Eene Elburger Beestenmarkt

EENE ELBURGER BEESTENMARKT,

In 1849 geschetst.

elburg

 

“Zie zoo! Now ben ‘k schrap,’k heb de messen ‘ewet

Et brood en de telders op toafel ‘ezet,

Ik heure de briepot al koaken,

En hef’ now een ieder zien moaltied ‘edoan

Dan is ‘et ook tied om noa bedde te goan

Want mèrgen is ’t vroege al weer spoken.”

Zoo spak Lubberts Grietjen, – een ronde boerin

Met blozende wangen, een kuiltje in de kin

En oogen en mond om te stelen,

In ’t blijde vooruitzigt der Beestenmarktpret,

Waarop zich het jeugdige hart had gezet,

En die zij op morgen zou deelen.

Acht dagen geleên meldde ’t klokkengebrom

Der landjeugd van alle gemeenten rondom,

Dat ’t weêr op het feest kon verschijnen,

En dat men bereids aan het werk zoude gaan,

Om tenten en kramen voor koek op te slaan,

Tot vreugde van grooten en kleinen.

Nu loopt men, verdringt zich voor kist en voor kast;

Het splinternieuwe jakjen wordt nog eens gepast,

Nooit heeft men zich zelv’ zoo bekeken.

Hier mist nog een strikje, en daar nog een band,

En eind’lijk verschijnt besjes muts met de kant,

Zo glad als een spiegel gestreken.

Want, schoon het boerinnetje, als zij zich kleedt,

De uiterste zorg aan haar mutsje besteedt,

En ’t oorijzer niet zal vergeten,

Zoo’n dag dient er nog wel iets extra’s gedaan,

Dan trekt toch een ieder zijn kistentuig aan;

Daar wordt men te vaak naar gemeten.

De klinkende guldens, door ’t boertje gespaard,

Een jaar lang zorgvuldig gepot en bewaard,

In ’t donker groen buultjen geborgen,

Hertelt hij nog eenmaal, hoewel zonder spijt,

Al raakt hij ze zeker op ’t kermisfeest kwijt;

Dit geeft hem in ’t minst nu geen zorgen.

En niet slechts wat jong is, herleeft bij dit feest;

O neen, zelfs de grijze herroept voor den geest

Die schoone en heerlijke dagen,

Toen in zijne jonkheid bij vedel en glas,

Die dag hem van allen de welkomste was,

Waarop hij een meisje kon vragen.

Sinds is hij bedaarder, veel heeft hij gesloofd,

De lust tot vermaken is bij hem verdoofd,

Nu gaat hij alleen voor zijn zaken.

En brengt hij zijn beestjes regt duur aan den man,

Dan is hij zoo rijk als een boer het slechts kan,

Dan hoeft hij geen schulden te maken

Naauw’lijks doet de haan zich hooren,

Is een nieuwe dag geboren

Of men hoort den vlegel slaan.

Ook de vrouw blijft niet meer slapen,

Want de zorg voor koeijen, schapen,

En de boter, – gaat haar aan.

Heeft de klok acht uur geslagen,

Dan de bruintjes voor den wagen,

Dan is ’t werken afgedaan;

Moeder, vader vóór op ’t bankje

Grietje en Klaas op ’t achterplankje;

’t Zaad blijft in het midden staan.

’t Hoornvee dat men wil verkoopen,

Door den knecht geleid, komt loopen.

En de varkens komen ’t laatst.

Mak’lijk kan men palen vinden,

Om de beesten aan te binden;

Die heeft elk voor ’t huis geplaatst.

O, wat zal ’t een drukte geven!

Nu reeds wordt men doof van ’t leven!

’t Loeijend en het blatend vee,

Liedjeszangsters, beestenkoopers,

Orgeldraaijers, ledigloopers,

Alles schreeuwt om ’t hardste meê.

elburger dracht

’t Boertje heeft, ter markt gekomen,

Van de wagen ’t zaad genomen,

Hij geeft Grietje de eijeren aan;

Met het nette teenen mandje,

In ’t door werk vereelde handje,

Zal zij langs de huizen gaan.

Vader kon zijn zaad verkoopen,

Ook met ’t vee is ’t meê geloopen,

Want de markt is heden hoog;

Nu is ’t tijd, om te plezieren,

En de kramen langs te zwieren;

Alles streelt daar oor en oog.

Kleine Klaas krijgt knuppelkoeken;

Fluit of ratel kan hij zoeken

Uit de kraam van zeven cent.

Vader koopt wat nieuwe kleêren,

Voor de vrouw en voor de deeren,

Als een beestenmarktprecent.

’s Boeren maag is goedertieren,

Bij droogist of winkelieren,

Waar hij ’t geld der reek’ning geeft,

Gaat hij zich door eten sterken,

En men kan in ’t minst niet merken,

Dat hij koek gegeten heeft.

Als de lust van ’t kermis hou’en

In het eind begint te flaauwen,

Koopt men wintervoorraad in,

Klompen, die zeer zwaar en lomp zijn,

Aan de toon vooral niet stomp zijn,

Voor geheel het huisgezin.

En dan zuurkool, – kostlijk eten!

Daarvoor zal geen boer vergeten,

Dat hij witte koolen koopt,

Want voor bijkans ied’re woning,

Ziet men d’eigenste vertooning:

Bergen kools opeen gehoopt.

Wêer de bruintjes voor den wagen!

Doch nu, om naar huis te jagen,

Waar de arbeid hen verbeidt.

Al de schâ van hun verteren

Zal wel spoedig wederkeeren,

Door vernieuwde noeste vlijt.

Grietje is in de stad gelaten,

Hand aan hand gaat zij de straten

Met de meisjes op en neêr;

Nog weerstaan zij aan ’t verzoeken,

Tot een lot op knuppelkoeken

Voor één cent, en zelden meer.

Liever willen zij eens even

Zien, wat of het gindsch mag geven?

Tusschen hevig volksgedrang

Zien ze een bont beschilderd linnen,

En ’t relaas zal juist beginnen,

Op eentoonig maatgezang.

“ Hier! – zoo hoort m’ een venter spreken –

Zie eens hier! Wat schoone streken

Of er nu weer zijn ontdekt.

’t Goud zoo kostelijk op aarde,

Heeft daar in het minst geen waarde,

Wijl het er tot zand verstrekt.”

Doch ik raad je, als goede vrinden,

Tracht toch niet dien weg te vinden,

Want gewis ’t bekwam je slecht.

,t Goud zal u geen vruchten geven,

Van de wind kunt ge ook niet leven,

En de maag eischt toch haar regt.

Nu maakt ’t volkje schielijk beenen,

Keert zich naar iets anders henen,

Wat het maar het eerste ziet,

Want met blikken schaal, als wapen,

Gaat een vrouw bij maagd en knapen,

En van geven houdt men niet.

Middels zag men jonge boeren

Steelswijs naar de meisjes loeren.

Eén, door Grietjes schoon bekoord,

Knijpt haar ferm in rug en mouwen,

Vraagt haar zóó tot kermis hou’en;

Dadelijk is zij met hem voort.

Nu eerst zal de pret beginnen,

Men probeert eens iets te winnen

Door het lot, of Rollebol;

Elke kraam gaat men bezoeken,

En van groote knuppelkoeken

Koopt hij ’t meisje zakken vol.

Dan, daar toch de Octoberdagen

Nog al vroeg het lamplicht vragen,

Duurt deez’ vreugde niet te lang.

Vreeslijk hoort men snaren klinken,

Daav’rend dansen, glazen rinken,

En verschillend maatgezang.

Ook ons paar gaat ’t kroegje binnen,

Moeij’lijk is ’t er plaats te winnen,

Dat men tot den trap geraakt,

Maar met elleboog en beenen,

Dringt men door de woeling henen,

Tot in ’t eind de danszaal naakt.

Vreeslijk door elkaar gesprongen!

Nu geklonken, dan gezongen!

O, wat vloog de tijd toen voort!

Al dat springen, al dat stoeijen

Scheen hen nog niet te vermoeijen,

Toen de poortklok werd gehoord.

Wat was het daar boven justig!

En toch was de afloop rustig,

Want de vrede hield er stand.

Onder hadden drinkersbazen,

Door het sterk gebruik der glazen,

Spoedig ’t zakmes in de hand.

En zoo’n vechten is geen kleintje,

Want een dronkaard heeft geen greintje

Vrees, dat hij den and’ren raakt;

’t Zijn meest bloedige gevechten,

Die men zelden ziet beslechten,

Vóór ’t geregt er eind aan maakt.

Doch ons paar van boven komend,

’t Tierend volk voorbij – schier stroomend,

Was aal schielijk uit de poort.

‘k Weet niet wat ze zamen spraken,

‘k Kon wel eens een gissing maken;

Maar ik heb het niet gehoord.

Hoe het  zij, met Sinte Peter

Dit is ’s boeren huurjaars meter

Had ons boertje een erf gepacht,

En naauw was die tijd verschenen,

Of hij had zijn rund er henen

En zijn schaapjes er gebracht.

Niet om daar alleen te wonen,

Dáár zijn rijkdom door te toonen;

Daarin had hij gansch geen zin,

Want toen zich der voog’len koren

In de Meimaand deden hooren,

Bragt hij Grietje als vrouw erin.

H.W.G.

PostcardFrom.NL

 

Dit bericht was geplaatst in H.G. Haasloop Werner..

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Verplichte velden zijn gemarkeerd met *