Eenige oudheden en volksgebruiken.

 

 

Eenige oudheden en volksgebruiken,

Medegedeeld door een liefhebber van oudheden,

uit de omstreken van Elburg.

 

Een half uur ten zuiden van Nunspeet, in de woeste heide, bevindt zich een duin, welke algemeen bekend is onder de benaming van Mytstede of Mytstee; dezelve bestaat uit eene holte, omtrent 8 à 10 voeten beneden het gewone maaiveld, en heeft de gedaante eener halve maan, in welker midden, en wel op eene regte lijn, zich drie cirkelvormige zitplaatsen bevinden, van 5 Nederlandsche ellen diameter, op eenen onderlingen afstand van 5 Nederlandsche ellen. – Dit vlak is omzoomd met eenen wal, ter gemiddelde hoogte van 12 ellen boven het maaiveld, op welker kruin, aan de west- en noordzijde, 17 nog zigtbare ronde gaten, op omtrent 4 ellen onderlingen afstands van elkander, en in verband op twee rijen, zich bevinden, even als of er vroeger groote boomstammen waren uitgedolven. Aan de zuidzijde van gemelde halve maan, en wel onmiddellijk aan de helling van den buitenkant bevindt zich eene moerassige, bijna ronde watervlakte. – Hierbij is opmerkelijk dat de waterspiegel wel omtrent 10 voeten hooger gelegen is, dan het binnenvlak, waar zich de ronde zitplaatsen bevinden, het geheele jaar door, op diezelfde hoogte blijft, en zich nimmer water, hetzij uit gemelden plas, hetzij regen of sneeuwwater, in de halve maan blijft onthouden, maar bij alle jaargetijden droog blijft, om welke redenen dan ook de eimekers ( of bijenhouders ) van deze plaats gebruik maken, om jaarlijks, wanneer de heidebloemen bloeijen, hunne bijenstallen derwaarts over te brengen. Men zoude gaarne weten, of uit den naam dezer plaats of uit andere kenmerken wat dezelve vroeger geweest zij.

XXX

    Nog bevindt zich op omtrent een half uur afstand van deze Mytstee, ten westen, een heuvel, bekend bij de lagere volksklasse, onder de Brandende berg en ook de Buntmansberg, waarvan de overlevering is als volgt.

Op den weg van Nunspeet naar Harderwijk, nabij den Brunen Enk, staat een huis, dat voor omtrent twee eeuwen, door eenen wagenmaker bewoond werd, die tevens herberg hield. Hier kwam jaarlijks een kramer met Kloppenburger kousen logeren, om in deze buurt zijne waar te weilen. Eens, toen Buntman, zoo heette de kramer, veel geld gebeurd, en zijne waren verkocht had, nam hij wederom zijnen intrek bij den wagenmaker; deze staat des morgens vroeg op, neemt eene wagenspeek en slaat hem, op het bed liggende, met dezelve op het hoofd en dood. Juist toen de wagenmaker met zijne vrouw bezig was om hem uit het bed over den heerd te slepen, met oogmerk om hem te begraven, komt een brouwer, Vos genaamd, uit Nunspeet plotseling in het huis, om eene ton bier af te leveren en vindt hen met het lijk bezig. De wagenmaker onthutst, bekent zijne daad aan den brouwer Vos, doch verlangt, onder de duurste eeden van hem, dit als een geheim te zullen bewaren, met bedreiging, om hem, in het tegenstelde geval, insgelijks te zullen vermoorden. De brouwer belooft stilzwijgendheid en legt den eed af. Het lijk werd hierop in de put geworpen, de put met aarde gedempt, en een appelboom op dezelve geplant. Na verloop van drie jaren bevind zich de brouwer Vos op het beurtschip van Harderwijk naar Amsterdam en ontmoet op hetzelve den wagenmaker; zij krijgen verschil, en de laatste deed hem eenige bedreigingen, waarop Vos hem toevoegt, “ dan zoudt gij mij willen doen, zoo als gij Buntman hebt gedaan.” Dit hoort de schipper, die zich echter stil houdt tot in Amsterdam, waar hij zulks aan den magistraat kennelijk maakt. Hierop wordt de wagenmaker gevat en naar Gelderland gevoerd; hij blijft echter ontkennen, doch Vos houdt staande, wat hij getuigd heeft, waartegen de beschuldigde met de duurste eeden zijne onschuld bezweerd, er bijvoegende, dat hij mogt lijden dat hij in eeuwigheid mogt branden, zoo hij het gedaan had. Zijn proces wordt echter opgemaakt, en op den zoogenaamden Buntmansberg werd eenen paal geplaatst waaraan de booswicht is gewurgd. Sefert dien tijd ziet men van tijd tot tijd des nachts, op deze berg vuur opstijgen, even als of een stroobos in brand stond. De gids, dien ik had mede genomen, verzekerde mij, dat hij, toen hij 7 jaren oud was, en drie jaar later, in den winter, het branden tweemaal gezien had.

Dan nog is er een derde heuvel, een kwartier van de Mytstee verwijderd, bekend onder de naam van Paaschberg, welke echter niets bijzonders oplevert, alleen dat hierop jaarlijks een groot paaschvuur gestookt wordt.

In het werk van Hendrik Concience, genaamd het Wonderjaar ( 1566 ): wordt op bladzijde 181, 182 en 183 opgegeven, dat men in Antwerpen, na den beeldenstorm, aldaar, op de markt voor het stadhuis, de beelden verbrandde, en de spotters, als priesters gekleed, ieder met een meisje aan de hand, eenen wijden kring vormden. Een van hen stond met eene vrouw in het midden, en begon hierop als razend te zingen:

  1. Daar ghinc een patertje langs den kant, Heij! ’t Was in de Meij.

Hij nam syn soete lief bij de hand. Heij ! ’t was in de Meij, zoo blij, Heij!’t was in de meij.

Bij iederen slotrijm draaiden zij hevig en als dol in ’t ronde en vervolgden met zingen:

  1. Sa pater! Ghij moet knielen ghaen, Heij! ’t Was in de Meij.

Nonneken ghij moet blijven staen, Heij! ’t Was in de Meij.

zoo blij! Heij! ’t Was in de Meij.

De pater knielde dan voor de non, en met vreemde gebaren betoonde hij, dat hij zeer op haar verliefd was….verder:

  1. Sa pater! Spreijdt de swarte kap, Heij! ’t Was in de Meij.

Daar uw heilige non op stap. Heij! ’t Was in de Meij, zoo blij, ’t was in de mei.

De pater trok op dit gezang het priestergewaad uit, nadat hij hetzelve op den grond gespreid had, liep de non met beide voeten, ten teeken van verachting, er over:

  1. Sa pater! Gheeft uw non een zoen, Heij! ’t Was in de Meij.

Dit meught ghy noch wel zesmaal doen, zesmaal, zesmaal doen, Heij! ’t Was in de Meij, zoo blij, Heij! ’t Was in de Meij.

Dan drukte de pater de non tegen zijnen borst en kuste ze meermalen:

  1. Sa pater! Heft de non eens op, Heij! ’t Was in de Meij.

En dans eens met uw kermispop, Heij! ’t Was in de Meij, zoo blij, Heij! ’t Was in de Meij.

Dit zelfde gezang wordt ook nog in de Elburgsche streken gehoord, wanneer zich de jeugd bij zang en dans onschuldig vermaakt, zonder op den oorsprong te denken.

 

Paaschmaandag als volksfeest.

 

Deze dag wordt hier door de jeugd gevierd op de Bleek, zooals in den Gelderschen volksalmanak van 1839 pag.23, 24, 25 en 26, duidelijk is omschreven, met dit onderscheid, dat de zang op pag. 26 opgeven, hier gevarieerd is, en dus niet “Courei! Courei! Een ei is geen ei, twee ei dat is een ei, maar drie ei, dat is ’t regte paaschei.” Maar “ei mijn ei! Waar blijft mijn ei! Het is mijn ei, mijn eigen ei, mijn paaschei!”

Tegen de avond verzamelen zich de knapen buiten de stad op de zoogenaamde Slenke, met takkebosschen, riet en verdere brandbare stoffen voorzien, maken eenen brandstapel, welke ontstoken wordt, bekend onder de benaming van het Paasch- vuur.

Onder de onschuldige kindervermaken alhier, behoort ook de dans en zang het Kanonnike genaamd, hetwelk op de navolgende wijze wordt uitgevoerd.

Knapen en meisjes plaatsen zich ten dien einde in eene rij, op eene regte lijn. Vóór deze rij, op 18 of 19 passen afstands, plaatst zich het Kanonnikjen met het gezicht naar dezelve gekeerd, en maakt een begin door eene voorwaartsche en achterwaartsche beweging te maken, zingende gelijktijdig:

kanonneken

Het Kanonnikje: “Daar komt een Kanonnikjen aan; Heij flank, Koliflank, Jufvrouw Eli Flinee, Spaansche blanke, Spaansche nood”.

Hiermede op hare plaats teruggekomen zijnde, beginnen de anderen dezelve voor- en achterwaartsche bewegingen, zingende:

De overigen: “Wat wou dat Kanonnikje hebben? Heijflank, koliflank, Jufvrouw Eli Flanke, Spaansche blanke, Spaansche nood.”

Het Kanonnikje: “ik wou wel graag uw dochter hebben, Heijflank, enz.”.

De overigen: “Wat woudt gij met mijn dochter doen? Heijflank, enz.”

Het Kanonnikje: “Ik wou haar een vrijer geven, Heijflank, enz.”

De overigen: “Wat voor ’n vrijer zou dat wezen? Heijflank, enz.”

Het kanonnikje: “Hendrik de Duiker. Heijflank, Koliflank, enz.”

De overigen: “Wat zoudt gij haar te eten geven? Heijflank, enz.”

Het Kanonnikje: “Rijstenbrij met suiker. Heijflank, enz.”

De overigen: “Wat zoudt gij haar te drinken geven? Heijflank, enz.”

Het Kanonnikje: “Brand’wijn en rozijnen. Heijflank, enz.”

De overigen: “Waar zou zij dan op slapen? Heijflank, enz.”

Het Kanonnikje: “In een bed met gouden gordijnen. Heijflank, enz.”

Waarop vervolgens alles zich de hand gevende vereenigen en gezamenlijk in het rond dansende zingen.

“Komt laat ons dan te zamen gaan! Heijflank, Koliflank, Jufvrouw Eli Flanke, Spaansche blanke, Spaansche nood.”

    De dans wordt echter, alhoewel in alle bewegingen, vragen en antwoorden gelijk nog op eene andere wijze gezongen. Hier echter beginnen twee Kanonnikjes te gelijk te zingen.

Het kanonnikje: “Daar komen twee kanonnikjes.

Oh plezierige Jes mis.

Met zoo veel gouden tonnetjes.

Als mostert bij de Mis Vis.”

De Overigen: “Wat willen die twee Kanonnetjes hebben? Oh plezier’ge Jes Vis, met zoo veel kleine tonnetjes, als boter bij de misvis.”

    En overigens gelijk aan het vorige, behalve het  slotvers wanneer bij het rondgezang algemeen gezongen wordt:

“Kom laat ons dan te zamen gaan, en vreest nu geen gevaar,

Het eerste jaar een zoontje, het tweede jaar een dochtertje;

Veel zegen in dit jaar.”

XXX

Een volksspel te Elburg, het Klootgooijen of Klootschieten genaamd.

 

Gedurende de heldere en drooge winterdagen, wanneer door de vorst de scheepvaart belemmerd is, ( gewoonlijk van nieuwjaar tot Vrouwendag :) en de schippers werkeloos zijnde zich eene gezonde beweging willen verschaffen, wordt het klootschieten gespeeld.

Ieder voorziet zich alsdan van eenen houten kloot, ( zijnde een platte ronde schijf van 1 palm diameter:) de wal, welke in het vierkant om de stad loopt, wordt alsdan tot dit spel gebezigd.

klootschieter

Het doel is om in het minste getal worpen den wal in het vierkant om te schieten; men begint meest aan eene der vier poorten; de eerste speler tracht met eenen krachtigen worp ( waartoe een gespierde arm vereischt wordt) zijnen kloot zoo ver mogelijk doen te rollen; de overigen volgen zijn voorbeeld; daar elk weder begint van de plaats, waar zijn kloot is blijven liggen; aan dengenen, welke in het minste getal worpen de stadswal rond geschoten heeft, wordt de prijs der centen, zoo als vooraf bepaald was, uitbetaald.

Wanneer nu echter onder de spelers er zich een bevindt, welke op den duur het verste klootschieten kan, dan wordt vooraf bepaald, dat deze achterwaarts moet werpen of een klompschot moet geven. Zoodanig klompschot geschiedt door den kloot achterwaarts, tusschen de beenen door te werpen en hem op die wijze vooruit te brengen.

Of ook, de zwakkere bepaaldt met den sterkere om aan het einde van het perk, b.v. vier boomen voor te hebben, ( namelijk, daar de wal met boomen op eene roede afstands van elkander bepoot is, is hiermede gemeend vier roeden voor den zwakkeren te rekenen, of zoo veel als men overeenkomt.)

Dit is een zeer vrolijk en gezond spel waardoor men zich, bij de felste koude, goed kan verwarmen, en gestadig in beweging blijft.

XXX

 

Onder de volkssprookjes in de gemeente Doornspijk ( waarschijnlijk nog van heidensche afkomst) behooren ook deze.

Men wil, dat de dieven en moordenaars, welke een verbond met de duivel gesloten hebben, het meest gevaarlijk zijn voor zwangere vrouwen of pas geborene kinderen, doordien dezelve trachten om ongeborende kinderhandjes te bekomen, welke hun des nachts voor licht of lantaren dienen, en alleen door ze in zoete melk te dompelen, kunnen uitgebluscht worden.

Alsmede wordt in het algemeen geloofd, dat, wanneer eenig gebouw door den bliksem is in brand gestoken, zoodanig gebouw slechts met zoete melk kan gebluscht worden.

Men wil zelfs nog in Elburg binnen in den kerktoren de stralen melk langs de muren nog weten te vinden, welke door de huislieden van Oosterwolde tot blussching van den brand in 1693 zoude aangebragt zijn.

Omtrent het huis Old- Putten bij Elburg, heb ik ontdekt, dat er, tot zelfs nog voor 20 jaren geleden, eene zeer oude en zware lindeboom gestaan heeft, omtrent, en wel ten oosten van het huis, bij den tegenwoordigen oprid, aan het hek, waar nu een bruggetje zich bevindt, bekend onder de benaming van vrijheidsboom, welke veroordeelde misdadigers, die hunne gevangenneming konden ontvlugten en zich derwaarts begeven, tot wijkplaats verstrekte ( even als vroeger kerkhoven,) ten tijde, toen de heeren van Putten nog hun eigen halsregt uitoefenden.

XXXX

Geldersche volks-almanak 1841.

hendrik van grietjen

 

 

   

   

 

 

 

 

 

 

Dit bericht was geplaatst in H.G. Haasloop Werner..

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Verplichte velden zijn gemarkeerd met *