Eener Geldersche spreekwijs: Soldaat maken.

 

 

Soldaat maken. Verklaring eener Geldersche spreekwijs. Door H.M. Werner.

Onder bovenstaand opschrift vindt men in den vorigen jaargang van onzen Almanak een stukje, waarin deze bekende spreekwijze evenwel niet wordt verklaard, doch aan welks slot een paar gissingen voorkomen, omtrent de mogelijke beteekenis daarvan, terwijl de schrijver besluit met de woorden: ‘die het beter weet, mag het zeggen.’

Nu zal ik niet beweren het beter te weten, doch tegenover een paar gissingen, die, naar mijn bescheiden oordeel, de juiste verklaring zeker niet geven, omdat zij berusten op eene redeneering, die onjuist is, wil ik eene andere plaatsen, die mogelijk wel de juiste zoude kunnen zijn, omdat zij gegrond is op eene ware toedragt van zaken.

 
Volgens het stukje in den vorigen jaargang is den Gelderschen landman niets ter wereld zoo onaangenaam, als dat een zijner zoons in de Militie valt en gedurende eenigen tijd soldaat moet worden, zoo zelfs, dat hij dan wel zoude wenschen, dat hij geen zoon en niets dan dochters had; dat hij zich liever in nooit te boven te komen geldelijke zorgen zoude willen steken, om een plaatsvervanger te kunnen koopen, enz. En dat wel, omdat hij bijna zeker weet, dat die zoon in de militaire dienst totaal bedorven zal worden, dat, ná zijne terugkomst, hem lust en geschiktheid voor het boerenwerk verder geheel zullen ontbreken, en dat er bovendien nog veel kans is, dat hij als een dronkaard en losbandige de ouderlijke woning op nieuw betreden zal.

Tegen deze voorstelling nu ben ik verpligt ernstig op te komen, zij is ten eenenmale onjuist, en strekt bovendien niet om den Gelderschen landman, voor zoo verre hij haar mogt lezen, liefde en eerbied in te boezemen voor het Nederlandsche leger, dat ook zijn, hem zoo dierbaren geboortegrond, zijne haardstede, zijne have en goed, zoo noodig, wat God verhoede! tegen vreemde overweldiging moet en zal beschermen en verdedigen.

Vooreerst geloof ik niet, dat de Geldersche

 
landman meer dan iedere andere Nederlandsche landman ongaarne ziet dat een zijner zoons soldaat moet worden, dat wil zeggen: in de Militie valt. Over het algemeen vindt geen enkele landman – om van anderen niet te spreken – dit aangenaam, en wel om de enkele en eenvoudige reden, dat hij daardoor de hulp van dien volwassen zoon voor geruimen tijd moet missen, en dus òf een knecht in zijne plaats moet nemen, òf zelfs veel harder werken, òf een gedeelte van zijn land onbebouwd laten liggen, enz. Ten andere is het geheel bezijden de waarheid, dat de boerenjongen in de militaire dienst ongeschikt wordt voor zijn beroep. Het tegendeel is waar: hij wordt er dáár veel geschikter voor, en leert in dienst veel, dat hij doorgaans te huis niet geleerd heeft, en dat hem èn als landman, èn als mensch in het algemeen gedurende geheel zijn volgend leven uitstekend te stade komt. Ieder landman van jaren en ondervinding, die in zijne jeugd zelf zijne militiepligt vervulde, zal met de hand op het hart dit moeten erkennen.

De militien-vrijwilliger – ik spreek natuurlijk niet van hen, die zich voor zes jaren of langer vrijwillig als soldaat verbinden, want deze moeten geen soldaat worden, doch worden dit geheel

 
vrijwillig – dient in den regel slechts één, hoogstens anderhalf jaar. In dien korten tijd is hij het boerenwerk volstrekt niet verleerd en veel minder nog van werken vervreemd, voor dit laatste zorgt men waarlijk in dienst wel, of zoude iemand meenen, dat dienen bestaat in luiheid en lediggang? Hij leert in dien tijd zeer veel, dat hem in zijn stand of beroep verder niet meer te pas komt, dit is volkomen waar, doch hij leert ook zeer veel, waarover zijne ouders zich niet anders dan met opgetogenheid kunnen verheugen. Hij leert: zindelijkheid, netheid, orde, onderdanigheid, beleefde en bescheiden wijze van zich te uiten tegen degenen, die van nature zijne meerdere zijn, enz. Slungelde hij vroeger langs den weg met de pet op één oor, hij heeft thans een flinke, mannelijke houding, een lesten, geregelden gang verkregen, hij heeft geleerd zich net en fatsoenlijk te kleeden, door gymnastische oefeningen, enz. is hij vlugger en leniger geworden, zelfs heeft hij lezen, schrijven en rekenen geleerd, indien hij dat voorheen nog niet of slechts gebrekkig kende, in één woord: hij is totaal ontbolsterd, hij is van een boerenjongen in korten tijd een man, een mensch geworden. En 99 pCt. hebben die ontbolstering noodig en moeten allen in meerdere of mindere
 
mate al het bovenstaande leeren; eene ondervinding van 20 jaren heeft mij dat geleerd.

Maar – zegt de schrijver – met dat al komt hij dikwijls zedelijk bedorven terug, tenzij de goede beginselen van matigheid en kuischheid, welke hem zijn ingeprent, hem hiervoor beveiligd hebben. Eilieve! hoe diep die beginselen in den landmanstand, zoowel in Gelderland als elders in ons Vaderland, geworteld zijn, dat kan men zien op iedere boerenkermis, ja elken Zondag op de meeste dorpen, vooral ook bij gelegenheid van de loting voor de Militie, enz. Och neen! ik houd in mijn ziel veel van den Gelderschen landman, al ware het alleen maar, omdat hij een Gelderschman is, ik zit gaarne bij hem aan den haard te praten, zijne varkens en koeijen, zijn graan en zijne aardappels interesseeren mij evenzeer als mijne boeken en manuscripten, maar – drinken – om geen ander woord te noemen – dat kan hij, zoo goed als ieder ander, en behoeft hij in dienst niet te leeren. Op het platte land, ook in Gelderland, wordt veel gedronken, ook dat weet ik bij ondervinding, en niet zonder reden waarschuwde onze Heldring daartegen herhaalde malen zoo liefderijk, zoo ernstig, zoo vaderlijk in ditzelfde jaarboekje, dat hij hoofdzakelijk voor den Gelderschen landman

 
en dorpsbewoner schreef, en noemde hij de jenever zelfs erger dan de cholera! Natuurlijk zijn er Goddank! vele uitzonderingen op den regel, doch deze verzwakken den regel nog geenszins.

Maar, zal men zeggen: iemand die enkele malen en bij buitengewone gelegenheden – kermis, bruiloft, begravenis, enz. – eens te diep in ’t glaasje kijkt, is nog geen dronkaard; iemand, die zijn meisje, waarmede hij in eer en deugd verkeert en weldra hoopt te trouwen op de kermis bijv. wat al te naauw aan ’t harte drukt, is nog geen onzedelijk mensch, maar juist in de militaire dienst wordt hij èn het een, èn het ander. Geenszins! antwoord ik, altijd behoudens de uitzonderingen. Het is waar de verleiding is dikwijls groot, het verblijf in groote steden, terwijl men voorheen niets dan het dorpsleven kende, het slechte voorbeeld van vele soldaten van beroep, wier opvoeding geheel verwaarloosd is en die alleen in dienst zijn gekomen, omdat zij – veelal door hun liederlijk gedrag – in de burgermaatschappij geen brood meer te eten hadden, zijn reeds oorzaak, dat de verleiding spoedig voor de deur komt. Maar is de militien door zijne ouders deugdzaam en godsdienstig opgevoed, is hij door hen ernstig en herhaaldelijk gewaarschuwd, om het pad der

 
zonde niet te betreden, hebben zij hem van zijne kindsche jaren af geleerd, dat Gods Woord is eene lamp voor zijn voet en een licht op zijn levenspad! hebben zij hem geleerd te waken en te bidden, dan zal hij ook het wapen kennen, dat hem beschut tegen elke verleiding, en dan kunnen de ouders hem gerust zien vertrekken, wetende dat de Heer hun kind zal geleiden en zijn voet bewaren voor den weg, die ten verderve leidt. Neen! niet de militaire dienst, maar de ouders en de door hen verwaarloosde en weinig godsdienstige opvoeding zijn doorgaans oorzaak, dat hun kind bij de eerste verleiding de beste bezwijkt, en dan met rassche schreden den weg der zonde en van het verderf opgaat.

Wanneer men voorts meent, dat in de militaire dienst de Chefs zich weinig bekommeren om het zedelijk gedrag hunner ondergeschikten, dan haalt men ook al weder uitzonderingen, maar niet den regel zelf aan. Direct kan de Chef daar dikwijls niet veel aan doen, maar indirect worden steeds alle mogelijke voorzorgen en maatregelen genomen, om zorg te dragen, dat de militien in dienst niet door anderen in het verderf wordt gesleept. Hierover zoude ik nog veel kunnen zeggen, maar dit zoude mij te zeer van mijn onderwerp afleiden.

 
Alleen wil ik er nog op wijzen, dat men tegenwoordig in bijna elk garnizoen van eenige beteekenis een Te-Huis voor Militairen aantreft; zij zijn meest allen stichtingen van den Nederlandschen Militairen Bond; in sommige garnizoensplaatsen vindt men ook nog afzonderlijke Katholieke Te-Huizen. Daar vindt de jeugdige militien alles wat hij wenschen kan. Iederen avond gedurende de uren, dat hij in den regel niets te doen heeft en de kazerne mag verlaten en des Zondags gedurende het grootste gedeelte van den dag zijn zij geopend; de toegang tot de behoorlijk verlichte en verwarmde lokalen is voor ieder militair, van welke godsdienst ook, volkomen vrij, zonder dat hij er iets behoeft te verteeren, ofschoon er tegen zeer geringen prijs allerlei ververschingen te bekomen zijn, behalve sterke dranken; zelfs krijgt hij er doorgaans gratis tabak en pijpen, postpapier en enveloppes. Hij vindt er allerlei spelen, behalve kaarten, en eene groote hoeveelheid boeken, tijdschriften en couranten; des Zondags avonds heeft daar in den regel eene bijbellezing plaats, enz. Dáár is de jonge man beveiligd tegen de verleiding daarbuiten, daar wordt hij met vriendelijkheid en voorkomendheid ontvangen, geholpen en te regt gewezen, daar wordt getracht hem het verkeer in de ouderlijke
 
woning, dat hij mist, zooveel mogelijk te vergoeden. Doch genoeg hiervan; jammer slechts, dat het bestaan en de strekking der Te-Huizen voor Militairen bij de landlieden nog zoo weinig bekend zijn, waardoor het hun onmogelijk is, hunne zoons, bij het vertrek naar het leger, het trouwe en voortdurende bezoek aan te bevelen.

En nu de spreekwijze: soldaat maken.

De Geldersche landman bedoelt hiermede, zooals te regt is opgemerkt, iets geheel en al opeten of drinken, met huid en haar verorberen, zooals men zegt, en hij wil dan eigenlijk zeggen: ik zal dat eens kant en klaar spelen. Deze laatste omschrijving of uitdrukking nu is, naar mijn inzien, oorzaak van het ontstaan der als het ware synonieme spreekwijze: soldaat maken. Een boerenjongen, die in de Militie valt, is nog geen soldaat, maar moet soldaat gemaakt worden, dat wil zeggen: hij moet in zijn houding, gang, manieren, wijze van kleeding, enz. al die veranderingen ondergaan, die wij boven beschreven hebben, en waardoor het tijdelijk in militaire dienst zijn zoo nuttig en heilzaam voor hem is; hij moet in één woord: kant en klaar gespeeld worden; vóór dien tijd kan men in dienst niets met hem aanvangen en heeft hij eigenlijk nog geen recht op den naam van: soldaat.

 
Gaarne wil ook ik evenwel deze opvatting of verklaring voor eene betere prijs geven, en besluit dus met dezelfde woorden als de schrijver van het besproken stukje in den vorigen jaargang: die het beter weet, mag het zeggen.

 

Amersfoort, Maart 1885.

 

Dit bericht was geplaatst in Verhalen bundel.

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Verplichte velden zijn gemarkeerd met *