Een eilandje op de heide.

Een eilandje op de heide.

Door Peter Bijvank.

 

Onlangs bekeek ik voor mijn onderzoek naar de historie van de Kruishaarderberg de prachtige kaart van de Veluwe uit 1807 van M.J. de Man. Deze kaart geeft een mooi beeld van de uitgestrekte heidevelden die toen oostelijk van Nijkerk lagen. Midden op deze woeste gronden lag toen de Kruishaarderberg met binnen de omwalling een akker, als een eilandje in een zee van heide. Ik wilde weten of er nog meer van deze “eilandjes”of akkertjes op de heide hadden gelegen om zodoende iets te kunnen herleiden over de betekenis van de Kruishaarderberg.

M.J. de Man

     Op de kaart van DE Man is oostelijk van de kruishaarderweg een groot “eiland”zichtbaar; de ontginnning rond de boerderij De Ridder bij de Ridderwal. Daarboven ligt een klein eilandje ( onder de tekst “Wilderen”, waarmee de boerderij Weelderen bedoeld wordt) zuidelijk van de boerderij Renselaar aan de Beulekampersteeg. Over de ontginning rond boerderij De Ridder hheft F. van Dooren uitgebreid geschreven in zijn boek over de landschappen van Nijkerk – Arkemheen ( F. van Doorn, 1984, pg. 137 t/m 139) maar dat kleine akkertje daarboven wekte mijn belangstelling. Van wie was dit kleine perceeltje? Was het een vergelijkbare ontginning als de akker van de Kruishaarderberg?

Voor informatie over het gebruik van de heidevelden tussen Nijkerk en Putten ging mijn zoektocht verder in Arnhem. Daar wordt in het Gelders Archief een lijvig boek bewaard; het malenboek van het Hellerveld. ( Malenboeck vant Helrevelt, waerinne de maelen opcomsten des selven velts, overgiften end anders geregistreert staen 1627 – 1859, Rijks Archief, Markenarchief, inv.nr. 75). Dit boek met ruwlederen kaft dateert uit 1627 en beschrijft het beheer van toen ca. duizend hectaren grote Hellerveld dat tussen Nijkerk en Putten lag. Het Hellerveld was een zogenaamde maalschap. De boerderijen die rond dit woeste, deels moerassige, heidegebied stonden hadden rechten op het gebruik van het veld. De boeren van deze erven werden maalmannen genoemd. Ze mochten er hun vee weiden, plaggen steken voor de potstal, veen graven voor de kachel, brandhout kappen, etc. De maalmannen vergaderden elk jaar rond 11 november ( St. Maarten) in de buitenlucht op de Renselaarpol ( een inmiddels verdwenen terpje nabij de boerderij Renselaar). De afspraken en regels over het veld werden in het malenboek opgeschreven. In dit malenboek trof ik een twintigtal zogenaamde “koopbrieven”aan uit het begin van de 17e eeuw. Deze brieven ( de orginele exemplaren werden verstuurd en in het boek werd een kopie bewaard) beschrijven de overdracht van perceeltjes grond die de maalschap verkocht of verhuurde aan plaatselijke boeren of grondeigenaren. De akker van de Kruishaarderberg trof ik hierbij niet aan. Maar wel een brief aan Killian van Rensselaer over de verkoop van een perceeltje grond bij boerderij Renselaar. Een bekende naam maar wie was Killian van Rensselaer ook al weer?

Killian van Rensselaer.

Een telg uit een oud Veluws geslacht ( de familienaam is afkomstig van de boerderij Renselaar aan de Beulenkamper steeg, zie afbeelding 2) en werd in Hasselt in Overijssel geboren rond 1595. In het begin van de 17e eeuw komt hij in dienst bij zijn oom, de Amsterdamse juwelier Wolfert van Byler Wynantszoon. In 1616 trouwt hij met Hillegond van Byler en betrekt hij een statig pand aan de net aangelegde Keizersgracht in amsterdam. Killian wordt vooral bekend doordat hij in 1621 bewindhebber wordt van de Kamer van Amsterdam van de West Indische Compagnie ( WIC). Deze Amsterdamse kamer richt zich op de ontwikkeling van Nieuw Nederland, de huidige Verenigde Staten van Amerika. Hoewel hij zich met belangrijke beslissingen van de WIC bemoeide is hij zelf nooit in Amerika geweest. In 1629 wordt hij patroon voor een kolonie ten noorden van Nieuw Amsterdam aan de Noordrivier ( thans Hudson Rivier). Het land koopt hij van de indianen en hij sticht daar “Rensselaerswijck, het latere Albany en Rensselaer in de staat New York in de Verenigde Staten van Amerka. Zijn achterneef en Nijkerker Arent van Curler ( 1620 – 1667) wordt zijn handelscommissaris. Zijn drie zoons uit zijn tweede huwelijk werden directeur van Rensselaerswijck. Killian overlijdt in 1643 in Amsterdam ( R.L.J. Toet, 2001). In de grote kerk in Nijkerk is een groot grafmonument aanwezig van de familie Rensselaer. Hier liet Killian zijn vader Hendrik en oom Johannes begraven ( gesneuveld in respectievelijk 1601 en 1602 in de strijd tegen de Spanjaarden). (G. Beernink, 1916, pg.143).

Boerderij Renselaar

Killian kocht op 22 januari 1627 van de maalschap van het Hellerveld “..seeckere parceel velts ofte lants gelegen onder het erff Renseler”. Is dit “seeckere parceel velts” mijn eilandje op de heide en waarom koopt Killian van Rensselaer dit onooglijke stukje land terwijl hij op dat moment grote zaken doet in de Verenigde Staten? In 1621 werd Killian een belangrijk bestuurder in de West Indische Compagnie, voerde gesprekken met Peter Stuyvesant, onderhandelde met de Mohawk indianen en dan koopt hij zes jaar later een akkertje op de heide aan de Beulekampersteeg. Hoe verhouden deze zaken zich tot elkaar?

Toch lijken de zakelijke activiteiten die Killian in Amerika ontplooide sterk op de ontginningsdrang die hij ook in Nederland liet zien. Rensselaerswijck was een agrarische kolonie waar woeste gronden in akkerland veranderde. Veel emigranten uit o.a. de Gelderse Vallei vonden daar een nieuwe toekomst. Tegelijkertijd kocht Killian woeste gronden aan in het Gooi en dus ook bij Nijkerk en Putten. (In 1628 kocht Killian van Rensselaer landgoed Crailo ten oosten van Naarden. Tot 1830 bleven zijn nazaten in bezit van het landgoed). De aankoop op het Hellerveld nabij het erf van zijn voorvaderen was echter zo gering in omvang dat het onmogelijk als een planmatig ontginning gezien kan worden. Killian woonde zelf niet op de boerderij Renselaar en heeft daar ook nooit gewoond. In de late middeleeuwen werden deze oorspronkelijke kloostergoederen ( boerderij Renselaar was in bezit van de vrouwen van het Jufferen Stift in Elten) in veel gevallen gekocht door vermogende, soms ook adelijke geslachten. ( Obert van Renselaar betaalt in ca. 1325 vier malder rogge en een malder gerst aan de vrouwen van Elten, N.C. Kist, 1853, pg. 135. )  Killian van Rensselaer had het erf in ieder geval in het begin van de 17e eeuw in bezit en hij verpachtte het aan een plaatselijke boer die het erf bewoonde. ( In 1637 wordt het erf Renselaar gepacht door Maes Dericxsen, E.L. Steinmeier, 1993, pg. 183). Mogelijk had de pachter behoefte aan extra akkerland of had hij het perceeltje al enige tijd in gebruik.

Maar is het eilandje op de heide op de kaart van De Man waar ik mijn verhaal mee begon, nu daadwerkelijk het perceeltje dat Killian van Rensselaer kocht in 1627? De ligging van het perceeltje wordt in de koopbrief als volgt aangeduid:..vanden floris tot op het hoeckie vande veltcamp, en voorts vanden anderen hoeck van het veltcampgen tot soo verre toe als de pas van Renseler is, ende soo ’t selve alreets besichticht en affgegraven sal worden”.  Kenmerkend voor de plaatsaanduidingen in deze 17e eeuwse koopbrieven is dat er meestal drie omringende boerderijen of percelen worden genoemd om de bewuste verkoop mee aan te duiden. De invoering van kadastrale nummers liet nog eeuwen op zich wachten dus moest men zich behelpen met toen alom bekende veldnamen in het gebied. Er worden in deze tekst drie veldnamen genoemd: ‘den Floris”, “de Pas van Renselaar” en de “Veldcamp”. Gelukkig hebben we de beschikking over de prachtige studie van W.J. Hagoort waarin hij honderden oude en veelal niet meer in gebruik zijnde veldnamen beschrijft. ( W.J. Hagoort, 1984). Maar “den Floris”komt daarin jammer genoeg niet voor. Nadat ik contact met Wim Hagoort heb opgenomen laat hij al snel weten dat hij het perceel “den Flotis”heeft gelokaliseerd. In 1981 kende de toenmalige boer van Klein Boeijen een perceel nabij boerderij Renselaar en Klein Boeijen als “de Fuis”.( W.J. Hagoort, 1984, pagina 156). Ditzelfde perceel had in 1837 nog de naam “Foëls”. In 1627 was de oorspronkelijke naam “den Floris”. De naam is door verbasteringen en invloeden van dialecten veranderd van “Floris”naar “Foëls” om tenslotte in “Fuis” te eindigen. Wanneer ik de veldnamen in de kadastrale kaart van 1832 projecteer ( zie afbeelding 3) blijkt dat het eilandje op de heide omringd wordt door de drie veldnamen uit de koopbrief van 1627.

Kadastrale kaart 1832

Het perceeltje bestaat nog steeds en ligt tegenover de tegenwoordige boerderij “Weltevreden” aan de Achterridderweg ( zie afbeelding 4 & 5 ). Het is een met plaggengrond verhoogd maïslandje dat nu is omgeven door weilanden en wegen. De grote stille heide is na eeuwen veranderd maar alle sporen naar dit verleden zijn nog wel te vinden. Ook de sporen van Killian van Rensselaer kwam ik daarbij tegen. De sporen naar de historie van de Kruishaarderweg liepen hier dood maar heb ik elders nog weer op weten te pikken. Een volgende keer meer hierover.

Weltevreden

Kaart

Literatuur.

Beernink, G., 1916, De geschiedschrijver en rechtsgeleerde dr. Arend van Slichtenhorst en zijn vader Brant van Slichtenhorst, Stichter van Albany, hoofdstad van den staat New York. Werken van de Vereniging “Gelre”, nr. 12, Arnhem.

Van Dooren, F., 1986, Landschappen van Nijkerk – Arkemheen, Nijkerk.

Hagoort, W.J., 1984, Bijdrage tot de toponymie van Putten, Ermelo.

Kist, N.C., 1853, Het necrologium en het tijnsboek van het Adelijk Jufferen – Stift te Hoog – Elten, Leiden.

Steinmeier, E.L., 1993, Register van overleden keurmedigen van de kelnarij van Putten 1389 – 1681, Barneveld.

Toet, R.L.J., 2001, Killiaen van Rensselaer en zijn invloed op de ontwikkeling en het succes van de kolonie Rensselaerswijck in Noord Amerika, Houten.

Bron: Historische Geografische Artikelen,

Blog: Peter Bijvank.

Waarvoor dank.

 

 

Dit bericht was geplaatst in Verhalen bundel.

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Verplichte velden zijn gemarkeerd met *