zoo op het kerkhof aangekomen, wordt dan het lijk ter aard besteld.

En de terugtogt aangenomen, die door vier vrouwen wordt verzeld.

Men trekt dan naar het sterfhuis heenen, om daar het laatste liefdeblijk

Aan de erfgenamen te bewijzen, door eten, drinken te gelijk.

Men wacht zoo lang tot een der boden, schaf an, genoemd ’t zij vrouw of man,

U, of ook mij, ter tafel nooden, die zat is, ging daar reeds van daan.

Men neemt een poos den hoed voor de oogen, en eet zich dik van wittebrood.

De vrouw en ’t kroost zijn diep bewogen, maar de andren denken aan geen dood.

De kindren spelen, dartlen, hollen, en hebben zelden meer plezier;

Men eet zijn best aan groeve – bollen, en drinkt met smaak het Elburgschbier.

hendrik van grietjen

 

Dit bericht was geplaatst in Verhalen bundel.

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Verplichte velden zijn gemarkeerd met *